vrijdag 29 februari 2008

Sri Lanka, de gouden tempel bleek geen gouden idee

Sigiriya, 29/02/2008

Vandaag zouden we de basis leggen voor ons bezoek aan de culturele driehoek. Dit moest wel heel goed worden georganiseerd omdat de regering gekke regels heeft gesteld aan het gebruik van het passe-partout voor het gebied en Graham in een grote haast verkeerde.
We waren natuurlijk vroeg op weg en onderweg werd bij een bakkerij een paar broodjes en een Nescafé gekocht. De truc is dat je wacht dat de volle bus vertrekt en zodra de nieuwe verschijnt je goede zitplaatsen inneemt. Het duurt meestal maar een half uur en de bus is weer onderweg, een enkele bus blijft een uur wachten maar dat is altijd nog beter dan drie uur staan. Zo waren we op weg naar “Dambulla” gegaan, hier zouden we overstappen op een bus naar “Sirigiya”.
Met de bus reizen is heel goedkoop en de bussen zijn dan ook meestal tot aan de nok toe gevuld. Een zitplaats is een heilig goed dat je wel goed moet bewaken. Vooral bij een theestop worden de plaatsen snel door anderen ingenomen wat vaak onschuldig luid gekibbel als gevolg heeft. Wij misten de aansluiting op een haar na en waren veroordeeld om een half uur te wachten in het busstation van “Dambulla”. Dat was een vreemde gewaarwording omdat we straks, over een uur of twee, weer hier zouden staan. We zouden namelijk de “Grottempel van Dambulla” gaan bezoeken.
“Sirigiya” ligt duidelijk in het achterland van Sri Lanka en zelfs de wegen er naar toe zijn niet berekend op de grote luxueuze touringcars van de toeristen, maar de accommodatie wel. Wij hadden ons oog laten vallen op het “Nilmini Lodge” omdat het goedkoop was en dicht bij de rots lag. Het zou ons morgen zeker flink wat tijd besparen als we de rots gingen bezoeken. Graham keek naar rechts en ik hield de linkerzijde van de weg in de gaten of we misschien het uithangbord van het guesthouse zouden zien. Daar was het! Ik sprong omhoog, bijna een man omverwerpend, en trok aan het koord dat over de hele lengte van de bus aan het plafond was gespannen. Een bel als naast een boksring liet een luide “TING” horen en de chauffeur reageerde alert met zijn rechtervoet en bracht de bus tot stilstand. Het was een beetje mensbeklimmen maar na enkele minuten stonden we met onze rugzakken naast de weg onze kleren weer recht te trekken.
Een manager en medewerker van het “Sirigiya Rest House” kwamen naar buiten gerend en informeerden ons over de prijs van hun driesterren accommodatie.
“US 50,- is the normal rate”, sprak hij snel en in een goed verstaanbaar engels.
“I give you discount, US 35,- for a double including breakfast”, vervolgde hij.
“I’m sorry, but my friend wants it cheap”, antwoordde ik verontschuldigend en we liepen richting het “Nilmini Lodge”.
“I can do it for US 30,- with no breakfast”, hoorden we de manager wanhopig achter ons in de verte roepen.
Het “Nilmini Lodge” was vol. Dat was een tegenslag van de eerste orde en die hadden we niet ingecalculeerd. We overlegden en Graham wilde even aan de overkant de “Flower Inn” gaan bekijken. Hier kreeg het verhaal een verrassende wending. Uit het niets was er een tweepersoons kamer opgedoken. Wij keken elkaar verbaasd aan wilden nu het naadje van de kous weten.
“Come, you look”, zei de BH-loze kleine dikke vrouw.
Ik volgde haar naar de achterkant van het guesthouse en werd een goede kamer getoond maar was het niet dat er slechts één tweepersoonsbed in stond. Na een beetje aandringen werd het mogelijk dat er een tweede matras op de grond werd gelegd en zo hadden we dus een kamer voor vierhonderd Roepies (€ 2,50 per persoon) per nacht.
De rugzakken werden in de kamer gesmeten en wij posteerden ons zo snel mogelijk weer naast de weg om de bus naar “Dambulla” te nemen. Het duurde niet erg lang maar we hadden voldoende tijd om even wat backpakkers snackfood te kopen in de vorm van een zakje zoutjes en een reep chocolade. De bus vulde zich zoals gewoonlijk heel snel en bracht ons naar het busstation van Dambulla.
De regen kondigde zich aan in de vorm van grote gitzwarte vlekken op het stoffige afvalt van de hoofdweg tussen Kandy en Jaffna. We hadden geen keuze en moesten door. Een passerend landbouwvoertuig met een groep jongens op de bok riep ons en wuifde dat we wel een lift konden krijgen. Graham en ik sprongen in de bak en heftig schuddend en schokkend gingen we verder richting de tempel.
En de jongens maar roepend, “a 1000 Roepies, a 1000 Roepies”.
En wij maar teruglachend, “Yes, a 50 Roepies, a 50 Roepies”.
Het was maar anderhalve kilometer naar de tempel maar zover kwamen we niet eens, eerst werd er voor ongeveer een Euro aan diesel getankt en daarna werd er bij het eerste theehuis gestopt voor wat betelnut en Srilankaanse snacks. Ik overhandigde een briefje van honderd en licht teleurgesteld namen de jongens lachend en grappend afscheid van ons.
Bij de ingang van het tempelcomplex aangekomen bleek het gebouw dat een paar jaar geleden, met sponsering uit Japan, voor de grottempel was gebouwd van een ongekende lelijkheid.

De kassa voor de toegangsbewijzen bleek onvindbaar en wij gingen dus zelf maar op onderzoek uit. Het terrein voor de tempel lag er verlaten bij en een enkele personenauto stond eenzaam op de enorme parkeerplaats. Deze tempel had zeker betere tijden gekend. Toen we eindelijk, door een verdwaalde medewerker, naar de ruimte werden verwezen waar we de kaartjes konden kopen werd ons duidelijk waarom hier zo weinig te doen was.
Het is hier een klooster dat gewoon in gebruik is door monniken die alle aardse geneugten en bezittingen hebben opgegeven. Het is een plaats van aanbidden en hoge spirituele waarde. De Lonely Planet vermeldde een toegangsprijs van 500 Roepies en daar konden we beiden mee leven. Het gefotokopieerde papier naast het loket vermeldde echter:

Met ingang van 01/10/2007 heeft de regering besloten om de toegangsprijs voor deze plaats te verhogen naar USD 10,- per persoon.

Een klein opgeplakt papiertje vermeldde de dagprijs en de koers van de Amerikaanse Dollar. 1120 Roepies dus. Ik vond het te gek voor woorden en verdacht de regering ervan dit geld te gebruiken voor de financiering van de oorlog, en daar wilde ik niet aan mee doen. Tel daar ook nog bij op de USD 40,- die we morgen moesten ophoesten dan kwam je op ruim € 30,- voor drie dagen ruines. Maar ja, ik ben hier maar één keer en ik weet zeker dat ik hier nooit meer terug kom dus zwichtte ik voor de prijs en presenteerden Graham en ik onze biljetten van 2000 Roepies. Graham had die ondingen uit een ATM in Kandy gekregen.
“Sorry, no change”, snauwde het meisje achter het glas.
“No Change?”, reageerde Graham geïrriteerd.
“What would you like us to do?”, vervolgde hij.
“Walk back to town and change your money at the bank”, antwoordde ze kort af.
Wij konden onze oren niet geloven. Eerst vragen ze aan ons de hoofdprijs voor een publieke tempel en dan moeten wij terug naar de stad lopen om ons geld te wisselen.
“We lopen gewoon omhoog en zien wel”, lachte Graham.
En zo vervolgden wij zonder toegangsbewijzen de klim naar de grotten in de hoop dat we misschien door een gaatje in de beveiliging konden glippen. Het was er best mooi en heel rustig. Een enkel verliefd paartje zat te scharrelen op één van de vele bankjes maar verder was er niemand. Natuurlijk wemelde het wel van de werkeloze souvenirverkopers die al dagen niets hadden verkocht. Wanhoop en onbegrip stond in de ogen van deze arme mensen te lezen. Bij de ingang bleek meteen dat onze poging vruchteloos zou zijn. Het, in Europa verboden, uitgerolde mesjesdraad lag twee meter hoog opgestapeld langs de rots zover als het oog reikte. De tempel was beveiligd als een militaire basis en in het poorthuis zat een sergeant om de kaartjes te controleren. Graham ondernam nog een poging om de sergeant te overreden maar ik wist dat het verspilde moeite was. Dit land had geld nodig voor een oorlog en het kon ze niet schelen hoe ze er aan kwamen.
Teleurgesteld begonnen we aan de afdaling, maar wel in de wetenschap dat we in ieder geval niet de oorlog hadden gesponsord. Onderweg werden we opnieuw aangevallen door de souvenirverkopers. Ze wilden een praatje maken en zo misschien toch nog wat verkopen. Simpele mensen met simpele ideeën en simpele levens zijn het slachtoffer. Uiteindelijk kochten we allebei een set postkaarten met de plaatjes van de Grottempel. Hadden we het toch nog goed gedaan en we hadden allebei onze plaatjes van de tempel.
In onze gedachten gekeerd liepen we zonder een woord rustig terug naar het busstation. Er was voldoende tijd over en toen we een markt passeerden keken we elkaar aan met de “waarom ook niet” uitdrukking op ons gezicht. Ik heb al honderden markten bezocht tijdens mijn reizen en steeds vond ik dat je aan het aanbod kon zien hoe het land er voor stond. Des te beter de situatie in een land des te uitgebreider het aanbod op de markten en in de groothandels. Bananen, uien, wortelen, pompoenen en prei was de hoofdmoot. Het is jullie nu ook duidelijk waarom er geen Srilankaanse Restaurants zijn te vinden in de westerse wereld.
Moe en een illusie armer arriveerden we weer na een chaotische busrit in het “Nilmini Lodge”. We gingen ons nu voorbereiden op de komende dagen. De Lonely Planets werden bestudeerd en plannen met schema’s in elkaar gezet. De dikke kleine vrouw ontwaakte ons uit onze trance voor het avondeten. En dat avondeten bezorgde ons een schok, het zag er niet uit en smaakte nog slechter. Hoe zei ik dat ook alweer?
“Je komt op een punt dat eten alleen nog maar brandstof voor het lichaam is, als het goed smaakt dan is dat mooi meegenomen”, en zo was het.
Het was puur brandstof en de twee flessen bier waren net voldoende om de smaak weg te spoelen. Ik kocht de twee flessen in het “Sirigiya Rest House” en de manager ging verder met zijn aanbiedingen.
“US 25,- including breakfast”, hakkelde hij.
Een kort gesprek openbaarde ook zijn angst. Van de afgelopen zeven nachten was hij één keer vol geweest met een toergroep, de andere nachten had hij vaak maar één of twee kamers bezet gehad van zijn grote driesterren Rest House. Morgen gaat het echt beginnen!

donderdag 28 februari 2008

Sri Lanka, de eerste serieuze regen

Kandy, 28/02/2008

Na de bieren van gisterenavond en een nacht zonder muggen had ik als een blok geslapen. Natuurlijk was ik niet om kwart voor zes opgestaan maar had de wekker uitgezet en draaide me nog maar een keer om. De tand zou er morgen ook nog wel zijn.
Om acht uur verscheen mijn vertoning op de veranda waar een breed lachende Graham mij begroette.
“Good morning Squire”, spotte hij.
Ik lachte breeduit terug want het kon me geen hout schelen, ik had heerlijk geslapen.
Na het kleine ontbijt van een pot thee en toast met roerei begon ik aan mijn ronde om het meer midden in Kandy. Een fijne wandeling omgeven door aan de ene kant de rust van het water en aan de andere kant het uiterst lawaaierig en stinkend verkeer. Alles onder een snel dichttrekkende en van kleur veranderende hemel.
Ik had de zak met broodjes al in de hand toen de regen langzaam op gang kwam, een korte sprint naar het hotel behoedde me voor een nat pak en vanaf de veranda zag ik de regen in hevigheid toenemen. Het was de eerste echte dag met regen op deze reis. Ik was in de afgelopen twee weken erg gelukkig geweest met het weer. Natuurlijk had ik wat regen gezien maar dat was altijd ’s nachts of na het avondeten als er toch geen reden meer was om er uit te gaan. Het regende de hele middag onafgebroken en ik genoot van de rust en het uitzicht vanaf de veranda.
Voor het avondeten was er nog een cultureel uitstapje naar de “Kandy Dancers”.
“Om vijf uur voor de deur”, was de afspraak.

Het arriveren van een grote touringcar deed mij besluiten om zelf maar eerder naar binnen te gaan. Graham zou vanzelf komen opdagen en mij in de zaal zien met een stoel op een goede plaats die ik voor hem vrij had gehouden.
Het was een grote groep van de nieuwe rijken uit het voormalige Oostblok. Mannen met zware bariton stemmen en veel jonge slanke vrouwen in strakke kleding met minimaal de borsten half bloot. Enkele oudere vrouwen in de groep hadden zo te zien ook hun bedenkingen bij de blonde vertoningen. Bij navraag bleken Tsjechen, Polen en Hongaren te zijn, in een gemengde groep. In koor kreeg ik het antwoord dat geen van de aanwezigen sympathie voor de Russen had en ze probeerde te mijden als de pest. De bezetter van het verleden is nog steeds een bezetter van de geest.
De show begon met trommels en in het tweede bedrijf verschenen er vrouwelijke en later ook mannelijke dansers op het toneel. Het was best leuk en interessant om te zien. Helaas was het zo donker in de zaal dat ik de uitleg op een slecht gefotokopieerd papier niet kon lezen. Zo ontbrak het aan een enkele uitleg wat het voorstelde en wat de oorsprong was.
Het vuurdansen was het hoogtepunt van de avond. Een plaat met daarop gloeiend hete kolen werd naar binnen gebracht en wij op de eerste rij voelde de stralingswarmte. Met een waaier werd het vuur nog hoger aangewakkerd en twee mannen liepen met de tenen omhoog gekruld over de gloeiend hete kolen. Om het spektakel nog wat te verhogen kwam een medewerker met een fles petroleum die hij over de gloeiend hete kolen uitstrooide. Vlammen van wel twee meter hoog klommen naar de hemel, de stralingswarmte was zo groot dat de meeste toeschouwers op de eerste rij probeerden te vluchten, tevergeefs. Zelf had ik het idee dat ik de komende weken zonder oogwimpers en wenkbrauwen door het leven zou moeten gaan. De vlammen doofden net zo snel als ze waren gekomen en de mannen liepen nog twee keer heen en weer over de vurige vloer. Dat was het einde van de show en het begin van de avond.

Na twee keer “Pizza Hut” was er nu een echt restaurant aan de beurt. “Lyon’s” zou goed Chinees eten serveren. Ik volgde Graham die met de Lonely Planet in de hand flink doorstapte richting het restaurant. Zonder horten of stoten liepen we rechtstreeks naar het fonkelnieuwe geheel uit beton en glas opgetrokken restaurant.
“Chinees?”, stamelde de man.
We knikten synchroon.
“Second Floor”, antwoordde hij en ging ons voor door het bijna lege restaurant.
Als dit één van de betere plaatsen was dan zou ik wel eens willen weten hoe druk het in een slecht restaurant was! De menukaart werd bestudeerd en we besloten om maar een paar gerechten te proberen en de rekening te delen. Het maakte nu toch niets meer uit zolang we maar goed te eten hadden. En het eten was goed! Het beste dat we tot nu toe op Sri Lanka gegeten hadden. De bordjes waren allemaal leeg op een lepel of twee groente en noedels na.
Voldaan trokken we verder naar de Pub waar we nog een slaapmutsje zouden nemen. Ondertussen had ik een besluit genomen om verder met Graham de oude locaties te bezoeken. We hadden een goede tijd samen en vooral de snelheid waarmee we de drie oude locaties zouden moeten doen maakte het ideaal om samen op pad te gaan. De tand (Sri Dalada Maligawa) bleef de tand en nadat ik de oude locaties had gezien zou ik naar Kandy terugkeren om alsnog een bezoek aan de tempel te brengen.
Morgen vroeg op om op weg naar “Sirigya” te gaan.

woensdag 27 februari 2008

Sri Lanka, de botanische tuinen van Kandy

Kandy, 27/02/2008

Het leven onder een muskietennet is niet eenvoudig. Zeker niet wanneer je heel bewegelijk bent in je slaap zoals ik. Het duurde dan ook niet erg lang voordat ik gezelschap had van een handjevol van die bloedzuigers. Enkele waren een snelle dood toebedeeld tussen mijn handpalmen en lieten een rode bloedvlek na als afscheid. Anderen waren sneller en losten zichzelf op in het niets wanneer ik met mijn zaklantaarn de irritante zoemers probeerde te vinden. Na een gevecht van twintig minuten was de stand 4-0 voor mij en minimaal één mug was de dans ontsprongen omdat ik hem af en toe hoorde zoemen. Mijn wollen sokken, fleecetrui en behaarde benen verhinderde dat hij op het grootste gedeelte van mijn lichaam bloed kon aftappen. Ik sliep dus rustig verder.
De wekker liep om zeven uur af en nadat ik het toilet had bezocht en de koude douche had bekeken lag de eerste dag Kandy voor me. De veranda van het “Olde Empire Hotel” is een schitterende plaats om de dag te beginnen met een pot koffie en een paar sneetjes geroosterd brood met roerei. Gefascineerd keek ik naar het schouwspel dat zich voor mijn ogen ontvouwde. De gelovigen stonden in een rij om de “Tempel van de heilige tand” (Sri Dalada Maligawa) te betreden, ze moesten wachten op de soldaten om hun persoonlijke bezittingen en tassen te laten controleren. Er is hier al een keer een bomaanslag geweest en een volgende zou zeker de definitieve doodsteek voor het toch al erg zieke toerisme zijn op Sri Lanka.
Graham voegde zich bij ons op de veranda om een uur of acht en hij was druk als een klein baasje. Zijn laatste dagen waren aangebroken en er was nog veel te doen voordat hij terug naar India zou vliegen. Hij was in een poep en een scheet weer verdwenen met de afspraak dat we elkaar om een uur of één bij de klokkentoren zouden ontmoeten om een bezoek te brengen aan de “Botanische tuinen van Kandy”.
De kou van de afgelopen dagen zat nog echt in mijn lichaam en alleen het idee van een koude douche deed me al huiveren. Ik had het nog steeds koud, het leek wel dat de kou zich had vastgeklonken aan mijn botten. Een beetje water in mijn gezicht was voldoende geweest om me op te frissen.
Met de wetenschap dat Graham en ik veel overeenkomsten hebben was het geen verrassing dat we elkaar tegen het lijf liepen in het Toeristen Informatie Centrum. We moesten er beiden om lachen en verdwenen toen in de mensenmassa van Kandy. Mijn plan was om een lange cirkel te gaan lopen om eens te kijken wat er in de buitenwijken van de stad te zien was. Maar niet voordat ik eerst de “Anglicaanse kerk” naast het Info centrum had bezocht. Kerken als dertien in een dozijn maar toch met die kleine verschillen maken het de moeite waard om even naar binnen te lopen. Koperen platen en marmeren gedenktekens aan de muur. De rest van de nieuwe stad was een grote chaos zonder enig opvallend detail en een mix van oerlelijke moderne gebouwen afgewisseld met bouwvallen uit een nog niet zo ver verleden.
Om tien voor één stond ik bij de klokkentoren klaar om de “Botanische tuinen van Kandy” te gaan bezoeken. Ik ben geen tuinmens maar bij gebrek aan beter kan het geen kwaad. Een Tuk-tuk bracht ons, na lang onderhandelen over de prijs, naar de poort van de tuinen voor 200 Roepies. De kassa van de tuinen had een, onaangename, verrasing in petto. 30 Roepies voor Srilankanen en 600 Roepies voor niet Srilankanen. De oorlog moet gefinancierd worden en de beste bron van inkomsten is dan het toerisme. De prijzen voor de toeristenattracties zijn per 01/10/2007 verdubbeld of verdrievoudigd en worden nu vaak aangegeven in Amerikaanse Dollars, de prijs varieert mee met de koers van de green bag. Dagprijzen voor het toerisme! We moesten toch wat vanmiddag en met de wetenschap dat we hier nooit meer zou terugkeren betaalden we voor de kaartjes. Opnieuw politie en leger die van alles en nog wat controleerden.
Het park was wel leuk en soms leerzaam maar het hoogtepunt was toch wel de specerijentuin. Ik stond voor het eerst in oog met een kaneelboom, en ik maar denken dat het een struik was, en andere leveranciers van specerijen die ons dagelijks eten een beetje opfleuren. We zagen muskaatnoten in de vrucht aan de boom hangen, maar kruidnagel was er niet te vinden. Toen de lokale bevolking als bezetenen de muskaatboom beklommen en de vruchten plukten kon ik het niet laten om er ook één te vangen en open te breken. Het was schitterend om de maagdelijke noot met zijn vlies in de vrucht te zien. Ik denk dat hier over een paar jaar helemaal niets meer te zien is want als de bevolking door de moordende inflatie steeds armer wordt zullen ze alles plukken en opeten wat er ook maar enigszins eetbaar is.
Het was net vier uur geweest dus besloten we maar om de vijf kilometer naar het hotel te gaan lopen. We moesten de tijd toch vullen met iets. Een omweg langs een olifantencentrum onthulde een begraafplaats uit de tweede wereld oorlog, helaas was het hek afgesloten en de toestand van mijn schouder liet het niet toe om over het hek te klimmen. Graham was fit genoeg en besteedde wat tijd op de begraafplaats waarna we verder gingen richting ons hotel.
Het was een prettige wandeling door de rijkere buitenwijken van Kandy. Grote huizen met meer dan één grote auto op de oprijlaan. Er zijn hier ook beter bedeelden die waarschijnlijk geen moer geven om de arme mensen van de samenleving. Hier zou het “Socialisme van Wouter Bos” nog wonderen kunnen verrichten en hem een plaatsje in de geschiedenisboeken bezorgen.
De dag zat er op en we genoten aan het einde van de middag op de veranda van het hotel. Een grote pot verkwikkende thee en de dag analyserend. De avond viel in de categorie gebruikelijke avonden. Pizza Hut en een paar flessen bier bij “The Pub”, boven het “Bake House”. Een andere plaats en misschien niet zoveel sfeer als in de “Pub Royale” maar zeker meer mensen. Morgen heel vroeg op om de “Tempel van de heilige tand” te bezoeken.

De beste foto van mijn reis naar Sri Lanka!

dinsdag 26 februari 2008

Sri Lanka, alle wegen leiden naar Kandy

Kandy, 26/02/2008

Kandy was en is het religieuze centrum van Sri Lanka. Zelfs toe de Hollanders en Portugezen hier de baas waren ging hun invloed niet verder dan een kilometer of twintig landinwaarts. Zij waren de baas in de kustlijn maar de rest van het land werd geregeerd door Kandy. Het is dan ook niet moeilijk om zich voor te stellen dat Kandy, als in het midden van een spinnenweb, het centrum is van het wegennet. Van zuid naar noord en van west naar oost loopt alles door Kandy.
Na het eten en heel moe van de beklimming heb ik als een blok geslapen en werd om iets voor half zeven wakker van de wekker. Vandaag was het geen vermoeiende dag maar wel een lange dag. We moesten namelijk voor half elf in Hatton zijn voor de trein van drie minuten voor elf. De bus van half negen was spelen met het nootlot dus hadden we besloten om de bus van acht uur niet te missen.
Om zeven uur zat ik al aan het ontbijt terwijl Graham nog bezig was te pakken. Op het moment dat het eerste gedeelte van het ontbijt arriveerde riep ik Graham en tegen de tijd dat hij was aangeschoven stond het wel zeer uitgebreide ontbijt op tafel. Het was een lust voor het oog en het smaakte ons nog veel beter. Het “Green House” in Dalhousie is ten zeerste aan te bevelen voor een kort verblijf! Mijmerend over de klim kwamen we samen tot de conclusie dat we de beste optie hadden gekozen. Weer een zonsopkomst had ons niet aangesproken en uiteindelijk was onze beslissing om het ’s middags te doen goed uit gevallen.
Op het station van “Hatton” aangekomen hadden we twee mogelijkheden:
1. Of we namen de trein van elf uur tot “Gampola” en dan verder met de bus naar Kandy.
2. Of we wachten op het station op de trein van twee uur die rechtstreeks naar Kandy gaat.
Het werd natuurlijk de eerste optie en met een gerust gevoel gingen we op pad naar “Gampola”. De treinreis was minder boeiend dan gisteren en het enige noemenswaardige was dat de trein op een heuvel zijn tractie verloor door een te lage snelheid. Slippende wielen met een vuurwerk van vonken van staal op staal waren het gevolg.We hadden snel de bus naar Kandy gevonden bij het kleine stationnetje en bleven goed op het tijdschema.
Kandy leek een vriendelijke stad bij aankomst en ik had in tijden niet zoveel mensen bij elkaar gezien. Het leek wel een mierenhoop, een erg welkome mierenhoop. Er waren bakkerijen en cafés, en zelfs een “Pizza Hut”, we hoefden hier niet eens over te praten. Elkaar aankijkend was genoeg om tot een eenzijdig besluit te komen. We namen kamers in het “Olde Empire Hotel” net naast de tempel van de heilige tand. Niet het meest luxueuze hotel maar wat kan je verwachten voor 575 Roepies (€ 3,50) per nacht?
We splitsten ons op en gingen ieder onze eigen weg ’s middags. Er waren wat persoonlijke zaken te regelen en dan kan je beter alleen zijn. Zelf rustte ik op de heerlijke veranda van het hotel en genoot van het uitzicht. Zoals eerder gezegd, Pizza als avondeten. Heerlijk na een week van het slechte Srilankaanse voedsel. Het eten is hier heel slecht en zal waarschijnlijk alleen nog maar slechter en duurder worden. Twee flessen bier in de “Pub Royale” in het “Queen’s Hotel” maakten de avond kompleet en het duurde niet lang voordat ik weer op bed lag. Morgen gaan we een dagje cultuur doen.

maandag 25 februari 2008

Sri Lanka, Sri Pada (Adam’s Peak)

Dalhousie, 25/02/2008

Het was opnieuw vroeg opstaan en het zag er niet naar uit dat ik zou kunnen uitslapen in de komende dagen. Ik ben moe, erg moe. De combinatie van een paar dagen erg vroeg opstaan, slecht eten en vijf keer naar de wc in een half uur vannacht had zijn tol geëist. Tel daar bij op dat een medewerker van het hotel om half twaalf als een bezetene de papieren verpakking voor de lunchpakketten begon te stempelen en het hebt een heel slechte nachtrust.
Om half zeven liep de wekker dus af en das was het voor “Haputale”, rustig de rugzak inpakken en een ontbijt nuttigen en daarna op weg naar de laatste van de grote wandelingen “Sri Pada” oftewel “Adam’s Peak”. De trein zou om twaalf voor acht vertrekken vanaf het station dat op nog geen honderdvijftig meter van mijn hotel lag. Ik ben lui van natuur en verblijf nu eenmaal graag in hotels die dichtbij bus en treinstations liggen. Ook al betekend dat vaak dat het niet de beste of mooiste locatie is.
Het afrekenen in Sri Lanka was tot nu toe altijd een verrassing geweest. In mijn kleine notitieboekje had ik bijgehouden was ik had gegeten en gedronken in de laatste drie dagen. Een ruime berekening bracht me op 6000 Roepies totaal, ongeveer € 40,-. De neef van de eigenaar deed zijn best om alles uit te rekenen en presenteerde mij de nota die volgens hem 5945 Roepies bedroeg. Ik kon daar goed mee leven en overhandigde hem de 6000 die ik al had klaargelegd. Dit hoofdstuk was nu beëindigd en ik was klaar om te vertrekken en aan een nieuw hoofdstuk van Sri Lanka te beginnen.
Met de rugzak op mijn rug stapte ik de frisse ochtendlucht in. De zon was al aardig warm en het weer leek nog het meest op een mooie herfstdag in Nederland. Het kaartloket in het station was net open toen ik de entree van het kleine station betrad. Ik hoorde mijn naam in koor roepen en keek verbaasd door de deur naar het perron waar Mohammed en Graham zij aan zij stonden. De twee wisten niet van elkaar dat ze beiden bekenden van mij waren. Ik stel het zeer op prijs dat Mohammed zelf nog een keer afscheid kwam nemen en het was leuk om Graham weer te zien en iemand in de trein te hebben om een praatje mee te maken.
De treinreis naar “Hatton” wordt gezien als één van de mooiste in de wereld, zij het dat je eigenlijk in “Ella” zou moeten beginnen. Mijn oorspronkelijke idee was om deze treinreis per stoomtrein te doen, maar deze treinservice is geschorst bij gebrek aan toeristen hier op Sri Lanka. We hadden goede plaatsen en genoten van het uitzicht dat ik onmogelijk kan beschrijven. Nadat het allemaal een beetje teveel van hetzelfde begon te worden hadden we tijd voor een gesprek en te informeren wat onze verdere plannen waren.
Graham was bijna in zijn laatste week en had een beetje haast om nog wat in het noorden te zien. Zelf had ik voldoende tijd maar geen trek om een dag rond te hangen in een klein dorpje aan de voet van een bedevaartsoord. Na wikken en wegen vonden een gemeenschappelijke oplossing. We zouden proberen om “Sri Pada (Adam’s Peak)” vanmiddag te beklimmen. Het had voor ons geen nut om de zonsopkomst op weer een andere berg of uitkijkpunt te zien.
We hadden geluk! De bus stond met draaiende motor voor het station te wachten om ons naar “Dalhousie” te brengen, het begin van de bedevaart. Ondertussen had het noodlot ook toegeslagen! Bij het verlaten van de trein was ik onder de voet gelopen door een horde Srilankanen die geen enkel respect toonden voor de mensen die de trein wilden verlaten. Ze wrongen zich aan beide zijden langs me heen geen rekening houdend met mijn rugzak en ledematen. Mij schouder werd op brutale, en pijnlijke, wijze uit zijn fatsoen gerukt. Het was geen goed gevoel.
De busreis ging natuurlijk door heuvels met theestruiken en een stuwmeer was de welkome afwisseling in het theelandschap. De lucht was staalblauw en het weer zag er goed uit. “Dalhousie” werd sneller bereikt dan we dachten, met open monden en vol ongeloof zaten we in de bus op een plein in Dalhousie. Er was een kleine twee uur voorbij gegaan zonder dat we het ons eigenlijk hadden gerealiseerd. “Green House” was volgens de LP een goede plaats om te slapen en zijn ligging maakte het een perfecte plaats om de klim naar de 2243 meter hoge “Sri Pada (Adam’s Peak)” te beginnen. Alles liep perfect en in een poep en een scheet stonden we om één uur klaar om aan de klim te beginnen.

Het begin van het pad was kinderlijk eenvoudig en liep door een kleine braderie waar alle in de wereld geproduceerde goedkope rotzooi aan de man werd gebracht. De eerste tempel verscheen op het hoornvlies en het werd rustiger. Een gestage stroom van bedevaartgangers op weg naar beneden passeerde links en rechts van ons. Graham was superfit en ik vocht na dertig minuten al tegen de pijn in mijn lichaam en de vermoeidheid.
“Ga maar alleen verder”, vertelde ik Graham.
“Maar je komt toch wel naar de top?, vroeg hij.
“Ik zie wel hoe hoog ik kom, mijn hele lichaam doet pijn”, antwoordde ik met een zure glimlach op mijn mond en een onwetende gelaatsuitdrukking.
Graham verdween als een schim in de verte en ik bleef vechtend tegen de vermoeidheid alleen achter. Het zweet liep uit mijn lichaam en er was na de diarreeaanval van vannacht weinig energie achter gebleven. Een paar snoepjes gaven me de brandstof die ik nodig had om verder te klimmen. De totale hoogteverschil van de klim is ongeveer duizend meter over een pad van viereneenhalve kilometer lang. Niet gemakkelijk dus! Een fles zoete limonade gevolgd door een banaan gaven me meer suiker om de tocht naar boven te voltooien. Op één punt in de klim krijg je de top van de berg goed in zicht. Waar het bos overgaat in de rots was mijn nieuwe richtpunt.
“Als ik die rots haal, dan haal ik ook de top!”, plantte ik in mijn hoofd.
Moeizaam ging ik naar boven omgeven door mensen die soms wel anderhalf keer mijn leeftijd hadden. Op een moment werd ik zelfs ingehaald door een drager met een zak rijst van zeker veertig kilo op zijn hoofd. Het was fascinerend om te zien dat alles in de leeftijd tussen pasgeboren en zeer oud de weg naar de top volgde. Meer bananen en zoete frisdrank als brandstof. Mijn dijen begonnen nu echt pijn te doen en dat terwijl het pad een beetje gemakkelijker werd. En daar was ik dan, aan de voet van de kale rots.

Nu zou ik ook helemaal naar boven gaan! Mijn GPS vertelde dat ik nog ongeveer 350 meter moest klimmen. Ik zou het halen! In stappen van twintig meter hoogteverschil begon ik aan de treden van de betonnen trap. De treden waren erg ongelijk, soms tien centimeter en soms wel vijftig centimeter. Ik sleepte me naar boven en het werd steeds moeilijker. De twintig meters werden tien meters en die gingen weer over in tien treden per keer. Het zingen van de monniken kondigde aan dat ik nu dicht bij de top kwam, er was zelfs al een stukje van het gebouw te zien. Het werd steeds moeilijker en het stijgen tussen twee rustpunten steeds korter.
Na drie uur en een kwartier stond ik voldaan op de top van “Sri Pada (Adam’s Peak)”. Graham stond lachend in een hoek met een paar andere bedevaartgangers te praten terwijl ik me op een plaatsje in zon en uit de wind nestelde om op te drogen en mijn adem te hervinden. Ik had het wel gehaald! En dat ondanks ik zou ziek was geweest vannacht. Ongeveer een uurtje heb ik op de top doorgebracht met bidden en rondkijken wat er zo allemaal rond ons heen gebeurde. Ik kreeg de zegening van de priester in de vorm van een gouden stip op mijn voorhoofd en dacht wat na over de zin van het bestaan. Het is een magische plek dat “Sri Pada (Adam’s Peak)”.
Alleen ging ik omhoog en alleen begon ik aan de afdaling. Graham zou me later wel inhalen en ik twijfelde daar geen moment aan. Omlaag was niet veel eenvoudiger dan de tocht omhoog. De knieën moesten de schokken van de ongeveer 8500 treden opvangen en bij elke stap naar beneden voelde ik de pijn in mijn schouder. Het was even doorbijten. Grote groepen kwamen mij tegemoet om de nacht op de top door te brengen. Zij zouden in alle vroegte afdalen na de zonopkomst te hebben aanschouwd. Nadat Graham zich bij mij had aangesloten veranderde het afdalen. Ons gesprek leidde de aandacht wat af en het lopen werd gemakkelijker.
Om half acht melden we ons bij het “Green House” voor het avondeten en dat was het einde van de dag. Een heerlijke combinatie van rijst en verschillende kerriegerechten , en dat voor de pakketprijs van 1430 Roepies voor slapen, avondeten en ontbijt. Ik wilde nu slapen. Voldaan zocht ik mijn bed op en viel meteen als een blok in slaap, trots op wat vandaag had gedaan. Het actieve gedeelte zit er nu op, morgen naar “Kandy” waar we aan het religieuze gedeelte beginnen. Welterusten.

zondag 24 februari 2008

Sri Lanka, naar het andere einde van de wereld

Haputale, 24/02/2008

Om kwart voor vijf strompelde ik door het donker, na een goede nacht slapen, naar de badkamer en probeerde zo snel als mogelijk gereed te zijn om naar buiten te gaan. Er was een nieuwe chauffeur gevonden en die was nog goedkoper ook, maar daar ging het me niet om. Er waren nu duidelijke afspraken gemaakt over de prijs en wat we zouden doen vandaag. Als alles naar wens ging dan hou hij zeker nog een fooi krijgen ook. Mijn ontbijtpakketje hing weer aan de deurklink en binnen tien minuten stond ik weer in de garage van het hotel op mijn vervoer te wachten.
Deze bus was wel verwarmd en in stilte gingen we op pad door de nacht naar “Lipton’s Seat”. Een andere berg waarvan ik al van had gehoord dat hij beter zou zijn dan “World’s End”. De reden voor de stilte was eenvoudig, de man sprak heel beperkt engels. Vijf uur in de ochtend had hem ook verrast als tijdstip voor de start van de dag. Natuurlijk was de reden voor dit vroege uur de zonsopkomst vanaf “Lipton’s Seat”. Afstanden zijn beperkt in Sri Lanka maar het wegennet door de bergen laat geen hoge snelheden toe, twintig kilometer per uur is al een goed gemiddelde.
Het was nog pikkedonker toen we bij “Lipton’s Seat “ aankwamen, in de verte vochten de eerste zonnestralen tegen het donker en we weten allemaal wie uiteindelijk zou winnen. Donker ging over in schemer en onthulde de laaghangende bewolking in de vallei. Een beetje pech dus! De zon kroop langzaam omhoog en de camera stond klaar om deze zonsopkomst te vereeuwigen in nullen en enen. Om de paar minuten schoot ik een foto en toen ik klaar was ging ik even rustig zitten genieten van het uitzicht. De zon warmde me op en ik bedacht dat het veel beter was dan gisteren.

De theefabriek was gepland als de volgend stop maar dat viel af omdat ik het tijdschema had veranderd. Normaal pikte de chauffeur je om zeven uur op maar de twee uur verschil maakte wel dat de theefabriek pas over anderhalf uur open ging.
Wachten was gekheid en dus gingen we meteen verder naar “Bandurawella”, mijn kleine ontbijtpakketje was al opgenomen in mijn spijsverteringskanaal en ik had door de kou alweer trek in wat te eten en een kop thee. In een klein moslim theehuis zocht ik wat brood uit en bestelde een kop thee zonder melk en met een beetje suiker. Dampend werd het vocht in een glazen pul zoals we kennen van de mosterd geserveerd. Met melk en véél suiker, en maar vriendelijk knikken als je het niet verstaat. Na de helft te hebben op gedronken kreeg ik het niet meer door mijn keel en liet de rest staan.
“Laten we maar verder gaan”, zei ik tegen de chauffeur.
Zijn hoofd zat met één bout vast en hij draaide met één hand een lamp in. M.a.w. ik ben het er mee eens ook al versta ik er geen moer van.
“Dowa Tempel?”, vroeg ik.
Zijn ogen begonnen te glimmen bij het horen van de woorden “Dowa Tempel”. Hij werd nu ook wat spraakzamer en ik moet mijn woorden terug nemen. Hij verstond het engels prima maar had angst om het te spreken. Hij sprak ook wat binnensmonds wat het voor mijn teruglopende gehoor een beetje moeilijker maakte.

De “Dowa tempel” is niet echt oud maar wel de moeite waard en bestaat uit een grottempel en een vier meter hoge Boeddha die in de bergwand is uitgehouwen. Bij aankomst was er een drukte vanjewelste, jongens en meisjes gekleed in smetteloos wit voerden een ritueel uit dat misschien wel eeuwenlang van generatie op generatie was overgeleverd. Sprakeloos stonden we samen op blote voeten te kijken wat er zou gaan gebeuren. Er werd gedanst en gezongen , een stoet kruiste dansend zigzag door de stilstaande rijen jongens en meisjes. De chauffeur was hiervan ook zichtbaar onder de indruk en ik wist haast zeker dat hij dit ook voor de eerste keer zag. Nadat we gebruikelijke ronde over het tempelcomplex hadden gemaakt was het tijd om alweer naar de laatste activiteit van de dag te gaan.

De schoonheid van het berglandschap in Sri Lanka is moeilijk te beschrijven en fotograferen lukt al helemaal niet, maar ik zal het toch zo goed mogelijk proberen. We reden over smalle bergwegen omringt door velden met theestruiken op hoge steile hellingen. Ruige pieken op de bergen met hier en daar het smaragdgroen onderbroken door kale rotsen. We waren nu op weg naar “Ella Gap”, een kloof tussen twee flinke bergen. Één van die pieken zouden we beklimmen. “Little Adam’s Peak” zoals de naam al doet geloven is een solitaire rots in een berglandschap van onbeschrijfelijke schoonheid. De wandeling naar de top is niet echt zwaar maar zeer de moeite waard. Op de top kijk je uit over de vallei waarin “Ella” zelf ligt en aan de andere kant ligt de diepte van een hoogvlakte die naar “Badulla” loopt. Recht tegenover ligt een andere bergtop,”Ella Rock “ met een veel zwaardere klim naar de top. Onder me vocht een felrode bus zich omhoog terwijl een witte bus wachtte op de rand van de afgrond, klein als “Dinky Toys”. Het was een schitterend uitzicht en het weer was me nog steeds goed gezind.
Na een half uur was het rijd om de terugweg aan te gaan. Het was zeker nog wel een kleine twee uur rijden voordat we terug zouden zijn in “Haputale”. Onder weg ging ik het gesprek aan met de chauffeur of we alsnog de theefabriek konden bezichtigen. Het was geen probleem maar hij moest wel helemaal terugrijden. Een extra dertig kilometer, voor duizend Roepies meer zou hij het kunnen doen. Dit was een eerlijk en open gesprek over een zakelijke transactie en ik wilde de theefabriek zien voordat ik verder zou gaan. Na vandaag was het berglandschap voorbij en zou ik aan een ander bedrijf beginnen van mijn reis door Sri Lanka.
“OK, vijfendertighonderd Roepies totaal voor de dag”, zei ik terwijl ik hem op de schouder klopte.
“OK, we go tea factory”, lachte hij luid terug.
De radio ging aan en met Srilankaanse popmuziek op de achtergrond waren we op weg naar de theefabriek. De chauffeur is kind aan huis bij de theefabriek en dat was goed te merken. Bij aankomst schreeuwde hij wat naar een medewerker van de fabriek die in de tuin aan het werk was. Hij liet meteen al zijn gereedschap vallen en kwam op een draf aangerend om de poort voor me te openen. De zware ketting gleed uit de grote stalen ogen en de deur ging piepend open.
De grote witte theefabriek van “Dambatenne” lag voor me.

De tuinman ging me voor en samen betraden we de fabriek waar de lichte verse theegeur het eerste was wat me opviel. Niet uitzonderlijk die geur in een theefabriek maar het was een frissere theegeur als van pas gemaaid gras. Een lange man met een grote snor zat in een kantoor waar ik naar binnen werd geleid en vanaf dit punt verdween de tuinman weer om zijn werk af te maken. Het was niet druk in de fabriek, beter gezegd, ik was de enige gast op dit tijdstip. Een paar korte opmerkingen werden in een groot indrukwekkend logboek geschreven en de manager van de fabriek was klaar om me rond te leiden. Wel eerst even tweehonderd Roepies aftellen want niets is voor niets in de wereld.
Als eerste gingen we naar de eerste verdieping van de fabriek. Het liep tegen het middaguur en de eerste vrachtwagens met pas geplukte theebladeren arriveerde bij het losstation. De zakken werden gelost en na het wegen doorgestuurd naar de droogbakken.

Warme lucht wordt vanonder door grove roosters door de bladeren geblazen. In de droogbakken verliezen de bladeren (en steeltjes) ongeveer 35% van hun vocht. Afhankelijk van het weer, zeg maar de externe vochtigheid van de bladeren, duurt dit proces tussen te twaalf en zestien uur. Één droogbak bevat 1500 kilo vers geplukte bladeren.

Nadat de bladeren voldoende zijn ingedroogd gaan ze via een gat in de vloer naar de maalmachines die met langzame horizontaal rondgaande bewegingen als molenstenen de vochtige bladeren klein maken. Op dit moment zien de , nog groene, theebladeren er uit als verse paardenmest. De doordringende geur van vochtige gemalen theebladeren verspreid zich van hier door de gehele fabriek.

De volgende stap is het snijproces, in vier stappen door wormsnijders met steeds kleiner wordende messen wordt het groene theemengsel tot een heel fijn bruin gruis. In deze wormen wordt door de warmte de thee geoxideerd en krijgt zijn unieke smaak.

De thee heeft nu zijn uiteindelijke structuur en gaat van hier naar de, door enorme door oliegestookte branders verwarmde, droogtunnels. De vochtige zachte bruine thee verlaat de computergestuurde tunnels als harde zwarte thee. De thee is nu klaar met het bereidingsproces en begint aan het sorteerproces.

In negen stappen van zeven en sorteren wordt de thee op zijn uiteindelijke kwaliteit gebracht. Acht verschillende kwaliteiten zijn er, uit de partij die door de vrachtwagens zijn aangeleverd, over. Van hele dure tot het kaf gemaakt uit de steeltjes. 375 kilo is er uiteindelijk overgebleven van de 1500 kilo die zijn reis in de droogbakken is begonnen.

Nu begint het belangrijkste gedeelte van het proces, het proeven en verpakken. De thee wordt verpakt in zakken van 65 kilo, een lot thee bevat 20 zakken en weegt 1300 kilo. Stalen van een kilo worden afgenomen en gaan naar Colombo voor de theeveiling. De rest is transport en mengen voordat het verkwikkende vocht ’s ochtends in ons kopje bij het ontbijt verschijnt.
Copyright/Disclaimer

Gratis eboek downloaden/lezen?