Posts tonen met het label Nepal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nepal. Alle posts tonen

donderdag 3 december 2009

Nepal, een verloren tempel

Kathmandu (Hotel Marshyangdi), donderdag 3 december 2009

Nog twee dagen te gaan in Nepal. Mijn hoest wordt alleen maar erger door de enorme hoeveelheid stof en andere producten uit de sterk vervuilde lucht van Kathmandu en het wordt elke avond kouder. Ik ben nog niet aan het einde van mijn lijstje van plaatsen die ik graag wil bezoeken. Ik weet ook dat ik niet aan het einde van de lijst zal komen en er is eigenlijk nog maar één plaats die ik wil gaan bezoeken.

De Swayambhunath tempel in Kathmandu had ik op de tweede dag in Nepal vanuit de bus gezien. Een druk op de knop van mijn GPS had de locatie van de ingang vastgelegd en ik had me voorgenomen om die tempel in de laatste week te gaan bezoeken.

Helaas had ik de zaak niet nader onderzocht! De tempel bleek meerdere ingangen te hebben de de ingang die ik op mijn GPS had vastgelegd was het verste van mijn hotel. Het gevolg was dat ik een prijs met de taxichauffeur afsprak die twee keer zo hoog was dan normaal. Achteraf vond ik dat het teveel betaalde een fooi was voor de rit naar Bakthapur die ik eerder deze week had afgezegd.

Achteraf gezien kan ik deze tempel niet eens aanbevelen. Het is veel van alles wat ik al eerder heb gezien. Het meest teleurstellende is echter de rommelmarkt met goedkope souvenirs die je op de top aantreft. Het is bijna onmogelijk om een fatsoenlijke foto te maken zonder dat de koopwaar er op staat. De stevige entreeprijs blijkt dan ook na de laatste tien treden weggegooid geld. Minder dan uur later sta ik weer onderaan de heuvel. Een Duits meisje vergezeld me te voet terug naar Thamel.
Onderweg steek ik een brug over die me voor het eerst confronteert met de stank die overal in India aanwezig moet zijn. Het rivierbed van de rivier, die in het droge seizoen is gereduceerd tot een stroompje, is één grote vuilnishoop! Wanneer het smeltwater van de Himalaya’s over een paar maanden weer langskomt zal al deze rotzooi langzaam naar India drijven. Ik bedenk me dat op dit gebied hier ook nog wel het één en ander veranderd kan worden.

Psychologisch gezien zit mijn reis er nu op. Vanmiddag een beetje lummelen. Vanavond een biefstukje met patat en een paar biertjes. Morgen nog pakken en een beetje rondhangen want zaterdag wordt een lange reisdag!

woensdag 2 december 2009

Nepal, een onverwachte rustdag

Kathmandu (Hotel Marshyangdi), woensdag 2 december 2009

Verlost van een duivel uit het verleden en met de warm broeiende ervaring van gisteren in mijn gedachten stond ik vanochtend op. Het wordt nu elke dag een beetje kouder en het lauw warme ontbijt koelt snel af op de ijskoude porseleinen borden. Desalniettemin laat ik me de hoop gebakken worstjes, yakkaas en hardgekookte eieren goed smaken. Ik weet me geen raad met mezelf vandaag!
Het internet in het hotel werkt nog steeds niet en ook de elektriciteitsonderbrekingen zijn nu heel normaal en ik moet het accepteren of ik wil of niet. Ik heb nog twee dagen en ik weet zeker dat ik nog wel een keer terug kom naar Kathmandu en Nepal. Vanuit mijn ooghoek zie ik de taxichauffeur buiten de poort staan. Helaas weet hij nog steeds niet dat ik niet naar Bhaktapur wil gaan en vandaag een extra rustdag heb ingelast. Terwijl ik naar buiten kijkend zit de dagdromen merkt hij mij wel op en zijn heftige gebaren met zijn zijn armen brengen mij terug naar de werkelijkheid. Verlegen en verontschuldigend zwaai ik terug terwijl hij demonstratief op zijn pols kijkt. Ik ben er niet zeker van dat hij daadwerkelijk een horloge om zijn pols heeft.
Vroeger of later moet ik hem het slechte nieuws toch brengen! Ik vraag of de serveerster een moment mijn MacBook in gaten wil houden en met lood in mijn schoenen loop ik naar buiten. Twee zielige ogen staren me aan als ik het slechte nieuws heb overgebracht.
“Nee, ook niet morgen of overmorgen op mijn laatste dag”, verzeker ik hem om hem voor een volgende teleurstelling te behoeden.
Met een slecht gevoel loop ik weer naar binnen en schuif aan de tafel waar ik mijn ontbijt heb genuttigd. Nog één koffie en ik ga weer naar boven. Ik ben een man met een missie en ik moet mijn verhaal kwijt! Eenmaal op mijn kamer werk ik hard aan het verhaal over de crematies van gisteren en wanneer ik negentig procent klaar ben drink ik mijn laatste slok koffie op en bereid me voor op de rest van de dag.

Bewapend met mijn camera en twee lenzen stap ik de opgewarmde en sterk vervuilde lucht van Kathmandu binnen. De taxichauffeur begint opnieuw aan mijn hoofd te zeuren en deze keer ben ik minder vriendelijk dan anderhalf uur eerder. Hij voelt op zijn beurt meteen aan dat hij een beetje te ver is gegaan en licht verontschuldigend druipt hij af. Ik voel me verlost en fris en onbevangen stap ik de wereld van Thamel binnen. Een nieuwe onbekende weg zal me weer naar het Kathmandu Durbar Square brengen.
Rustig en met een verhoogde aandacht zwerf ik door de smalle straten van Thamel. Nu de meeste zintuigen niet meer voor mijn veiligheidsgevoel worden gebruikt zie ik veel meer van het dagelijks leven in een derde wereld land dan voorheen. Deze mensen zijn dan misschien arm in de ogen van de westerlingen maar in mijn ogen lijken ze wel veel gelukkiger zonder al die consumptiegoederen. Werken om te overleven geeft je weinig tijd om te luieren en je te vervelen.

Onderweg passeert er een optocht die één of andere groente vereert. Het verkeer komt tot een complete stilstand en ik bekijk aandachtig wat er allemaal om me heen gebeurt. Je moet er tenslotte 100% zeker van zijn dat je niet in een politiek getinte situatie terecht bent gekomen. Want die kunnen in Kathmandu zomaar verkeerd aflopen.
Op hetzelfde terras als twee dagen geleden drink ik opnieuw een heerlijk kopje organische koffie. Sudderend in de vroege middagzon loop ik door de ervaringen van de afgelopen drie weken. Het waren mooie weken geweest ondanks de kleine problemen binnen de groep.

Ik heb nog twee dagen over in Nepal. Morgen ga ik nog een tempel bezoeken en vrijdag doe ik rustig aan.

dinsdag 1 december 2009

Nepal, twee indrukwekkende tempels

Kathmandu (Hotel Marshyangdi), dinsdag 1 december 2009

“Het leven is maar tijdelijk, en de dood is onvermijdelijk”, is een regel uit een liedje van het “Klein Orkest” uit 1983.

Zelf heb ik in het verleden niet al teveel met deze, in de ogen van de Christelijke wereld, duistere en treurige gebeurtenis te maken gehad maar mijn reizen door het verre oosten hebben mijn beeld over het vertrek en de reis naar het volgende leven, of het eeuwige leven, wel veranderd.
Boeddhistische crematies in Thailand, het reinigen van de beenderen van de voorouders op het kerkhof door de Chinezen en het opbaren en ritueel naar de bergen brengen door de Naxi in China zijn daar voorbeelden van.
Vandaag veranderde ik zonder enige aanwijsbare reden tijdens het ontbijt mijn plannen. In plaats van de oude stad van de koningen, “Bhaktapur”, wilde ik vandaag de “Pashupatinath Tempel” en de “Bodhnath Tempel” in Kathmandu bezoeken.
De wachtende taxichauffeur aan de poort van het hotel was duidelijk teleurgesteld nadat hij te horen kreeg zijn hoofdprijs van vandaag te zijn misgelopen. Maar nadat ik hem had uitgelegd dat we van de week toch nog wel naar “Bhaktapur” zouden gaan liep hij lachend weg. Hij accepteerde mijn aanbod niet voor de korte rit naar de “Pashupatinath Tempel”.
In de groep wachtende taxichauffeurs was er één die mijn aanbod accepteerde en even later wormde ik me voorin de kleine taxi. Tijdens de hectische taxirit in een Maruti Suzuki Alto door de ochtendspits van Kathmandu dacht ik aan de crematies die ik zou gaan aanschouwen. In een ver verleden had ik ‘s avonds naar de verhalen van Kris geluisterd over de brandstapels langs de rivier in Varanasi en over de lange schaduwen die de alles verslindende vlammen van het vuur worpen in de donkere nacht. Ik wist niet of mijn maag hier wel sterk genoeg voor was. Het ging tenslotte wel over mensen en niet over een barbecue van dieren! Nog voordat ik een antwoord op deze vraag had gevonden stopte de Hindoe taxichauffeur aan het begin van een lange stille weg die naar de tempel leidde.
De bekende braderie van souvenirs links en recht van de weg was al opgezet maar hier en daar werden de stalletjes onderbroken door een marktstal met meer serieuze religieuze attributen. Felgekleurde poeders en bloemenkransen van oranje afrikaantjes, een veelvoud van rood en oranje textiel, wierook en afbeeldingen van de Shiva en de Ganesh. Er heerste ook een disciplinaire stilte die meteen opviel na de wervelende rit met de taxi. Wijfelend schuifelde ik langzaam richting de goudkleurige koepels van de tempel in de verte.
De tempel zelf is verboden voor alle niet Hindoes, ik had ergens in een reisboek gelezen dat je hoog vanaf de andere oever van de rivier toch een goed zicht had wat er zo allemaal binnen de afgesloten muren van de tempel gebeurde. Ik kocht een toegangsbewijs voor vijf Euro en vanaf dat moment werd ik aangevallen door een horde verkopers. Allemaal rotzooi en gezeur! Zonnebril omlaag en met een streng gezicht zwijgend stil blijven staan! Klagend en scheldend verlieten ze één voor één de lange bebaarde blonde Nederlander.


Ik sloeg meteen links af door een laag poortje en belandde op een kleine binnenplaats bezaaid met mini stoepa’s, fallus symbolen en hun vrouwelijke tegenhangers. Er hing een dichte zware grijze rook in de lucht die de geur had van een slecht trekkende houtkachel. Er lag een één meter hoge muur tussen mij en de crematie plaatsen aan de rivier. Vechtend tegen de nieuwsgierigheid schoot ik eerst wat foto’s van de wereld in de rook. Eeuwenoude stoepas ingewreven met een regenboog van kleuren. Tempelbewoners die leefden van de doden lagen te slapen in de langzaam warmer wordende ochtendzon.
“De ene zijn dood is de ander zijn brood” is hier in al haar werkelijkheid te aanschouwen.
Wanneer ik eindelijk al mijn moed bijeen heb geraapt sluip ik naar de muur voor een eerste blik in deze wereld van een oosterse Breughel. Het eerste wat op mijn netvlies verschijnt is een houtstapel afgedekt met brandend stro. Een arm met een hand steekt uit de dansende vlammen als een arm van een prinses die een handkus van haar prins verwacht. In mijn hoofd breekt er een tweestrijd uit tussen omdraaien en wegwezen en mijn nieuwsgierigheid voor vreemde culturen. De laatste wint en zonder een foto te nemen kijk ik toe hoe een man in een wit gewaad de zwartgeblakerde arm met een bamboepaal terug in de vlammen steekt. Welkom in Nepal!
In mijn ooghoek zie ik een stoet mensen verschijnen met een rijk versierd lijk in hun midden. De werkelijkheid is misschien anders maar in mijn belevingswereld is het een lijk van een oude kleine man. Zijn voeten steken onderuit de oranje gewaden en terwijl de dragers de eerste rituele rondjes draaien boven de nieuwe vuurstapel schiet ik discreet mijn eerste foto’s. Het lijkt wordt ritueel gereinigd met het water uit de sterk vervuilde heilige rivier. Een zak rijst op de borst voor onderweg en één van de kaalgeschoren mannen krijgt een bosje aanmaakhout in zijn handen gedrukt met daarop een soort aanmaakblokjes voor de barbecue. Kleine gele vlammetjes spelen in de wind als hij opnieuw een rondje rond het lijk maakt. Een andere man beschermd de kleine vlammetjes met zijn handen tegen oneerbiedige wind. Terwijl één van de aanwezige vrouwen op een hoge toon huilt en klaagt bukt de kale man in het wit om het vuur te ontsteken. Eerst onder het hoofd, dan onder de voeten. Terwijl de vlammen vechten om de opgestapelde houtblokken en het aanmaakhout nemen de vrienden en familie voor de laatste keer afscheid. Zonder om te kijken verlaat de rouwende stoet de vuurplaats.

De ceremoniemeester gekleed in een wit gewaad neemt nu de taak van het gezinslid over als eerste stoker. Geconcentreerd zorgt hij dat vlammen gelijkmatig verdeeld het door de geest verlaten lichaam verteren. Een bosje hout hier, een beetje stro daar en vooral ervoor zorgen dat er geen ledematen uit het vuur vallen. Zeven brandplaatsen die vierentwintig uur per dag en driehonderdvijfenzestig dagen per jaar in bedrijf zijn. Twee brandplaatsen verderop heeft het vuur gewonnen en worden de smeulende resten, zonder enige twijfel van de man in het witte gewaad, in de rivier geschoven om te doven. Ik ben minder dan een half uur bovenop de muur geweest maar het is zeker één van mijn meest intense ervaringen tijdens mijn reizen in Azië.

Gefascineerd door wat ik net heb gezien loop in over een oude stenen brug naar de overkant van de rivier om even te gaan zitten en na te denken over wat ik net allemaal heb gezien. Veel tijd om na te denken heb ik niet want aan de andere kant van de brug aan dezelfde oever worden de lijken voorbereid voor hun laatste reis. Handen vol met water verdwijnen in de mond van de in het oranje gewikkelde overledene. Zijn of haar voeten zijn ondergedompeld in het heilige water van de rivier.

Een groep luide Duitse toeristen zonder enig respect lopen achter mij langs en bespreken hun plannen voor de lunch. Het is een groot voordeel wanneer je verschillende talen spreekt!
Voor de tweede keer ontsnap ik aan het onwerkelijke ritueel. Ik heb voor nu genoeg gezien. Een groep oude Baba’s met hun in rood en geel geverfde gezichten zeuren of ik een foto wil nemen. Sorry, maar nu niet meer want ik heb geen zin om ruzie met jullie te maken over een Euro of twee.

Opnieuw gaat mijn interesse uit naar de rituelen van de crematie. Nu zit ik op de oever aan de overkant van de rivier en zie hoe de rook van vier brandplaatsen langzaam opstijgt. Opnieuw verschijnt er een familie met een door de ziel verlaten lichaam. Verder weg betekend minder betrokken, maar zeker niet minder intens. Een kwartier lijkt wel een uur! Ik probeer zoveel mogelijk indrukken in me op te nemen.


Voor de tweede keer op de brug aanschouw ik een beeld dat voor altijd op mijn netvlies zal blijven staan. Er valt een onderbeen met een onaangetaste voet uit het vuur. Nog voordat de man in het witte gewaad het kan oprapen valt ook het andere onderbeen naast de vuurstapel. Zonder enig gevoel raapt hij beide onderbenen op en vertrouwd ze opnieuw aan het alles verterende vuur toe.

In een microseconde beslis ik dat het genoeg is geweest en ik ga half gehypnotiseerd op pad naar de volgende tempel. Een klim over een heuvel voel ik niet eens, mijn hersenen draaien nog op volle toeren om alles te verwerken wat ik hier in ruim anderhalf uur heb gezien. Ik ben op weg naar de “Bodhnath Tempel” een paar kilometer verderop.
Onderweg vecht ik opnieuw met een monster uit het verleden. Aangesterkt door mijn ervaringen van deze ochtend loop ik alleen door de verlaten smalle straten van Kathmandu. Er is na de ervaring van vandaag iets van me afgevallen en ik voel me lang niet zo onbehagelijk dan eerst. Ik wil niet zeggen dat het al honderd procent is maar ik voel me een stuk zekerder dan een paar maanden geleden. Het was gewoon het lot dat me trof! De kans dat het opnieuw gebeurt is heel erg klein.
Onderweg aanschouw ik het dagelijkse leven in een miljoenenstad in een derde wereld land. Vrouwen in vuile jurken leggen tweedehands dakpannen op een huis dat in Nederland rijp voor de sloop zou zijn. Meerdere barbiers op zoek naar meer werk bieden me aan om mijn baard van bijna drie weken af te scheren. Desondanks dat ik benieuwd ben naar de prijs sla ik de aanbiedingen toch maar af. Een vrouw, waarvan ik de leeftijd onmogelijk kan raden, zit met enkele vriendinnen langs te weg te praten terwijl ze wol spint op een kleine mobiel spinnenwiel. Ik geniet met volle teugen en loop het laatste gedeelte met twee kinderen mee die me in verbazend goed engels hun dromen toevertrouwen. De ene wil graag voor Manchester United voetballen en de andere wil de nummer één golf in de wereld worden wanneer Tiger Woods zijn carrière beëindigd. Kinderen zijn overal in de wereld hetzelfde, ze worden pas later verpest door het kapitalisme en de dwang om te consumeren.


Bij de poort naar één van de grootste Boeddhistische stoepas in de wereld aangekomen bekruipt me het gevoel van een valse vooruitgang. De commercie heeft hier gewonnen en een flink deel van de maagdelijke schoonheid weggenomen. De rij huizen langs het plein waarop de stoepa ligt zijn veranderd in hotels, cafés, restaurants en souvenirwinkels. Slecht enkele hebben hun eeuwenoude bestemming kunnen behouden. Een klein klooster met een enorm gebedswiel en een rijk versierd gebouw dat als doel heeft geld in te zamelen voor de vrijheidsstrijd van Tibet. De hoop leeft nog vol op maar het gezonde verstand zegt toch wel dat na vijftig jaar Chinese bezetting de kans op onafhankelijkheid tot bijna nul is gedaald. Er zijn te weinig echte Tibetanen om de strijd met de tijger uit het middenland aan te gaan.

Ik laat me de pizza op één van de dakterrassen met een uitzicht op de Bodhnath goed smaken. De beelden op mijn netvlies van deze ochtend hebben de trek in ieder geval niet weggenomen maar mijn beleving over het leven en de dood wel aardig verschoven. Mocht het noodlot mij treffen waar ook op de wereld dan is dat ook voor mij de oplossing! Gewoon op een stapel hout en de vlam eronder.
“Dat is brandhout, goedenavond!”


Het is nog vroeg in de middag maar ik sta te popelen om terug naar mijn hotel te gaan om de foto’s te bekijken en mijn verhaal op papier te zetten. Dit moet, met grote zekerheid, de meest intense dag van mijn verblijf in Nepal zijn. Ik heb nog drie dagen over maar ik kan moeilijk geloven dat één van deze dagen vandaag kan overtreffen.
Met het nieuws van CNN op de achtergrond bekijk, bewerk en label ik mijn foto’s. Het schrijven van het verhaal wordt voor twee uur onderbroken voor een Steak met BBQ saus en patat. De elektriciteit is voor twee uur beperkt en de meeste hotels draaien op aggregaten. Net voor negen uur ben ik weer terug op mijn kamer en precies op tijd wordt de elektriciteit weer ingeschakeld en schiet de TV weer aan.
Met mijn verhaal voor zestig procent klaar en de beelden van vanochtend nog steeds op mijn netvlies schakel ik om tien uur het licht uit. Warm van binnen en met een voldaan gevoel denk ik aan wat ik vandaag weer allemaal heb mogen zien en meemaken.
“Dit is de reden waarvoor ik het doe en waarvoor ik onderweg ben!”

Welterusten, morgen is het weer een mooie dag in Kathmandu, Nepal.

maandag 30 november 2009

Nepal, op weg naar het “Durbar Square”

Kathmandu (Hotel Marshyangdi), maandag 30 november 2009

Vandaag was mijn eerste echte dag in Kathmandu. Ik moet eerlijk zijn om te zeggen dat ik me niet op mijn gemak voel wanneer ik alleen op stap ga in de donkere straten en smalle steegjes van Kathmandu. Ik probeer mezelf steeds ervan te overtuigen dat dit niet Marokko is en dat de mensen anders zijn. Toch speelt de overval van ruim een jaar geleden nog in mijn onderbewustzijn. Het slijt wel weg maar het gaat heel langzaam.
Vandaag ging ik dus alleen op stap naar het “Durbar plein van Kathmandu”. Het hart van het oude centrum waar eeuwen geleden koningen werden gekroond en wetten werden geschreven. Nu zijn er nog een dozijn tempels over en de onderdanen hebben plaatsgemaakt voor een groep mensen die niet in een dierentuin zouden misstaan. Het gehalte van rasta krullen is hier hoger dan op Jamaica. Westerse mannen in felgekleurde gewaden met rode gelakte teennagels. Ik heb het idee dat de hippies en bloemenkinderen vanuit India naar Nepal zijn getrokken.
Onderweg wordt je horendol van het onafgebroken getoeter van de brommers kleine taxi’s die langzaam door de horden voetgangers navigeren. Het lijkt wel of niemand aandacht schenkt aan de voertuigen en het leven kabbelt langzaam voort in deze eeuwenoude stad. Nog voordat ik op mijn bestemming ben aangekomen probeer ik zoveel mogelijk van deze unieke wereld in me op te nemen. De camera klikt onafgebroken en ik realiseer me dat ik in vijf weken de vijftienhonderd foto’s al gepasseerd ben. Het is een onmogelijke opgave om te beschrijven wat ik allemaal zie, ik laat de foto’s daarom maar het werk doen.

Aan de rand van het plein wordt ik meteen aangesproken door een Baba, een religieus figuur die de gelovigen zegent. ik moet een foto van hem maken en hij vraagt meteen daarna voor een bedrag dat bijna gelijk staat aan een dagloon. Er zullen er best wel zijn die het meteen betalen maar ik geef hem tien procent wat hij vraagt. Met een zuur gezicht herhaald hij zijn prijs en ik steek hem het briefje van twintig Roepie toe. Afkeurend schud hij zijn hoofd.
“Twintig of niets”, herhaal ik in het Engels.
Hij grist het rode bankbiljet uit mijn hand voordat ik me bedenk en het terug in mijn zak steek.
“Thank you”, lacht hij me toe en loopt met een kleine emmer in zijn hand weg.
Het ritueel is niet onopgemerkt gebleven en niet veel later wordt ik belaagd door een groep andere Baba’s.

Een wel heel standvastige verkoper die me blijft volgen en vanachter mijn rug maar blijft zeuren krijgt absoluut niet mijn aandacht! Wanneer ik hem na enkele minuten echt zat ben kijk ik kwaad over mijn schouder en recht in het gezicht van een grote besnorde man in een militair uniform.
“Hello, Hello Sir, Hello, Hello Sir, You have ticket?”, herhaalt hij voor de zoveelste maal.
“Eh, no”, antwoord ik op een verontschuldigende toon.
Gelukkig lacht hij me vrolijk toe en ik volg hem naar het geïmproviseerde huisje van golfplaten waar de toegangskaartjes voor het plein worden verkocht. Waarschijnlijk gaat de opbrengst meteen naar het Maoïstische leger of de regering maar je ontkomt er nu eenmaal niet aan om entree te betalen. Hij neemt mijn driehonderd Roepies aan en verteld me meteen dat ik aan de andere kant van het plein het kaartje voor vandaag kan omruilen voor een kaartje dat drie dagen geldig is. Ik weet nog niet of ik hier nog een keer naar toe ga maar ik neem het zekere toch maar voor het onzekere en ruil mijn kaartje om. Er heerst een efficiëntie die ik niet verwacht aan deze kant van de wereld. Drie dagen langer kan ik me in deze surrealistische wereld begeven zonder in de problemen te geraken.

Ergens onderweg op het plein wordt ik aangesproken door een wat zweverige Amerikaan. Mijn camera had hem aangetrokken en hij is een beroepsfotograaf uit Minnesota. Hij was op een missie want hij wilde zijn foto’s aan de Lonely Planet verkopen. Wat me het eerste opviel was dat hij aan de zuinige kant van het reizen zat. Hij was er trots op dat hij geen entree voor het plein had hoeven te betalen en vol passie vertelde hij me over andere sluiproutes voor bezienswaardigheden in Kathmandu. Een kopje kruidenthee van € 0,35 kon er ook maar met moeite vanaf. Voor een moment dacht ik aan de tijd dat ik zelf met een klein budget onderweg was. We letten wel goed op wat we uitgaven maar we waren nooit echt zuinig. En op voedsel en een flesje bier werd er nooit geld bespaard, of niet Kris? Nadat hij zijn collectie van goedkope gekopieerde DVD’s op zijn MacBook Pro had laten zien ging hij er plotseling vandoor met een, “See you later!”
Typisch Amerikaans zal ik maar zeggen, ik geloof niet dat ik hem tijdens mijn verblijf nog zal zien. Voor mijzelf stond er nog een lange wandeling terug naar mijn hotel op het programma. Een wandeling via een omweg met een kop warme soep aan het einde. Het is echt wennen aan dit koele weer, zelfs na ruim twee weken hunker ik nog steeds naar de klamme warmte van de tropen.

Voor mij zit de dag er alweer vroeg op en ik trek me terug op mijn kamer. Lekker uitrusten en warme thee drinken. Vanavond ga ik nog lekker eten bij de “Rum Doodle” samen met Hans en Francien. Zij hebben nog een dag hier voordat ze weer verder gaan op de fiets.
“En bergpas van ruim 2500 meter hebben we nog voor de boeg”, zegt Francien met een brede glimlach.
Misschien moet ik het toch ook maar eens proberen? Zo met de fiets op pad.
Copyright/Disclaimer