donderdag 12 juli 2007

Sarawak, Miri een drama

Miri, 12/07/2007

Het was weer om zeven uur op zoals gewoonlijk, maar deze keer bleven we lekker lang liggen. Na een goede nacht slaap wilden wij de toch de verrassing van het ontbijt, inclusief, niet missen. Er was om half tien niet veel meer over maar gelukkig werd het meteen weer aangevuld toen wij in de “coffie room” arriveerden. Roereieren en gebakken knakworstjes, van kip natuurlijk. Hier is alles halal, zelfs in de Chinese hotels.
Het smaakte mij niet slecht maar Tettje had iets meer moeite met het ontbijt. De melk zat verstopt in een theepot en het vruchtensap smaakte naar echt slechte aanmaaklimonade. Maar ja, wat kan je verwachten voor die prijs (RM 100)? De LP was bestudeerd en er stond bar weinig op het programma. Er zou een petroleum museum worden bezocht en een, de zoveelste, Chinese tempel. Natuurlijk zouden we eerst weer de lokale markt bezoeken. We moesten ook even op pad om te weten te komen hoe we in het “Batu Niah NP” konden komen.
Daar gingen we dan, het was al na half elf en dat was laat voor ons. We slenterden langzaam door Miri. Het was allemaal eentonig, Maleisië is nu eenmaal een land met erg weinig oude gebouwen of bezienswaardigheden. Hier in Sabah/Sarawak is het natuurschoon de grootste bezienswaardigheid. Voordat we op de markt belanden vroeg ik eerst in een reisbureau wat een trip naar de grotten moest kosten. Het antwoord was een complete verrassing. Voor de voordeelprijs van RM 280 per persoon. Dat bracht een uitdrukking van ongeloof en een brede glimlach op mijn gezicht. De verkoper zag meteen dat hij mis zat. De opmerking dat wij wegens de enorme drukte wel voor RM 250 per persoon konden bracht een nog bredere glimlach op mijn gezicht. Als wij het zelf zouden ondernemen kwamen we ten hoogste uit op RM 50 per persoon. Laat maar, ik had mijn buik alweer vol van die toeristenvallen voor vandaag.
We slenterden wat over de markt en keken naar de kleine visjes die overal op grote hopen lagen. “Hier wordt erg weinig teruggegooid”, zei ik nog tegen Tettje. Om de hoek achter de kramen was het interessanter! We zagen een grote groep mannen dicht opeengepakt om een tafel staan. We slopen langzaam dichterbij om te kijken wat er aan de hand was. Ze waren aan het gokken! Er lag een enorm bedrag aan papiergeld op een lap stof die verdeeld was in zes vlakken. In die vlakken stonden afbeeldingen van een tijger, kip, hert, krab, vis en een garnaal. Het was mij een beetje onduidelijk wat de bedoeling was. Verschillende handen verplaatsten of namen geld weg. Anderen legden weer geld erbij en er werd elke keer met een paar vingers op een omgekeerd metalen schaaltje op de tafel getikt. Toen het schaaltje werd opgetild begreep wat er aan de hand was. Van onder het schaaltje verschenen drie dobbelstenen met dezelfde symbolen als op de lap stof. De verliezers werden van de lap stof genomen en de winnaars werden uitbetaald. Geen foto’s, want gokken is hier ten strengste verboden.
Het petroleum museum bevond zich boven op een heuvel en dat zou een stevige wandeling zijn, grapje. Een beetje vals plat bedoel ik. Op de heuvel, “Canada Hill”, zou zich ook de eerste oliebron van Maleisië bevinden. Die bron wordt ook wel de “Grand Old Lady” genoemd. Het moderne gebouw waarin het museum is gevestigd stak schril af tegen de andere gebouwen in Miri. Miri was ook de minst vriendelijke stad in Sarawak tot nu toe. Hier waren ook de grootste plannen van het gemeentebestuur zichtbaar. Helaas was al erg snel het verval al ingezet en de kleine restaurants al gesloten. Het zou best wel een leuk punt kunnen zijn s’avonds als er een lichte verkoelende bries waait. Het museum was van binnen koel en dat werd door ons na de klimming als zeer aangenaam ervaren. De expositie was een uiting van reclame naar de Koninklijke Shell en de heilige olie. De inkomstenbron die Maleisië heel goed uitkomt, de staat Sarawak krijgt maar een klein gedeelte van de opbrengst. Het enige dat te pruimen was stond in een kleine zaal achter de informatiebalie. Een expositie over kunstmatige schoonheid in verschillende culturen. Van het voetbinden uit China tot de tatoeages uit Borneo zelf. Een beetje lip en oorlel oprekken als toetje met leuke foto’s over deze onderwerpen. Binnen drie kwartier stonden we weer buiten, elkaar begrijpend aankijkend op een lege parkeerplaats.
De Chinese tempel was het laatste wat we zouden (be)zoeken. Ik wist namelijk niet precies waar hij stond en een onduidelijke aanwijzing was onze enige houwvast. We zijn er nooit gekomen! Er hing regen in de lucht en er waren grote problemen in mijn buik. Met haast werd halverwege rechtomkeer gemaakt maar het was al te laat. Een benzinestation zou redding moeten brengen maar wat daar in het toilet gebeurde hoort niet op een weblog thuis. Gehavend kwamen we uiteindelijk met een taxi terug in het hotel. Ik was er zo slecht aan toe dat ik de hotelkamer die middag niet meer verlaten. Ondertussen was het ook nog gaan regenen en dat veroorzaakte dat de moraal tot onder het minpunt zakte.
Bij de receptie had ik al geïnformeerd wat een taxi naar het park zou kosten. Ongeveer RM 200 was het antwoord, wij waren nu al zover dat we een gemakkelijke dag wilden. Bestel er maar één en dan horen we het wel. Om half negen bij de ingang graag? Ik was helemaal leeg toen we gingen eten en een biertje drinken. We dronken iets te veel want het was te gezellig en Ryan was ook weer verschenen. Morgen dus met de taxi naar de grotten.

woensdag 11 juli 2007

Sarawak, een lange zit naar Miri

Miri, 11/07/2007

Het was onvermijdelijk dus klagen had geen zin. We moesten terug over de rivier zoals we waren gekomen. Zes uur stonden we naast het bed en een kwartier later wekten we de nachtwacht van het hotel die op de bank in de receptie lag te slapen. Slaapdronken opende hij de deur zodat we wat konden gaan eten. De twee toast met “butter and jam” vielen nu niet zo goed. Het was te zoet en dat kan ik nu eenmaal moeilijk weg krijgen als ik net wakker ben. Ik doopte met wanhoop mijn eerste helft van de toast nu maar in de sterke koffie om wat van de smaak weg te nemen. Het werd iets beter maar het bleef maar bij één helft. Met de mogelijkheid van een laatste toiletstop opengelaten hadden wij de rugzakken nog in de kamer laten staan. Eenmaal op weg was de mogelijkheid voor een normaal toilet voorgoed verkeken.
Er hing een dichte mist over de jungle toen we bij de aanlegsteiger arriveerden. De eerste boot naar Sibu zou over een kwartier vertrekken, we zochten opnieuw een plaatsje boven op de boot. De romp was nat, de combinatie van de airconditioning binnen en de vochtige warme lucht buiten. Het bekende ritueel van het blazen van de toeters en even later waren we op weg. Het was koud boven op de boot, maar het was waarschijnlijk nog kouder binnen in. We verplaatsten ons bij de eerste stop naar een plaats waar we iets minder wind zouden vangen, het verschil in temperatuur was minimaal. De lucht veranderde van een even staalgrijs naar grijs met gaten van blauw. Waar de zon eindelijk door de wolken kwam werden we beetje bij beetje opgewarmd. Het was niet aangenaam maar het moest gewoon gebeuren. We spraken ook niet veel met elkaar. Het was gewoon uitzitten.
Na ruim twee uur kwam Sibu in zicht en wij waren blij dat we mooi op tijd in de stad waren. We liepen de bootterminal uit op weg naar een bus die ons naar het express busstation zou brengen. Een behulpzame man plaatste ons op een bank en zei dat we op bus 21 moesten wachten. Mijn GPS vertoonde ondertussen geen kaarten meer, ik vroeg mij af wat er gebeurd zou kunnen zijn. Het belangrijkste was dat mijn reserve geheugenkaart wel werkte. We zaten nu al 25 minuten te wachten en ik begon nerveus te worden. Het was al over tien uur en er was nog geen bus. Met de minuut werd ik nerveuzer en ik vond dat het tijd werd om nog maar eens rond te vragen. Elk dorp heeft er één zeg ik altijd, een dorpsgek. Maar het klopte, wachten op bus 21 en die zou hier verschijnen. Om iets over half elf werd ik verlost van mijn twijfels. Het bleek dat we de vorige bus op een paar minuten na hadden gemist. Dat was jammer.
In het express busstation hadden we wat meer geluk. De bus zou binnen een kwartier vertrekken naar Miri. Ik had nog met het idee gespeeld om een nacht in Bintulu te blijven maar na alles te hebben te overwogen was Miri toch de beste bestemming. Stoel 19 en 20 was er op de kaartjes gedrukt en ik had al een voorgevoel dat deze bus niet vol zou vertrekken. Misschien zou hij onderweg nog meer passagiers oppikken maar voor nu was het leeg achter ons. Ik vroeg Tettje om naar de twee lege stoelen naast ons te verhuizen. Daar zaten we dan, twee stoelen per persoon en genoeg ruimte voor onszelf en onze rugzakken. We waren op weg naar Miri.
De reis was eentonig, jungle, heuvels en palmolieplantages. De tijd kroop langzaam vooruit en elke keer als ik op mijn GPS keek zag ik dat er wat kilometers van het totaal waren afgeknaagd. Af en toe stopte de bus voor een korte pauze en ik kocht steeds wat te drinken en te eten voor ons. Tettje begon nu ook de gestoomde broodjes lekker te vinden en wij lieten die ons dan ook goed smaken.
Tijdens de laatste stop, ruim honderd kilometer voor Miri, pikte de bus de laaste passagiers op. Twee jongens die in Groningen studeerden gingen voor ons zitten en het gesprek versnelde de reis aanzienlijk. We wisselden wat tips uit over Thailand en de “Batu Niah”, grotten die de jongens die dag hadden bezocht. Bij aankomst in Miri bleek weer eens hoe ver die verdomde busstations buiten de stad liggen. Je moet gewoon een taxi nemen om in de stad te komen. De laatste taxi was gekaapt door de Hollanders terwijl wij in het toilet waren. Een jonge “snorder” bracht ons naar het “Pacific Oriënt Hotel”. Onze eerste keuze uit de LP. En dit hotel had wel heel slecht moeten zijn hadden we hier nog weggelopen. We waren tenslotte bijna dertien uur onderweg geweest vandaag.
Waar we nu zin in hadden was een warme maaltijd en een koude fles bier. Op nog geen vijftig meter afstand van de deur van het hotel was een chinees restaurant. Twee bami goreng met gebakken groente en citroenkip. Met twee lauwe flessen Tsingtao bier, maar dat kon me geen moer schelen. We aten en dronken en spraken wat met Ryan, een rauwe Australiër die ook een beetje aan het rondreizen was. Maar wel op een andere manier, met een huurauto namelijk. We waren vol en moe, slapen zou geen probleem zijn en dan morgen eens kijken wat Miri te bieden heeft.

dinsdag 10 juli 2007

Sarawak, geen water en geen longhouse

Kapit, 10/07/2007

We waren dus om zeven uur scherp uit bed zoals afgesproken. Na een droge avond ben je natuurlijk heerlijk fris en scherp. Ik had zelf een goed gevoel en ik dacht dat de we echt naar een longhouse zouden gaan aan het einde van de middag.
Binnen twintig minuten verlieten wij de kamer en liepen langzaam de ongelukkig gevormde trap af. De gids was niet aanwezig. Dat kon gebeuren en misschien zou hij er wel zijn als wij terug kwamen van de markt. Tegenover het hotel was de beste plaats voor een ontbijt volgens de LP. Het was inderdaad wel een verrassing. De twee boterhammen met butter en jam werden door de ober geroosterd en besmeerd naar zijn idee. Op een schoteltje werden ze netjes doormidden gesneden geserveerd. Samen met de twee koffie in van die grote mosterdpullen, ik herinner mij die uit mijn jeugd. Het smaakte niet slecht maar het smaakte niet naar meer.
Een half uurtje later gingen we richting de lokale markt op zoek naar de lokale bevolking die hier zijn handel komt verkopen. Maar wat eerst belangrijker was dat we wisten hoe we in Belaga konden komen. We liepen dus eerst naar de aanlegsteiger vanwaar de boten vertrokken naar de bestemmingen meer stroomopwaarts. Het was er erg druk en er stonden dikke rijen mensen met manden vol om aan boort van de boten te gaan. Heerlijk Maleisië, waar veel mensen goed Engels spreken. Het antwoord op mijn vragen was minder leuk. Ik raakte in gesprek met een kleine getatoeëerde man die mijn vragen allemaal wist te beantwoorden. De veerboten naar Belaga waren vier dagen geleden gestaakt wegens een tekort aan water, de stroomversnellingen konden niet meer worden genomen. Ook de kleinere speedboten namen geen risico meer. Daar stonden we dan, de plannen moesten opnieuw worden gewijzigd.
Laten we maar naar de markt gaan. Daar was het dus erg druk maar van de vele bezoekers was de groep van de Maleisische bevolking het grootst. Er was weinig van de longhouse volkeren te zien. We liepen wat rond en zochten naar wat nieuws, dat was dun gezaaid. Een verkoper van vis stond een grote meerval schoon te maken en wat opviel was de grote hoop hard vet dat hij uit de buikholte van de vis schraapte. Dat was nieuw en dat moest dan ook onderzocht worden. Het vet scheen normaal te zijn en ook veel toepassingen te hebben. Van braadvet tot en met aas voor andere vissen, het is maar dat je het weet. Het was net na half tien en we waren al bijna klaar voor de dag. We keken elkaar aan en dachten hetzelfde. Lekker even terug naar de kamer in de koele airconditioning. Het werd al aardig warm. De gids was nog steeds niet te vinden. Ik begon nu de eerste twijfels te krijgen. Zouden we nog longhouses te zien krijgen?
Anderhalf uur later toen we weer de trap af kwamen zat de gids, Joshua, in de receptie van het hotel. Een zachte “goodmorning” was zijn begroeting en daar bleef het bij. Hij reageerde niet eens op de dagtocht die we hadden besproken en dat was dus het einde van de mogelijke dagtocht naar de longhouses. Het was niet eens elf uur en onze doelen waren als luchtbellen uit elkaar gespat. Laten we eerst maar het “Fort Sylvia” gaan bezoeken en dan onze nieuwe plannen gaan bespreken.
Het fort bleek eigenlijk best wel de moeite waard, het herbergt een klein museum gewijd aan “Tun Jugah”. Een strijder van de Iban stam die veel heeft betekend voor de lokale bevolking en Sarawak in het algemeen. De medewerkers/vrijwilligers spreken dan ook niets als goeds over hem. Bij terugkomst in het hotel was Joshua verdwenen en daarmee ook mijn hoop voor een bootreis naar een longhouse. Dat was het dan voor vandaag.
Na twee uurtjes rust in de verkoelende kamer gingen we nog één keer op pad om het rondje opnieuw te lopen, maar nu in omgekeerde volgorde. Tettje kreeg er nu ook meer zin in en wilde ook wel fit worden. Hij had nog steeds geen sigaret aangeraakt. De twee uurtjes heuvel op en heuvel af matte ons flink af. We aten al vroeg een paar sateetjes en dat was het voor de dag. Morgen gaan we gewoon weer terug naar Sibu en proberen in één ruk naar Miri te gaan. Dus dat wordt weer om zes uur op!

maandag 9 juli 2007

Sarawak, naar het hart van de jungle

Kapit, 09/07/2007

Nu we het nieuwe plan hadden gemaakt stonden we s’morgens klaar voor onze eerste bootreis. We gingen de “Batang Rajang” rivier op tot “Kapit”.
Ik had het idee dat dit wel eens het laatste normale ontbijt zou kunnen zijn voor de week en ik liet het mij extra goed smaken. Terwijl de tafel werd gedekt en de eerste drankjes werden geserveerd logde ik snel in om mijn laatste verhaal naar de weblog op te laden. Inclusief de foto’s. Deze kleine handeling neemt normaal gesproken toch nog wel een minuut of vijftien in beslag. Het is maar dat jullie het weten!
Onze darmen waren rustig en met een goed gevoel verlieten wij het hotel. Geen idee met welke boot en om hoe laat we zouden vertrekken. Het was eenvoudig genoeg, er is geen competitie dus neem je gewoon de eerstvolgende die vertrekt. In ons geval de boot van kwart voor tien. Nadrukkelijk vroeg ik of we boven op de boot mochten zitten. Het zijn namelijk van die gesloten stalen pijpen met een dicht bij het vriespunt opererende airconditioning. Enkele boten hebben ook niet van die relingen langs de bovenkant van de boot en dan glijd je er zo van af.
Onze boot was perfect en de bemanning adviseerde ons zelfs waar we het beste konden gaan zitten. Ruim twintig minuten voor vertrek hadden wij onze plaatsen al ingenomen. De bemanning lachend naar ons twee bovenop de boot. Die rare buitenlanders! Het zat wel erg hard maar we hadden goede plaatsen om het leven langs de rivier te bekijken en te fotograferen. Vlak voor het vertrek kondigde een oorverdovende toeter het op handen zijnde vertrek aan. Om de halve minuut werd de toeter tot leven gewekt voor een serie van korte stoten die de passagiers er op attent maakte dat de boot snel zou vertrekken. De loopplanken en aluminium trappen werden los gemaakt en daar gingen we voor de tweeëneenhalf uur durende tocht naar Kapit.
Nog geen twee minuten onderweg wisten we al dat we twee keuzes hadden. De pet op, en zeker verliezen, of de pet in de broekzak. Tettje koos voor de eerste en ik voor de tweede. Tettje verzon een constructie met een touw om zijn arm en door de opening van de pet aan de achterkant en die leek goed te werken. De GPS gaf aan dat we ruim vijftig kilometer per uur over de bruine rivier raasden. Een frisse bries door de haren.
Naargelang er meer tijd verstreek werd de rivier smaller en de bebouwing op de oevers minder. We waren nu echt in de jungle. Het is zeer moeilijk om te beschrijven wat we allemaal hebben gezien tijdens onze tocht. Halfnaakte vissers in kleine gammele bootjes en afgelegen kleine veldjes met groenten er op geplant. Een dichte groene ondoordringbare jungle afgelost door kampementen waar houthakkers leven en de boomstammen hoog opgestapeld liggen. Klaar om vervoerd te worden naar de houtzagerijen in Sibu en omgeving.
We waren erg nieuwsgierig naar wat ons te wachten stond in “Kapit”, een hoge mast van “Telecom Malaysia” die van ver al te zien was kondigde de stad aan. Op het eerste gezicht was het minder romantisch en ouderwets als ik verwacht had. We zagen een moderne stad met enorme glazen gebouwen en twee grote benzinestations annex supermarkten bij de aanlegsteigers. Het was anders dan we verwacht hadden maar het zou toch wel leuk worden. Het gehele centrum is kleiner dan dat van Zaltbommel dus we zouden niet verdwalen.
In het eerste de beste café dat we zagen wilden we eerst wat drinken en ik moest ook nog even kijken wat de LP schreef over de hotels. Normaal doe ik dat voordat we arriveren in een plaats maar met vijftig kilometer per uur boven op een boot is dat een beetje moeilijk. De ijsthee, RM 0,50, was nog niet geserveerd of de eerste gids nam al een strategische plaats in naast onze tafel.
In goed Engels begon hij een heel verhaal over longhouses en echte schedels. Oude en nieuwe longhouses, al dan niet met de boot of minibus te bezoeken. Over dagtochten en meerdaagse trips tot bijna in het Indonesische gedeelte van Borneo. Tijdens al zijn verhalen nodigde ik hem uit om aan tafel te komen zitten en nog wat meer te vertellen wat hij voor ons kon doen. Het viel mij meteen op dat hij altijd bedragen en tijden ontweek of onthield in zijn verhalen. Ik schoot de kogel door de kerk en vroeg hem recht op de man af, “en wat moet dat dan allemaal gaan kosten”? Met een glimlach van een smokkelaar en de koppen dichterbij elkaar alsof hij een groot geheim wilde vertellen onthulde hij de prijzen.
Ik schoot meteen in de lach en vertelde hem dat we hier waren om longhouses te bekijken en niet om ze te kopen. De prijzen die hij voor ogen had waren absurd, volgens de reisboeken dan. RM 200 per persoon voor een halve dagtrip. Prijzen tot RM 800 per persoon voor een tocht van drie dagen en twee nachten. Toen hij begreep dat we niet zo gemakkelijk te vangen waren draaide hij bij en opnieuw verschenen zijn rotte tanden tijdens een brede glimlach. Met de koppen opnieuw bij elkaar vertelde hij ons dat hij waarschijnlijk wel wat aan de prijs kon doen, hij kende wat mensen en hij zou wel informeren. Hij wist ons later wel te vinden.
Dat was inderdaad niet zo moeilijk in een plaats van deze omvang waar volgens mij nooit meer dan tien blanken tegelijk verblijven. Het hotel wat recht tegenover het Chinese Café, het “New Rejang Inn”. Geen vier sterren maar ik een uithoek als dit toch wel acceptabel. Zeker voor de RM 60 die ons per nacht werd gerekend.
We installeerde ons snel in de kamer en niet veel later liepen we weer de trap af naar de receptie om wat te gaan eten. De “gids” van enkele minuten geleden had zich op de sofa in de lounge van het hotel geïnstalleerd en deed net of hij erg druk was met zijn mobiele telefoon. Hij keek meteen op en zei, “ik ben er mee bezig, het zal misschien wel lukken maar het is erg moeilijk want het is erg druk”. “Erg druk, laat mij niet lachen”, grapte ik. “Volgens mij zijn we de enige buitenlanders in het dorp”, een zure lach op zijn gezicht brengend. Hij riep ons nog wat na maar de deur sloot zich voordat ik kon horen wat hij zei.
Eerst eten, een klein restaurant waar iedere stoel bezet was leek mij zeer geschikt. Voor Tettje een kip met rijst en voor mij een “Nasi Campur”, een rijst met wat bijgerechten. Natuurlijk met de ijsthee waarvan wij nu de smaak al te pakken hadden. Het smaakte ons uitstekend maar we zaten toch wat ongemakkelijk op onze stoelen te draaien.
Het dorp was zo verkend en één van de weinige attracties, het “Fort Sylvia”, kon alleen van de buitenkant worden bekeken. Gesloten op maandag, voor een moment dwaalden mijn gedachten naar Korea. Alweer een maand geleden en een totaal andere wereld. Zo, bijna twee uur en de ontdekkingsreis zat er op. Lekker terug naar de kamer en rusten in de airconditioning. De gids zat nog steeds op dezelfde plaats en was nog steeds druk, of deed alsof. Ik had zelf het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen, Tettje dacht er anders over.
Na een korte rust in de koelte van de kamer wilde ik toch nog wel wat bewegen en Tettje had er ook wel zin in, gewoon een stuk de wildernis inlopen en dan omdraaien en weer terug. Uiteindelijk liepen we een rondje van een kleine tien kilometer rond het dorp en we waren verbaasd over alle bouwactiviteit die er gaande was. Deze plaats was aan het bloeien en de vooruitgang was niet meer te stoppen. Bezweet en tevreden kwamen we terug bij het hotel. De gids was verdwenen en ik vroeg mij af of hij had opgegeven of dat hij andere slachtoffers had gevonden.
Het avondeten zouden we op de “Pasar Malam” nuttigen, de avondmarkt was de enige plaats met bedrijvigheid in de koele avondlucht. Een stilte en een mooie sterrenlucht hingen over een uitgestorven Kapit. Sateetjes en bami goreng voor ons beiden, aangevuld met meer ijsthee. Voldaan en gevuld liepen we rustig richting het hotel. Ik hoopte stilletjes dat de gids er zat met goed nieuws. Helaas was dat niet het geval. Zonder een biertje gedronken te hebben lagen we heel vroeg op bed. Op de kamer werd de oorzaak van ons vreemde gevoel gevonden. Wij waren verschrikkelijk verbrand in de zon en de wind. Rode bovenbenen en het leek net of we witte sokken aan hadden. Mijn voorhoofd had de kleur van een overrijpe tomaat en gloeide als een kampvuur. Het was nog net te dragen maar de komende dagen moeten we wel bescherming tegen de zon dragen. Morgen om zeven uur op. Ik heb geen idee wat er ons morgen te wachten staat.

zondag 8 juli 2007

Sarawak, een markt, een tempel en een museum

Sibu, 08/07/2007

Het éénpersoonsbed midden in de kamer was mij slecht bevallen, ik slaap nu eenmaal slecht in die smalle bedden. Ik ben altijd bang om er uit te vallen. Tettje had ook niet op zijn best geslapen maar we waren toch om zeven uur opgestaan. Één volle dag zouden we hier blijven, het volle schema liet niet meer toe en er was hier ook niet echt veel te zien. Opnieuw de twee eieren met toast en koffie voor het ontbijt. Dat zal overmorgen wel anders zijn in Kapit!
De zon stond aan de stralend blauwe hemel toen we het hotel verlieten op weg naar de markt. Eerst bekeek in nog de mogelijkheden om in Kapit te komen. Er stonden overal borden in de grote vertrekhal van de veerbootterminal. Zelden zat er meer dan vijftien minuten verschil in de vertrektijden. Zolang je maar voor tien uur hier was kon je zeker een boot naar Kapit vinden.
Het eerste wat we zouden bezoeken was een enorme overdekte markt, en om eerlijk te zijn kan ik mij niet herinneren dat ik zo’n grote markt gezien heb. Er was dan ook van alles te koop en er waren veel mooie indrukken hoe het er allemaal ver van de bewoonde wereld aan toe gaat. We hadden sinds Kuching ook geen blanke meer gezien.
Onze tweede stop was de “Tua Pek Kong tempel”, een Chinese tempel van ruim honderdvijftig jaar oud. De geschiedenis van Sibu en Sarawak gaat hand in hand met die van de Chinese immigranten. Maar vooral in Sibu is het zeer nadrukkelijk aanwezig. De tempel op zich is wel leuk maar niets bijzonders, een beklimming naar de top van de zeven verdiepingen tellende pagode is wel een belevenis. Mooie uitzichten op de rivier met al zijn activiteit.
Het was nu ook tijd voor een pau (gestoomd broodje) gevuld met kip als tussendoortje. Want we begonnen elkaar nu af te lossen op het toilet, en dan is het wel belangrijk dat je eet.
Een korte bustrip naar het “Civic Centre Museum” was het laatste op het programma. We zouden wel om een uur of één weer klaar zijn met het programma van de dag. Het Civic Centre is een klein maar toch wel leuk museum. We maakten de bewaker wakker want die was vast niet gewend aan bezoekers. Bang voor zijn baan benadrukte hij dat wij iets in het gastenboek moesten schrijven. En dat deden wij dan ook. Ik schreef netjes dat het “Een bijzonder mooi en interessant museum was”, nog voordat wij ook maar onderdeel van de uitgestalde attributen hadden gezien. Tijdens het schrijven was mij wel opgevallen dat er per dag zelden meer dan drie bezoekers waren, althans op de laatste pagina van het gastenboek. De bewaker las onmiddellijk wat ik had geschreven en al knikkend in zichzelf keurde hij waarschijnlijk mijn compliment goed. Het was toch wel interessant om te lezen over de geschiedenis van Sibu en de Chinese immigranten maar helaas had de grote verzameling aardewerk en porselein had niets met Sarawak te maken. Na een klein uurtje verlieten wij het museum en de bewaker kon weer gaan slapen.
Het was ongeveer vijf kilometer terug naar het hotel en ik wilde toch wel wandelen. Tettje was het hier mee eens en samen stapte we de kokend hete middagzon in. Ergens halverwege bracht een supermarkt even verkoeling, we zochten wat te eten en twee zakken chips was het beste wat we konden vinden. Het brood zag er hier niet erg uitnodigend uit.
Een uurtje uitrusten en dan nog een middagwandeling. Lekker even in de airconditioning en een keer of twee naar het toilet. Het was maar goed ook want we ontsnapte net aan de regen. Op de GPS liepen we nog een rondje van een kilometer of vijf, er is hier echt heel weinig te zien en ik vraag mij af wat we morgen allemaal gaan beleven.
Na de wandeling kozen we opnieuw voor Chinees en na de maaltijd was het tijd voor de Formule 1 race. Ik zet er niets voor aan de kant maar als ik de kans heb om te kijken als ik op reis ben neem ik die wel. Een paar biertjes en voor tien uur weer op bed. Morgen naar het hart van de jungle.

zaterdag 7 juli 2007

Sarawak, een boottocht naar Sibu

Sibu, 07/07/2007

De reisadviezen van de receptioniste in ons hotel was onze leidraad voor de tocht naar Sibu. Volgens haar zouden we zeker voor tien uur moeten vertrekken naar de pier. Het zou wel een uur kunnen duren voordat we daar zouden arriveren. Het verkeer was erg druk en grote verkeersopstoppingen waren gewoon. Na een ontbijt, waar we opnieuw de teleurstelling bespraken, stonden we netjes om kwart voor tien op de taxi te wachten.
Om iets over tien stonden we in de brandende zon op de aanlegsteiger vanwaar om kwart voor één de boot zou vertrekken. Ruim twee en een half uur moesten wij wachten. En er was helemaal niets te doen. De terminal was nog in aanbouw en de enige beschutting was een partytent ergens halverwege de aanlegsteiger. Er waren grote plannen want de steiger was geschikt voor auto’s.
Ik haalde mijn Lonely Planet tevoorschijn en ging eens goed bestuderen wat nu de mogelijkheden waren. We moesten deze vier weken toch wel volmaken. Mijn plan was steeds wandelen en trekking in Nationale Parken geweest en daardoor had ik niet echt de andere mogelijkheden onderzocht. Nu hier in de zon zou ik wel een nieuw programma in elkaar draaien dat voor ons beide geschikt was.

Uiteindelijk kwam ik met het volgende voorstel:
Eerst twee nachten in Sibu (een stad ik de jungle)
Met de boot naar Kapit (een dorp in de jungle, Iban longhouses)
Met de boot naar Belaga (stroomversnellingen, meer jungle en een stuwdam)
Met een 4WD naar Bintulu (nachtje slapen)
Met de bus naar Brunei (de verjaardag van de sultan)
Met de bus naar Kota Kinabalu
Met de bus naar Sepilok (orang oetang park)
Met de bus naar Sandakan (zeeschildpadden eilanden)
Met de bus naar Tawau
Met de 4WD naar Keningau
Met de trein naar Kota Kinabalu

Er zit hier nog wel wat lopen in maar niet echt veel en het hoofddoel in nu de veelbezochte plaatsen zoveel mogelijk ontwijken. Eindelijk was de boot daar en met een veel beter gevoel vertrokken we naar Sibu.
Het grootste gedeelte van de reis was saai. Rondom de boot was er een lege zee met het gebrul van de twee Mitsubishi diesels op de achtergrond. Bij landval werd het allemaal pas echt interessant. Groene jungle aan beide zijden van een brede bruine rivier, hier en daar platgeslagen voor een grote houtopslagplaats en/of houtzagerij. Al eeuwen was dit een groot hout export gebied.
Aan boord sprak ik nog even met een man van 77 jaar oud die veel interesse had voor mijn GPS. Hij was na zijn pensioen op reis gegaan en vertelde met veel pret in zijn ogen over de meisjes achter de ramen in Amsterdam en de grote casino’s van Las Vegas. Een hoog hinnikende lach verhoogde de pret. En toen dook vanuit het niets Sibu op. Een stad midden in de jungle, het leek opnieuw een heel vriendelijke stad.
Alles ging nu vanzelf en dat was fijn na die tegenslag. We kregen de laatste kamer in het “Li Hua Hotel”. Meer luxe dan gisteren voor de helft van de prijs ;). Douchen en eten! Ik had nu wel honger als een paard en een Chinese maaltijd zou er wel ingaan. Er waren overal Chinese karakters op de gevels te lezen dus dat zou wel goed komen. En inderdaad, het eerste café was meteen raak. Voor Tettje een nasi en voor mij een bami, aangevuld met gebakken gemengde groente, zoetzuur varkensvlees en citroenkip. Twee grote Tsingtao bier om alles weg te spoelen en het totaalbedrag was net RM 36. Een koopje.
Een lange wandeling in de koelte van de avond markeerde het einde van deze bewogen dag. We hadden de teleurstelling overwonnen en de nieuwe plannen waren gemaakt. De grote avondmarkt op een plein in de stad stelde mij in de gelegenheid om een nieuwe zonnebril te kopen. Hier zagen wij ook iets dat bijna onmogelijk was, hagelslag! Chocolade hagelslag, het werd gebruikt op een soort pannenkoek in combinatie met gemalen pinda’s en een beetje zoete mais. Net als vroeger thuis, een boterham met pindakaas en hagelslag of de onvergetelijke pindarotsjes van de Jamin. De spanningen waren nu weg en wij zouden samen gewoon een andere weg inslaan. Ik ga volgend jaar wel alleen terug om mijn plannen te verwezenlijken, en om eerlijk te zijn met veel plezier. Maleisië was al een favoriet maar nu ik in Sarawak ben geweest weet ik zeker dat ik wel vaker hier zal vertoeven. Een laatste bier in een chinees restaurant en we kunnen er gelukkig allebei om lachen. Ik hou van het onverwachte en Tettje is gestopt met roken.

vrijdag 6 juli 2007

Sarawak, het Bako NP

Kuching, 06/07/2007

De ochtend begon nu om 06:30 voor ons. We moesten nog wel wat wennen aan elkaar maar het gaat allemaal gemoedelijk en goed tussen ons. Ons plan was om de bus van 08:00 naar Bako te nemen en dan zo snel mogelijk in het park te komen.
Het ontbijt was niet super goed maar het smaakte ons toch redelijk en we konden op tijd richting het kleine lokale busstation. Eigenlijk niet meer dan een plein met een verzameling cafés en restaurants in het midden. Onderweg kreeg ik al de eerste krampen die langzaam overgingen in een drang. Het was al te laat om terug te gaan naar het hotel dus moest ik het onderweg maar in een openbaar toilet proberen. Tegen de tijd dat ik voor de deur van het openbaar toilet stond liep ik gewoon door, de man, die me om 20 sen, vroeg negerend omdat het nu echt nodig was. Een hele truc om je broek uit te krijgen zonder dat die kletsnat wordt in een openbaar toilet. De rest van de verkleedpartij zal ik jullie besparen.
We waren dus gelukkig net op tijd voor de bus en na enkele minuten reden we richting Bako. Vanuit de bus zagen we een ander Kuching. Brede mooie wegen tussen veel groen. Regeringsgebouwen in moderne architectuur en een schitterende Moskee, alles in het midden van niets. Er zal hier wel voldoende bouwgrond aanwezig zijn?
De bus was gevuld met lokale bevolking en twee toeristen, wij dus. Alles leek erop dat we de boot zouden moeten charteren voor ons twee. Jammer van het geld, maar het is niet anders. Bij het gebouw aangekomen waar de bootjes naar het park vandaan vertrekken reed de bus een grote parkeerplaats op die goed was gevuld met minibusjes en personenauto’s. Misschien hadden we dan toch geluk?
En ja, na de eerste nee van drie, volgens mij Franse, toeristen vroegen twee jongens achter ons of wij misschien met hun wilde delen. Dus dat was gemakkelijk. Het waren Craig en Theo. Een Schot uit Edinburgh en Hollander uit Eindhoven. Het was een aangename bootreis van ruim een half uur naar de ingang van het park. De kliffen en mangrovebossen zagen er indrukwekkend uit. Voor mij was onze reis nu echt begonnen. Bij de ingang spraken we af om elkaar om half drie weer in het restaurant te ontmoeten voor de terugreis.
Ik nam een kaart mee, niet meer dan een slechte fotokopie, en daar gingen we. Het was de eerste test. Ik bevoorraadde ons in restaurant met twee 2 flessen water (600 ml) en een blikje 100+ per persoon. We kozen voor de “Jalang Lintang”, een rondje van 5,25 km. Zelf had ik wel wat meer willen doen maar dan was er de kans dat we de afgesproken tijd niet zouden halen. Er waren nog wat zijpaden van een kilometer of twee die altijd nog konden lopen. Met frisse moed gingen we tegen de voorgestelde richting in het pad op.
Het was allemaal jungle en echt mooi, de paden waren goed aangegeven (als je uit de andere richting kwam) en na tien minuten waren we al verdwaald. Ik keek de GPS er nog eens op na en we hadden een afslag gemist. Dus het duurde niet lang of we waren alweer op het juiste pad en we begonnen aan een beklimming die ons naar 170 meter zou brengen.
Veel sneller dan ik had verwacht vroeg Tettje om vijf minuten rust. Tijdens onze gesprekken was de fitheid steeds gesprekstof geweest en Tettje meldde altijd dat hij goed fit was en goed kon lopen. Een mengsel van overschatting, de beklimming en een hoge temperatuur maakte dat het niet goed ging. Het ging steeds zwaarder en we moesten steeds vaker rustten. Tett dronk teveel en ik nam zijn heupzak over om wat gewicht bij hem weg te nemen. Met moeite kwamen we vooruit en om de tweehonderd meter moest er worden gerust. Het viel mij zwaar tegen mede omdat ik het nog niet eens voelde.
Net voor de top nam Tett een beslissing die hij zijn hele leven zal herinneren, “Ik stop nu met roken” schreeuwde hij. Ik moest er wel lachen, maar eigenlijk had ik medelijden met hem. Boven op de bergrug ging het wat gemakkelijker maar nog steeds niet van harte. De paaltjes met de afstand er op geschreven werden door Tett met grote opluchting gepasseerd. Het was nu aftellen tot de nul. De twee zijpaden die misschien zouden worden gelopen werden ook uit het programma geschrapt. Tett kon niet meer, hij had meerdere keren gezegd, “ga jij maar”. Ik wilde hem niet alleen laten. Hij had het echt zwaar en het was een verlossing voor hem toen we eindelijk het startpunt weer in zicht kregen.
Hij plofte neer in een stoel en ik haalde twee blikjes frisdrank voor hem. Het was ons allebei tegen gevallen maar om verschillende redenen. We stonden allebei voor een dilemma dat we toch moesten bespreken. Deze reis was opgebouwd uit wandelen en trekking in de bergen. Het was nu wel duidelijk dat dit voor Tett onmogelijk was. Om het alleen te gaan doen wilde ik ook niet. Het samen uit en samen thuis stond nog steeds hoog in het vaandel.
Craig en Theo arriveerden en wij zochten de boot weer op die ons terug zou brengen. In stilte en op blote voeten waden wij ons een weg door het warme water van de Zuid-Chinese zee. Tijdens de vijftien minuten die wij op de bus moesten wachten spraken we over de mogelijkheden van deze reis. Mijn twee hoofddoelen, Mt. Kinabalu en een trek ik het “Gulung Mulu NP”, waren nu niet mogelijk. Ik zou wel iets bedenken. Tett was zo moe dat zijn ogen in de warme schommelende bus dichtvielen.
s’Avonds dronken we een paar biertjes en het onderwerp van gesprek werd steeds weer de tegenvaller van die heuvel. Als Tett echt stopt met roken dan heb ik het er wel voor over om volgend jaar een tweede poging te ondernemen. Demonstratief gaf Tettje zijn zak shag met vloei aan de jongens die in het restaurant werkten. Bij de eerste proef zaten er twee heftig te hoesten en dat was wel even lachen. Ik bedacht om maar eens naar “Sibu” te gaan met de boot in plaats van de bus. Dat gaf mij voldoende tijd om een nieuw strijdplan te bedenken.
Morgen uitslapen en om een uur of tien naar de pier aan de buitenkant van Kuching.

donderdag 5 juli 2007

Sarawak, Een dagje Kuching

Kuching, 05/07/2007

De eerste dag op het eiland was een goede. De wekker liep precies om 07:00:00 af en om 07:00:05 drukte ik hem uit. Om 07:00:10 draaiden wij ons, zonder allebei een woord gezegd te hebben, weer om. De eerste dag werd er dus uitgeslapen. We waren gewoon moe.
Het overprijsde ontbijt namen we in het hotel en met een paar uur vertraging liepen we de stad in. Er was een klein misverstand tussen ons beide geweest. Ik had uit Tett zijn verhalen begrepen dat hij zich goed verdiept had in onze bestemming. Tett had begrepen uit mijn verhalen dat we de reis van “Koning Aap” zouden volgen. Het resultaat was dat we samen in Kuching stonden zonder ook maar een idee wat er allemaal te doen en te zien was. Natuurlijk zouden we er wel uitkomen maar het was nu gewoon improviseren.
Een beetje rondlopen en informatie opdoen, nog wat boodschappen halen en een museum bezoeken. Het zou allemaal wel lukken. De informatie die we van een reisbureau langs de weg hadden gekregen werd getoetst aan andere ervaringen en bij het plaatselijke Toeristen Informatiepunt. Hier staken we veel op. De dagtrip die ons was aangeboden voor RM 180 p/p konden we zelf gemakkelijk voor RM 64 p/p doen en de dagtochten naar de “longhouses” waren zo beknopt dat het eigenlijk weggegooid geld was. Volgens de medewerker van de TI, die zelf van een stam was, was het veel slimmer om later vanuit Miri een langere tocht te ondernemen. Na wat heen en weer gepraat kozen Tett en ik voor die optie. Ook de bustocht naar de volgende stad werd omgezet in een boottocht.
Het eerste doel in de ochtend was de lokale markt. Hier is altijd wel wat te zien en te beleven. Mijn vele zwerven op deze belangrijke plaats maakt het wel dat ik weinig nieuwe zaken zie. Één of twee nieuwe en onbekende zaken is nu al een goede score. Maar toch, de sfeer en de vriendelijke mensen maakt het altijd een leuk uitstapje. Na de markt doken we de koelte van een museum in. Het “Sarawak Textiel Museum”. Een niet te groot museum met een leuke collectie traditionele kleding. Gratis, dus zeer geschikt voor Nederlanders. Als je ooit hier terecht komt, je hoeft er niet voor om te rijden, maar als je ervoor staat loop dan maar naar binnen. Het is wel interessant om te zien.
Ik heb geen idee waar die trek de hele tijd vandaan komt. Maar om één uur schreeuwde mijn maag alweer om eten. We liepen in “Jalan India” dus de geur van kerries hing in de lucht. Het was Tett zijn eerste kennismaking met de Indiase keuken, wel op zijn Maleis. De “Bryani rijst” met kip smaakte uitstekend, de komkommer in zoete chilisaus was voor Tett wat te pittig.
Na een snelle blik in de LP kwamen we er achter dat het echte “Sarawak museum” een stuk verder weg was. We gingen dus op weg naar het grote museum. Helaas werden niet al te veel later overvallen door een onvervalste tropische onweersbui. De regen kwam met bakken tegelijk uit de hemel en toen de marktkooplui de zeilen voor de kramen gingen binden wisten we dat het ergste nog moest komen. En inderdaad, er werd een extra kraan door Pluvius geopend. De goten liepen over en lokale leven kwam tot een gehele stilstand. Iedereen schuilde of zocht een café voor een kopje koffie. Daar zaten we dan te wachten totdat het weer droog werd.
Helaas duurde de bui zolang dat de middag al half voorbij was en dat wij het museum moesten overslaan. Er moest namelijk nog boodschappen worden gedaan. Contactlensvloeistof en tandpasta. Op zich gemakkelijke artikelen maar hier ligt het toch wat anders. We probeerden wat winkels in de buurt maar uiteindelijk liepen we toch richting de grotere winkelcentra. Daar zouden we vast een drogist kunnen vinden. Na twee drogisterijen vond ik gelukkig mijn vloeistof bij een opticien. De tandpasta was veel gemakkelijker.
Het luie zweet had ook nog een afstraffing nodig of met andere woorden, we moesten nog wat trainen voor de wandelingen die nog zouden komen. We waren dan ook niet langer dan tien minuten op de kamer en we waren alweer op weg om een stuk te gaan lopen. Gewoon in het wilde weg. Zo kwamen we bij een Chinees centrum met een sportveld waar ook eettentjes waren. Ik kon de verleiding niet weerstaan en bestelde een bami met varkensvlees en viscake. Tett ging aan de Maleisische koffie, met zoete melk. Voor een persoon die geen suiker gewend is dit toch wel teveel. Mijn bami was ook zo verdwenen en na een “Good Luck” als groet verlieten we het sportcentrum.
Het centrum van “Kuching” is niet zo moeilijk om in te navigeren. Alle wegen leiden naar de rivier en daar eenmaal aangekomen loop je naar de “Tua Pek Kong tempel”.
We waren het allebei eens met elkaar dat het weer tijd werd voor een koud biertje. Tettje is normaal geen biermens maar met mij op pad vindt hij het wel gezellig. Het wordt niet te laat vanavond want morgen moeten we de bus van acht uur hebben om naar het “Taman Negara Bako” te gaan voor de eerste test van de fitheid van de jongens. Welterusten.

woensdag 4 juli 2007

Sarawak, Op weg naar Mt. Kinabalu

Kuching, 04/07/2007

Het was een slechte nacht. Waarom is mij een raadsel, alles was goed georganiseerd en ik had er echt zin in. De angst voor het verslapen misschien? Ik was wel de hele dag ervoor erg druk geweest en daardoor had het inpakken wat vertraging opgelopen. Het maakt eigenlijk niets meer uit. Ik was op tijd en Tett arriveerde ruim op tijd met de kleine rugzak bij mijn huis.
Ook de taxi was weer ruim op tijd en na een broodje met omelet en een banaan gingen we op weg naar een nieuw avontuur. Borneo! Maleisië, Sarawak! Noem het maar hoe je wil maar het was weer een plaats waar ik nog nooit was geweest. En dat terwijl Korea nog vers in mijn geheugen lag. Mijn geheugen wordt te klein, misschien moet ik maar eens een extra kaartje inplanten of wat meer (geheugen)chips eten ;).
Daar stonden we dan met zijn tweeën een beetje slaperig op nieuwe luchthaven van Bangkok. Ik vindt het nog steeds een bende en zelfs de taxichauffeur begon een verhaal dat hij dacht dat de nieuwe luchthaven kleiner was dan de oude. En om eerlijk te zijn, “Ik denk ook dat de nieuwe luchthaven kleiner is dan de oude “Don Muang”. Het inchecken was snel en ook bij de immigratie stonden geen rijen. Wel erg gemakkelijk als je licht reist. Twee rugzakken voor ons samen en geen bagage onder in de buik van het vliegende monster.
Eenmaal binnen hadden we nog een uurtje te doden en een bakkie koffie smaakt altijd s’morgens. Het viel ons wel op hoe rustig het overal was en zelfs de eerste restaurants waren al voorgoed gesloten. Alle planken leeg en de elektrische apparaten waren verdwenen. De sfeer wordt er niet beter op. De doorzichtige plastic zakjes met tandpasta en andere toiletartikelen zijn nu ook doorgedrongen in Azië. De complete handbagage werd doorzocht en mijn super insectenspray uit Australië was het slachtoffer. Meer dan 100 ml verpakking! Ik kon praten als brugman maar het moest weg. Ook nadat ik één derde had uitgegoten in een vuilnisbak. Dit tot grote hilariteit van de mensen achter mij in de rij. Uiteindelijk ging mijn contactlensvloeistof en insectenspray in de vuilnisbak. De laatste goot ik leeg wat een grote stank veroorzaakte. Ik ben benieuwd hoe lang het heeft geduurd voordat ze die rotzooi hebben opgeruimd.
Tett was meteen onder de indruk van de kwaliteit van de Air Asia vliegtuigen. En inderdaad, de Airbussen zijn bijna nieuw en comfortabel voor vluchten tot een uur of drie. De kist was niet geheel gevuld wat tot voldoende ruimte leidde voor ons twee. Inmiddels waren er voor ons twee Nederlanders gaan zitten en het duurde niet erg lang voordat we in gesprek waren. Verschillende mensen met dezelfde doelen en bestemmingen. Altijd leuk om geestverwanten te ontmoeten. Zij op weg naar Bali en wij naar Sarawak.
Het was zo gezellig dat de tijd omvloog en we in Kuala Lumpur landden voordat we het in de gaten hadden. We spraken af om elkaar weer te zien in het restaurant. In de terminal hadden drie zaken de hoogste prioriteit.
1: Het toilet
2: Een voorproefje van de Maleise keuken
3: Tettje zijn geld. Dat is een verhaal op zichzelf! Ik geef altijd iedereen het advies om niet geld te wisselen in Nederland maar om te pinnen of te wisselen in het land van bestemming. Wat was nu het geval? Tettje had in Den Bosch bij het GWK gevraagd om geld voor Borneo. Zijn geld was omgezet in Indonesische Rupea’s. En dat terwijl Maleisië (Sarawak) onze bestemming is. De bank op de luchthaven in Bangkok gaf een zeer slechte koers dus hebben we dat eerst maar links laten liggen. In Kuala Lumpur was de koers een stuk beter. Het verlies was te dragen en de les geleerd.
Het eten smaakte mij goed in het restaurant van de terminal, ik vroeg mij ook meteen af waarom ik daar voor drie euro heerlijk warm kan eten terwijl dat op andere plaatsen een arm en een been kost. Hebzucht? De tijd was weer erg snel omgevlogen en het werd tijd om afscheid te nemen. We gingen ieder onze wegen.
De tijd was zo snel omgevlogen dat we niets eens waren voorgesteld aan elkaar, ik heb een gevoel dat we in de toekomst nog wel een keer met de e-mail contact zullen hebben. De tweede etappe van de reis was een kopie van de eerste. Niet teveel mensen en een beetje turbulentie aan het einde. Toen we uit het vliegtuig stapten had ik meteen een goed gevoel. Dit gevoel werd alleen nog maar beter naargelang we door de met bomen omgeven straten van Kuching reden. Kuching zag er uit als een vriendelijke stad.
Ik koos een centraal punt in het centrum voor de taxi om ons af te zetten. Hier vandaan zouden we een hotel of een bed zouden zoeken. Het eerste guesthouse zag er goed uit, de prijs was wel iets te hoog en de dj wist niet hoe laat de bar s’avonds sloot. Dus gingen we verder van hotel naar hotel. Er bleek een regeringsbijeenkomst in Kuching te zijn en daardoor waren alle redelijke hotelkamers bezet. Ik had dit al eens eerder meegemaakt. Uiteindelijk had het “Borneo Hotel” een schimmelige tweepersoonskamer voor ons. Ik wilde dit zeker niet en vertelde de receptionist dat ik deze kamer niet eens gratis wilde. Mijn opmerking dat wij er misschien uitzagen als rugzaktoeristen maar dat we dat niet waren veranderde de instelling van het personeel.. Een familie kamer met twee bedden was de verlossing. RM 145 per nacht, zeg maar iets meer dan € 30,00. Een heerlijke kamer met al het comfort, aan het begin van zo’n trip kan het wel.
We bleven niet lang op de kamer maar gingen meteen wandelen. Het “waterfront” was nog geen vijf minuten lopen en daar was het te doen. Het stukje dat we liepen in het donker was bijzonder mooi. En nogmaals, de stad voelde erg vriendelijk en aangenaam aan. Zelf had ik al het een en ander gegeten maat Tett kreeg nu ook trek. De keuze viel op saté van de kip. Na de eerste tien stokjes volgden er nog tien en de grootste trek was gestild. We hadden er best een biertje bij kunnen drinken maar helaas kan dat niet in overal in Maleisië.
Wat wel meteen opviel was het veelvuldig gebruik van de Nederlandse taal. Je hoorde Nederlands spreken overal waar je liep. We maakten grapjes over “Koning Aap” en “Fox Reizen”. Gewoon stilhouden en lekker doorlopen. Totdat we een Chinees eethuis ontdekte met de toepasselijke “Green Hill View” als naam. Het was voor mij wel lang geleden maar de “Tsingtao” biertjes smaakten uitstekend. We maakten het toch maar niet te laat en voor tien uur lagen we op één oor. Morgen de stad verkennen.

dinsdag 3 juli 2007

Inpakken en wegwezen

Pattaya, 03/07/2007

Het is alweer de laatste dag en het pakken is nu een fluitje van een cent. Samen met Tettje heb ik overlegd wat mee te nemen en vooral “wat thuis te laten”. Het is nu belangrijk om niet twee keer hetzelfde mee te nemen, delen is minder gewicht. Ik heb al eens eerder een paklijst gepubliceerd maar deze is wel veel korter dan voorheen en die wil ik jullie dan ook niet onthouden.
In mijn rugzak zit het volgende voor de komende vier weken.

1 paar Teva sandalen
3 paar sokken, (één paar meer dan gewoonlijk)
5 zijden onderbroeken
1 korte broek
1 paar aanritsbare broekspijpen
4 overhemden met korte mouw
1 extra dunne regenjas
1 kleine heup(rug)zak voor dagtochten
1 pet
1 zonnebril
1 zwembroek

1 tandenborstel
1 scheermes
1 kleine bus scheergel
1 stuk zeep
1 deoderantstick
10 wattenstaafjes
2 sets oordoppen
3 kleine zakjes waspoeder
Medicijnen voor de diabetes
Pijnstillers

6 oplaadbare batterijen AA voor de GPS
2 reserve batterijen + lader voor mijn camera
1 digitale camera (Olympus 720)
1 iPod Nano + enkele kabels
1 Apple MacBook

Lonely Planet
Paspoort
Kopieën vliegtickets

Alles bij elkaar zo’n 10 kilo in een Cerrotorre rugzak van 42 liter. Dit is de uiterste maat die ze accepteren als cabine baggage!

De laatste tien dagen zijn echt voorbij gevlogen en om eerlijk te zijn heb ik mij nog niet erg verdiept wat we allemaal precies gaan doen. Het wordt morgen een lange dag en ik verwacht om ongeveer vijftien uur onderweg te zijn voordat we in het hotel aankomen. Dat is voldoende tijd om de eerste dagen vanuit de reisgids te plannen. We kijken echt naar deze reis uit en hopen (eigenlijk weten) dat het een zeer aantrekkelijke maar zeer vermoeiende reis zal worden. Ik zal dan ook proberen om elke dag mijn verhaal op de weblog te krijgen maar ik verwacht niet dat het internet erg wijd verbreid zal zijn. We zien wel! Welterusten en tot morgen vanuit Kuching.

zondag 1 juli 2007

Over de helft

Pattaya, 01-07-2007

Het is alweer zondag en we zijn met zijn allen alweer over de helft van het jaar 2007. Henk en Tettje zijn goed aangekomen en om eerlijk te zijn heb ik weinig kunnen rusten. Het was veel regelen en zorgen dat er niets wordt vergeten.
Tettje en ik zijn klaar voor de tocht van vier weken naar Sarawak, Brunei en Saba.
De plannen liggen er en na overleg gaan we waarschijnlijk de volgende tocht ondernemen.

Aankomst Kuching
Serubah Longhouse
Kuching - Bako Nationaal Park
Bako Nationaal Park – Miri
Brunei
Miri - Mulu Nationaal Park
Mulu Nationaal Park / headhunters
Kota Kinabalu - Mount Kinabalu Nationaal Park
Mount Kinabalu Nationaal Park - Sukau via Sepilok en Sandakan
Sukau - Pulau Manukan via Kota Kinabalu
vertrek Kota Kinabalu

We kunnen hier natuurlijk altijd van afwijken mocht het noodzakelijk zijn.

Een korte samenvatting voor het merendeel overgenomen uit de gids van koning aap.
Hier zijn nog wat links:

http://www.malaysiasite.nl
http://www.malaysiasite.nl/sarawak
http://www.malaysiasite.nl/sabah

Kuching is een sfeervolle stad aan de Sarawakrivier met een gezellige boulevard en restaurantjes waar je terecht kunt voor een heerlijke curry of saté. De naam 'kuching' betekent 'kat' en overal in de stad zie je de beeltenis van dit dier.
We gaan vervolgens naar een 'longhouse' van de Iban, die je gastvrij een eenvoudig onderkomen bieden. Je kunt wandelingen door het oerwoud maken, varen in typische smalle bootjes of zwemmen in de rivier. 's Avonds kom je samen in het 'longhouse', waar je ongetwijfeld de traditionele rijstwijn 'tuak' aangeboden wordt.
Eén van de mooiste natuurparken is het Bako Nationaal Park, waar de zeldzame neusaap nog veelvuldig voorkomt.
We duiken Brunei in voor een paar dagen, een stadstaat die zijn rijkdom te danken heeft aan olie. Een strenge moslim staat waar alcohol officieel verboden is.
Het Mulu Nationaal Park staat vooral bekend om het uitgebreide grottenstelsel. Het is indrukwekkend om te zien hoe duizenden vleermuizen tegelijkertijd met de schemering de grotten verlaten op zoek naar voedsel.
In Mulu maak je diverse wandelingen door weelderige jungle, ondermeer de headhunters-trail. Hier ben je echt weg van de bewoonde wereld.
In het Kinabalu Nationaal Park kun je prachtige dagwandelingen maken of ervoor kiezen Mount Kinabalu te beklimmen, de hoogste berg van Zuidoost-Azië (4100 m) Sprookjesbossen met vleesetende bekerplanten en orchideeën bepalen het beeld onderweg.
Bij Sukau bezoeken we het Kinabatangan Orang-utan Conservation Project, dat het onderzoek coördineert naar en de bescherming van de orang-oetans in deze regio. Men kweekt er bijvoorbeeld boompjes voor herbebossing, werkt als gids en zorgt voor je overnachtingen,bij de bevolking thuis. In 2005 is Red Ape Encounters (RAE) opgericht en daarmee heb je dé kans wilde orang-oetans te zien. Want alleen onder begeiding van de RAE mogen toeristen het beschermde gebied in. Lokale gemotiveerde gidsen leren je alles over het gedrag van deze imposante dieren, en hopelijk zijn ze ook te vinden. Je gaat op bezoek bij de lokale bevolking, en ’s nachts maak je een tochtje op de rivier op zoek naar nachtelijk leven.
Omgeven door koraalriffen en kristalhelder water gaan we enkele dagen uitrusten van het verblijf in de jungle op het tropische eilandje Manukan. Het paradijselijke strandje en de kleurrijke onderwaterwereld vol koraal en bontgekleurde vissen zul je niet snel vergeten.

Jullie zien dat er weer genoeg op het programma staat. Als ik geluk heb is mijn computer ook weer gerepareerd zodat ik de foto’s direct kan invoegen.
Tot woensdag!

donderdag 21 juni 2007

Korea, het zit er op

Seoul, 21/06/2007

Het zit er op. Mijn laatste dag in Korea was een slechte. Het regende vanaf het moment dat ik mijn ogen opende tot en met het moment dat ik mijn ogen sloot. Neerlands weer op zijn best een kleine 9000 kilometer van huis.
Natuurlijk heb ik de hele dag op mijn bed gelegen en een beetje met de computer gespeeld en het één en ander geschreven. De twee keer dat ik mijn kamer heb verlaten was het om te gaan eten. Mijn laatste Koreaanse maaltijd was een heerlijke bami en dim sum, natuurlijk met voldoende kimchi.
Morgen vlieg ik weer terug en de wekker staat op zeven uur, ik wil namelijk niet later dan half acht het hotel verlaten. Ik twijfel nog tussen de trein en de bus. Mocht het regenen dan wordt het 100% zeker de trein.
Jullie hebben nog twee verhalen van mij te goed, deze zullen dan voor deze blog verschijnen. Ik heb namelijk het systeem van de data veranderd. De nieuwe verhalen zullen de datum hebben van de dag of de laatste dag van het verhaal. Zo kan het zijn dat er verhalen tussen de laatste en voorlaatste worden ingevoegd. Dus even goed opletten. Dat was het voor nu, ik ga mijn biertje opdrinken en nog wat TV kijken.
Als ik morgen weer in Thailand ben ga ik een paar dagen heerlijk uitrusten en daarna weer aan de slag met de volgende reis. Ik vertrek samen met Tettje naar Saba en Sarawak op 4 juli voor een reis van vier weken met als hoogtepunt de beklimming van de “Mt. Kinabalu, een berg van 4095 meter hoog. Tot dan.

woensdag 20 juni 2007

Korea, de oorlog als propaganda

Seoul, 20/06/2007

Vandaag zou ik voor de laatste keer mijn heil buiten Seoul zoeken. Korea is voor altijd verbonden met de oorlog, ook wel de “vergeten oorlog” genoemd. En overal waar je in Korea komt zie de monumenten of andere zaken die ermee te maken hebben.

Een korte inleiding:
Op 25 juni 1950 werd Zuid-Korea door Noord-Koreaanse troepen binnengevallen. Daarop besloot de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot militaire steun aan Zuid-Korea. Uiteindelijk bestond die militaire steun uit een troepenmacht waaraan naast troepen van de Verenigde Staten nog vijftien landen deelnamen: Australië, België, Canada, Colombia, Filippijnen, Ethiopië, Frankrijk, Griekenland, Verenigd Koninkrijk, Luxemburg, Nederland, Nieuw-Zeeland, Thailand, Turkije en Zuid-Afrika. De Amerikaanse generaal Douglas MacArthur werd benoemd tot bevelhebber.
Na enkele dagen werd de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoel bezet en begin september 1950 was 90 % van Zuid-Korea in handen van Noordelijke troepen. Alleen een klein gebied rondom Busan hield nog stand. Bijna waren de Zuid-Koreanen op de knieën gedwongen. Dankzij een tactisch hoogstandje, de amfibische landing bij Incheon, ver achter de Noord-Koreaanse linies, en het nodige geluk slaagde bevelhebber MacArthur erin de Noord-Koreanen terug te dringen tot ver over de 38e breedtegraad. De Chinezen, beducht voor een uitbreiding van de oorlog tot hun eigen grondgebied, intervenieerden en drongen de westerse coalitie terug. Opnieuw viel Seoul in communistische handen. MacArthur stelde voor de atoombom in te zetten tegen Volksrepubliek China, maar dat werd verworpen. Dit zou de wereld volgens president Truman in een nucleaire oorlog duwen, wat rampzalige gevolgen zou hebben. Douglas MacArthur werd 11 april 1951 ontheven uit zijn functie als bevelhebber over de VN-troepen in Korea.
In de periode die volgde sleepte de oorlog zich voort waarin successen en tegenslagen elkaar afwisselden. Medio 1951 werden er pogingen gedaan vredesonderhandelingen te beginnen. Daarmee kon op 10 juli 1951 in Kaesong worden begonnen. De onderhandelingen sukkelden maandenlang voort en werden herhaalde malen gestaakt. Groot struikelblok was de uitwisseling van krijgsgevangenen. Pas na de dood van Sovjetleider Stalin in maart 1953 werd er weer voortgang geboekt en kon er op 27 juli 1953 te Panmunjeom een wapenstilstand worden afgekondigd.
De onderhandelingen hadden dan wel tot een staakt-het-vuren geleid, maar de vrede tussen Noord- en Zuid-Korea is nooit gesloten, zodat beide landen officieel nog steeds in staat van oorlog verkeren. De Koreaanse Oorlog kostte aan twee miljoen burgers en militairen het leven. Noord- en Zuid-Korea bleven als puinhopen achter.

De plaats die ik vandaag zou bezoeken was Incheon, de landingsplaats van de bevrijdingsmacht. Er stond nog voldoende geld op mijn treinkaart en dat wilde ik graag gebruiken voor de ruim een uur durende treinritten. Het was de eerste keer dat ik richting de westelijke buitenwijken reisde. Het leek dat de mensen hier anders waren dan in het zuiden of het noorden. Jongelui gestoken in fel gekleurde PVC kleding met de nieuwste MP3 spelers liepen overal. Vreemde haarstijlen die mij lieten denken aan de glamourbands van de beginjaren 70.
Ik was nu wel blij dat het einde van de reis zo dichtbij was. Het wordt me een beetje teveel. Vier weken is mooi maar het is wel genoeg voor nu.
Het dorp (2.500.000 inwoners) is niet al te groot, ik bedoel het centrum. Ze zijn hier een oud Chinatown aan het restaureren om de overvloed aan Chinese toeristen te behagen. Naast het Koreaans zijn hier alle uithangborden in het Chinees.
Er was dus weinig te zien, het park op de heuvel met de monumenten en een korte wandeling door het met kitsch overgoten Chinatown was voldoende. Snel terug naar Seoul om het “Korea War Memorial” te bezoeken.
Weer ruim een uur in de trein, zo schoot de dag tenminste op. Onderweg bestudeerde ik de kaart van de ondergrondse en in dit uitzonderlijke geval moest ik twee keer overstappen. Of ik moest een stukje gaan lopen? De hele dag had ik al in de trein gezeten dus waarom zou ik niet gaan lopen? Het eindstation was “Seoul Station”, eenmaal buiten het station begreep ik wat er was misgegaan zondag. Er zijn namelijk twee “Seoul Stations” en deze was het station met de elektronicamarkt. Ik was hier al eens geweest, het zag er allemaal herkenbaar uit. Het museum (memorial) lag aan de rand van Ithawon en daar had ik tenslotte al genoeg rondgelopen.
Het geheel was erg indrukwekkend. Het is zo groot dat ze buiten een enorme collectie pantservoertuigen en vliegtuigen hebben staan. Zo maar, gratis te bezichtigen. Dat deed ik dus eerst, ik ben tenslotte een “Hollander”. Vooraf had ik nog getwijfeld of ik naar binnen zou gaan maar de wandeling buiten had mijn twijfel weggenomen.
Binnen trof ik goed ingerichte zalen aan met de verhalen over tweeduizend jaar oorlog. Natuurlijk tegen de buren, Japan en China. Het was erg interessant en ik heb veel gezien dat mij onbekend was. Er waren voldoende bordjes in het engels om het allemaal wat duidelijker te maken. De verdieping over de burgeroorlog en hoe het allemaal had kunnen gebeuren was het meest indrukwekkend.
Maar wat eigenlijk voor mij het vreemdst was dat hele groepen kleuters en kleine kinderen hand in hand door de zalen met de meest gruwelijke oorlogszaken werden geleid. Alles onder het mum van vrede en leve de “Republiek van Zuid Korea” zoals het land officieel heet. Ik weet niet of het goed is maar het is wel zeker dat ik geen één Koreaan heb ontmoet die niet trots op zijn land was. Misschien iets voor de linkse regering van ons land? Voer dan ook maar meteen schooluniformen in als we toch bezig zijn. Of heerst er nog steeds een angst van dat oude oorlogssyndroom?
De rondgang had langer geduurd dan verwacht en zo was het einde van de dag sneller daar dan verwacht. De vier en een halve kilometer liep ik natuurlijk naar het hotel. Onderweg pikte ik nog mijn laatste souvenirs op en had later op de avond een neutraal maal in mijn op één na favoriete restaurant, het favoriete was gesloten wegens een verbouwing. Zo kwam er een einde aan mijn voorlaatste dag. Met elk uur dat verstrijkt ben ik meer blij om weer terug naar Thailand te gaan. Ik ben er nu ook klaar voor. Voor mijn volgende trip, over twee weken alweer, ben ik ook wel klaar. Het zal leuk zijn om met een tweede persoon op pad te gaan. Morgen nog wat rondhangen en inpakken en dan zit het er echt op.

dinsdag 19 juni 2007

Korea, de wandeling was een ramp

Seoul, 19/06/2007

Na een heel slechte nacht stond ik om half acht naast mijn bed. Dinsdag vandaag en dus nog drie dagen te gaan. Mijn plannen werden opnieuw gewijzigd en ik hoopte nu voor de laatste keer. Bier zou geen spelbreker meer zijn, dat was zeker.
Vandaag zou ik voor het laatst gaan wandelen. Een gewone wandeling, niet in een National Park, maar gewoon in de buitenwijken Seoul. Een trek van een uur of zes. De treinreis naar het beginpunt was zo ondertussen gewoon geworden en na een uurtje in de trein stond ik aan het eindpunt van de lijn. Van hier zou ik over twee bergen lopen waarna ik weer bij een ander treinstation zou uitkomen. Eenvoudig toch?
Onder aan de eerste berg was een woonwijk waarvan meer dan de helft van de straten niet op mijn kaartje stonden en bij de rand van de woonwijk aangekomen zag ik meer paden die omhoog liepen dan mijn lief was. Wat nu? Geen bewoners te bekennen en geen wandelaars die mij tegemoet kwamen. Allemaal heel vreemd. Het vragen aan een winkeleigenaar leverde mij een vreemde blik op en hij verdween meteen achter een gordijn. Zijn antwoord was mij duidelijk.
Een ander probleem was dat mijn kaart weer geheel in het Engels was en alle richtingaanwijzers in het Koreaans. Uiteindelijk koos ik maar voor een pad en liep langzaam omhoog. Het pad ging van cement over in steen en daarna weer in zand en gravel. “Alle wegen leiden naar Rome”, is een oud gezegde. En inderdaad, voor mij leidde alle wegen naar boven. Bovenop de bergrug aangekomen was het plotseling erg druk. Mensen liepen in beide richtingen en op de weinige open plaatsen zaten veel wandelaars wat te eten of te genieten van het uitzicht en de zon. Zelf nam ik ook de tijd voor een paar korte pauzes. Ik at van mijn rijstdriehoekjes, met een heerlijke kip/mayonaise vulling, en twee bananen. Ook de bananen ware weer terug in mijn dieet. Ze werden nu overal in de stad ver kocht tegen dumpprijzen
Net voor de top van de eerste berg was er een tegenvaller van de eerste orde. Het pad naar beneden dat ik in gedachte had was afgesloten voor al het publiek. Naar wat ik begreep uit het weinige Engels van mijn medewandelaars ging het om een kleine bosbrand. Het kon wel waar zijn want er waren constant helikopters in de lucht geweest. Het was het enige pad dat in de juiste richting ging!
Maar wat betekende dat voor mij? Ik moest dezelfde weg terug en dan zes kilometer omlopen om weer aan te kunnen sluiten met mijn oorspronkelijke pad. Ik zou het wel zien als ik weer beneden was. De GPS kwam nu goed uit en alles leek er op dat ik hetzelfde pad weer naar beneden had genomen. Helaas was het niet zo en in het dal aangekomen stond ik dus weer op een andere plaats. Mijn horloge gaf nu al bijna één uur aan. Een simpel optel sommetje gaf als uitkomst dat ik tussen zes en zeven uur klaar zou zijn met de wandeling. Ik zou twee uur verliezen in totaal. Dat zou wel erg laat zijn.
De andere optie sprak mij meer aan. Ik ging terug naar het hotel om wat te rusten en te schrijven. Het was mooi geweest. Drieëneenhalve week was ik actief geweest. En daarvoor had ik een week met de Kuijnen door Thailand getrokken. Ik was gewoon moe en aan rust toe. Morgen ga ik de Koreaanse oorlog eens goed bestuderen.

maandag 18 juni 2007

Korea, de kater van het drinken

Seoul, 18/06/2007

Nou, het was me de ochtend wel. Mijn horloge wees half elf aan en ik kon mij niet eens herinneren dat ik de wekker had uitgezet. Misschien was hij wel uit zichzelf gestopt? Een droge mond, droge ogen en een zwaar gevoel in mijn hoofd. Ik had mij zo dus zeker drie weken niet gevoeld. Het was nog steeds een goede beslissing geweest om niet zoveel te drinken tijdens deze reis.
Toen ik eenmaal genoeg moed had verzameld om aan mijn ontbijt te beginnen wees mijn lichaam al het vaste voedsel af. Ik heb het al eens eerder verteld, als ik veel drink dan kan ik niet meer eten. En dat is een groot probleem. Dus ik wrong enkele boterhammen en bananen met koffie naar binnen en ik begon me ook nog eens beter te voelen.
Wat was het probleem voor deze dag? Wel, het was nu te laat om een grote wandeling te gaan maken (ik had er ook geen energie voor). Het gevoel om te bewegen was toch wel aanwezig en uiteindelijk koos ik ervoor om de “Seoul Tower” te gaan bezoeken. Deze toren is 236 meter hoog maar omdat hij op een heuvel staat steekt hij ruim 479 meter de zeespiegel uit. Ik heb nu eenmaal wat met torens en bruggen. De wandeling erheen was ook aangenaam, ik was al genoeg in die buurt geweest. Er zat wel een klimmetje in maar dat was niets vergeleken met de heuvels die ik was omhoog gelopen.
Met een flinke vertraging ging ik na de middag richting het “Namsan” park waar deze toren zich bevindt. Met behulp van Google Earth had ik een track uitgezet en die in mijn GPS geladen. Die track zou mij eerst langs een oud altaar brengen waarna ik dan de klim omhoog zou gaan maken. Lunch schoot er natuurlijk bij in want mijn hoofd stond niet naar eten, dat zouden ik later wel doen. Langzaam bewoog ik door de miljoenen stad af en toe een blik werpend op mijn GPS.
Ook met een afwijking van maar vijf meter kan het moeilijk zijn om in een oude buurt met smalle straatjes de weg te vinden. Na vijftien minuten zoeken hield ik het dan ook voor gezien, het altaar was onvindbaar en het was zeker niet aangegeven in Engels. Dan maar de berg op! En geloof me, het was maar een heuveltje maar het zag er uit als een berg voor mij. Mijn lichaam was zich ondertussen wel aan het herstellen. Na een flink gedeelte treden van een bijna oneindige trap te hebben beklommen stond ik bij een Y-spiltsing. De GPS gaf aan naar links en het (Engelstalige) verkeersbord gaf aan naar rechts. Niemand in de buurt om naar de weg te vragen! “Volg dan maar de borden”, dat leek het slimste om te doen. Het verbaasde mij wel dat ik steeds verder weg liep van de toren. Terugkeren was geen optie, ik zou nu eenmaal doorgaan.
De “Botanische Tuin” langs de weg had gelukkig een plattegrond in het Engels. Ik bestudeerde deze aandachtig en mijn vermoedens klopte. Ik liep weg van de toren naar een ingang voor auto’s aan de andere kant van de heuvel. De kaart liet ook zien dat er een kortere weg was door de tuinen die dan zou aansluiten op de weg naar de top. Ik had geen haast maar ik had ook geen zin om de lange omweg te kiezen. Het zweet gutste uit mijn lichaam en mijn flesje water was bijna leeg.
Het was een heerlijke wandeling door een dicht bos naar de top van de heuvel en onverwachts stond ik aan de voet van de toren. Hij was het meeste van de tijd niet te zien geweest door het dichte bladerdak. De toegangsprijs van 7000 won was redelijk. De ingang was iets moeilijker te vinden. Uiteindelijk stond ik in de lift omhoog luisterend naar een mooi Koreaans meisje dat een korte uitleg gaf over de toren, in het Koreaans. Het is na bijna vier weken voor mij nog steeds onbegrijpelijk hoe het toerisme hier nog steeds in de kinderschoenen staat! Op het observatie platform was het wat je verwacht van een toren. Een schitterend 360 graden uitzicht over de stad. Het viel me ook meteen op dat de “Gele zandstormen” uit China weer heviger werden. Het zicht werd wel weer beperkt. Al kijkend uit de toren weren de normale spelletjes gespeeld. Zoek het hotel? Waar eet ik straks? Waar heb ik die berg beklommen? Enzovoort, enzovoort. Het was leuk geweest voor een half uurtje maar niet echt spectaculair.
Het pad naar beneden kon ik wel volgen via de GPS en onder aan die berg stond ik weer bij de gewraakte Y-splitsing. Ik had dus links gemoeten. Het was niet anders. Mijn maag knorde nu wel en ik had trek in een bami. Het was nu drie weken geleden sinds ik in dat mooie grote foodcourt had gegeten en ik zou dat toch wel weer weten te vinden? Met moeite vond ik het gebouw waar zich op de 11e verdieping het foodcourt bevond. De bami was heerlijk! Ik vulde mijn fles met water en at nog een banaantje, en maakte mij op om de laatste etappen naar mijn hotel te gaan lopen. Om half zes kwam ik vermoeid en voldaan terug op mijn kamer.
Jullie vragen je misschien wel af waarom er geen foto’s van eten meer worden geplaatst. Het antwoord daarop is simpel. Het eten is nu bijna allemaal bekend voor me. Ik heb mijn favoriete gerechten en restaurants waar ik steeds gebruik van maak. Er is dus niets nieuws onder de zon. Om half tien lag ik onder de dekens, morgen de laatste echte wandeling.

zondag 17 juni 2007

Korea, mijn laatste activiteiten

Seoul, 17/06/2007

Het was heerlijk om in Seoul in een vertrouwde omgeving wakker te worden. De wekker liep normaal om zeven uur af en ik kon mij veroorloven om nog even wat langer te blijven liggen. Na een extra uurtje was het lang genoeg geweest en de douche maakte het laatste in mij wakker. Zondag vandaag! Het ontbijt werd aangevuld met twee hardgekookte eieren in plaats van gebakken eieren maar de toast met aardbeienjam bleef hetzelfde, natuurlijk ontbrak het kopje koffie niet. Tijdens het ontbijt lag de LP open op tafel want ik moest nu mijn laatste dagen plannen.
Maandag zou een dag worden om te gaan lopen, dit omdat de meeste bezienswaardigheden dan zijn gesloten. Dinsdag een museum of zo. Woensdag nog wat lopen en donderdag uitrusten en een beetje rondhangen. Maar wat vandaag? Er stonden nog wat paleizen in het boek die ik niet had bezocht en één sprong eruit. Het “Changdeokgung” paleis. Dit paleis kon je namelijk niet op eigen gelegenheid bezoeken en er waren gebieden binnen de muren die nog steeds gesloten waren voor het publiek. De laatste telgen van de het oude Koreaanse koningshuis hadden hier gewoond en de laatste was nog niet eens zo lang geleden hier overleden. de gids die meeging sprak Engels. Dat was dan mooi meegenomen.
Ik waste snel het gebruikte serviesgoed en bestek af en wandelde richting de ingang van het paleis. De ingang was nog geen tien minuten lopen van het hotel. Daar stond ik dan met het kaartje in mijn hand te wachten tot 11:30, het tijdstip dat de Engelse tour zou beginnen. De groep was niet te groot en gelukkig waren er ook geen overactieve bezoekers die steeds vooraan in je foto willen staan. Uiteindelijk was het gewoon weer een ander paleis. Dit was nu echt de laatste die ik wilde bezoeken!
Toen we weer buiten stonden sprak een wat vreemd geklede jongeman, met werkschoenen en een grijze ouderwetse platte pet die ik eerder in mijn hotel had gezien, mij aan en vroeg wat ik verder wilde gaan doen die zondag. Een derde jongen voegde zich bij ons en wij zaten even later voor de supermarkt wat te drinken en te praten. Beide waren gisteren aangekomen en hadden geen idee wat er in Seoul te doen was. Mijn ervaring kwam hun dus goed uit. De Zwitser, vreemd geklede, kwam net na een verblijf van vijf maanden in Australië voor één dag naar Korea. Hij had een tussenstop. Alan, de andere was een Maleisiër die nu in Zuid-Afrika woonde. Hij was op een visa run vanuit Thailand.
Het was al tegen half twee toen we op zoek gingen naar de lunch. Ik realiseerde mij dat er daarna niet echt veel tijd was om wat anders te gaan doen. Ik zou onder het eten wel wat bedenken! En dat lukte, we zouden naar de “Treasure number One” lopen. Onderweg nog wat drinken en ik had mijn zinnen gezet op een heupgordel. Niet een heuptasje, maar een echte heupgordel. Ik was het nu na al die jaren zat om steeds met mijn LP en fles water in de hand te lopen. Het lopen in de bergen maakt het zeker extra moeilijk als je niet je beide handen vrij hebt.
Voor de lunch bestudeerden ze de kaart in een Koreaans Fast Food restaurant en vroegen mij om iets aan te bevelen. Ik vertelde over de meeste gerechten, ik had tenslotte zelf al heel veel van die kaart voor mijn neus gehad. Een uur is zo voorbij en dus stonden we al halverwege de middag weer in de brandende zon. Nog even wat lopen en dan terug naar de kamer, speelde er door mijn hoofd.
Beide plannen waren uitgevoerd, ik kocht een mooie heupgordel in één van de vele outdoor sport winkels en de mannen zagen de oude stadspoort van Seoul. Het was grappig want wij arriveerden net op tijd om het wisselen van de wacht te zien. Het leek op iets wat ik al had gezien maar dat was niet belangrijk. Tevreden zetten wij de terugweg in.
Het was tot nu toe een reis geweest met weinig bier. Het vele lopen en verplaatsen hadden het gewoon niet toegelaten en eerlijk gezegd had ik het ook niet gemist. Mijn buikomvang was al aardig afgenomen en mijn broeken gingen ook steeds ruimer zitten. Ik denk zelf dat ik onder de negentig kilo weeg nu. Op mijn vraag of de jongens misschien zin hadden om een biertje te drinken antwoorden ze met een brede glimlach en een “Ja, natuurlijk” in koor. Daar zaten we dan midden in Seoul op een bankje bij een minimarkt. Van één werd het twee enz.enz. Het avondeten was erbij in geschoten en tevreden gingen we om een uur of negen uit elkaar.
We hadden nog geprobeerd om een afspraak voor maandag te maken maar hier zou waarschijnlijk niets van terecht komen. Ik kan me niet herinneren dat ik mijn kussen heb gezien, maar ik was wel een heel tevreden mens. Eenzaamheid is een monster! Morgen een flinke wandeling.

zaterdag 16 juni 2007

Korea, de laatste

Seoul, 16/06/2007

Veel dingen die ik nu onderneem of meemaak zijn nu voor de laatste keer. Het was mijn laatste busreis binnen Korea toen ik aan boord stapte van de bus naar Seoul. 220 kilometer zou het zijn naar een busstation waar ik nog nooit van had gehoord. Het moest zo zijn en ik maakte mij er ook niet druk om,als ik maar weer in Seoul ben dan zal ik de ondergrondse ook wel weer snel weten te vinden. En inderdaad, het tweede iets kleinere, busstation lag ietsjes verder buiten de stad maar aan dezelfde metro lijn. Ik moest wel steeds goed nadenken en opletten om niet mijn tweede rugzak te vergeten, ik was er tenslotte niet aan gewend om met een extra rugzak onderweg te zijn.
Bij aankomst in het hotel bleek mijn reserveringsemail niet te zijn ontvangen of eigenlijk niet te zijn gelezen. Gelukkig waren er toch nog wat kamers over en ik kreeg één van mijn favoriete kamers, 306. Deze kamer heeft een goede ontvangst van het draadloze netwerk van de buren, en daarom slaap ik daar zo graag.
Het was goed om weer terug te zijn in de bewoonde wereld. Ik deed snel wat boodschappen om mijn koelkast mee te vullen en liep fluitend door de stad waar ik in een half uur meer blanken zag dan in de laatste twee weken bij elkaar. Een Big Mac ging ook erg gemakkelijk naar binnen. Daar was ik echt aan toe geweest! De laatste week is aangebroken en er staan nog een paar plaatsen op het programma die ik graag wil bezoeken. Als het weer allemaal meezit heb ik nog vier dagen om wat te lopen en wat te bezichtigen. Morgen start ik met een paleis en een wandeling in de middag.

vrijdag 15 juni 2007

Korea, en daar was de regen

Jongju, 14/06/2007

Ik was er helemaal klaar voor toen de pieptonen mij wekten om zeven uur. Met een grote schep slaapzand nog in de ogen schoof ik het luik van mijn raam open. Een glanzende straat en druipende daken lagen stil in de regen. De auto’s in de verte zwiepten hun ruitenwissers heen en weer. Zo, daar was dan de regen. Je hoort mij niet klagen. Als je na bijna drie weken reizen alleen een middag miezerige regen hebt gehad is dat al geluk genoeg. Mijn plannen voor vandaag vielen dus wel letterlijk en figuurlijk in het water.
Ik voelde mij sowieso al niet al te best. De eenzaamheid begon zijn tol te eisen en ik had mij niet zo alleen gevoeld sinds Australië 2003. Maar er was weinig aan te doen. Wat kon ik er aan doen? Ik bracht de ochtend door met koffie drinken en paste mijn weblog aan op kleine dingen. Steeds uit het raam kijkend of het weer wilde veranderen.
Om twaalf uur zag ik eindelijk langzaam een droge streep op de straat verschijnen. Het was nu te laat om nog naar het park te gaan, een gewone wandeling zou genoeg zijn voor deze middag. Er zat nog een track in mijn GPS die ik niet had gelopen, er waren nog twee bezienswaardigheden die ik eerder had gemist in Jongju. Ik kleedde mij snel aan en met goede moed vertrok ik in de koele vochtige middaglucht Nog geen twee kilometer van huis voelde ik de eerste druppels regen alweer in mijn gezicht. De lucht was muisgrijs en het leek dat de bergen aan de horizon langzaam verdwenen. Alles wees op een terugkeer van de regen en een terugkeer naar mijn hotel.
Daar zat ik dan weer, ruim een uurtje later dan ik was vertrokken, in mijn hotelkamer. Mijn plan om nog een tussenstop te maken was nu ook in het water gevallen. Dan morgen maar naar de paardenoren! Lekker uitrusten en TV kijken.

Jinan (Jongju), 15/06/2007

Deze ochtend was het een genot om een droge weg te zien, het was wel zwaar bewolkt maar het was toch een genot. De sandwiches uit de koelkast kwamen op temperatuur terwijl ik onder de douche stond. Koffie was in de ban sinds mijn laatste problemen met de stoelgang, Cola One was de nieuwe drank.
Binnen een half uur zat ik alweer in de bus richting “Jinan”. Mijn eerste fout voor vandaag was alweer ontdekt. Ik had mijn bananen op mijn bed laten liggen, dom, dom, dom! Nou ja, dan probeer ik maar wat te eten te vinden in het “Mt. Maisan NP”.
De busreis was maar de helft van de tijd die door de LP vermeld was, maar mijn LP is dan ook al drie jaar oud ;). De overstap naar de bus die naar de ingang van het park ging was ook een vloeiende beweging. Mijn tweede fout kwam nu aan het licht. Ik was iets te optimistisch geweest over het weer en ik had dus mijn fleece niet meegenomen. Daar stond ik dan voor een rij gesloten winkels aan de voet van de bergen. Een koude wind blazend in mijn rug die de moed mij in de schoenen deed zakken. Ik speelde voor een moment met het idee om terug te keren en alles maar te laten zoals het was. Het waren de restjes van mijn kleine depressie gisteren.
Kom op, we gaan er tegen aan! En dat deden we dan ook. De klim begon langzaam maar werd steiler naarmate ik bij de kloof tussen de twee bergen kwam. De kassa was open en ik betaalde netjes mijn bijdrage voor het onderhoud van het park. 2000 won, een koopje. De eerste klim was een trap die mij tot een respectabele hoogte binnen de kloof bracht. Eenmaal net over de top en uit de wind had ik iets nodig om mij op te warmen. Koffie!!!! En ik had er zin in na twee dagen. Een dubbele zwarte koffie smaakte uitstekend en warmde mij een beetje op. En, ik zat bij de eerste tempel van de dag. Tempels, Buddha’s en waterbronnen, met een genezende werking natuurlijk.
De afdaling was aangenaam, ik warmde mijzelf langzaam op met de wandeling en het alleen lopen in de bossen had ook een positieve invloed op mijn gemoedstoestand. Daar stond ik dan oog in oog met het eigenlijke doel van deze dagtocht, de “ Stone Pagoda’s of Mt. Maisan”. Gebouwd in een periode die meer dan dertig jaar heeft geduurd door een monnik die hier heeft geleefd om zijn diepere bewustzijn te ontdekken. De meeste zijn gebouwd met stenen uit de buurt maar er zijn er ook bij die met stenen zijn gebouwd vanuit heel Korea. Dit om de stroom van energie in balans te houden. Het was nog steeds erg rustig, ik had misschien zes Koreanen gezien in het laatste uur.
Alles ging op rolletjes en ik liep zelfs in mijzelf te zingen. Nu werd het tijd voor mijn tweede doel van de dag, een wandeling van een uur of drie over de bergtoppen met mooie vergezichten over het berglandschap en op de twee paardenoren. Op zoek naar het begin hoorde ik in de verte een monnik zingen en natuurlijk werd ik aangetrokken door dit onverwachte zingen.

Na een bocht in de weg kreeg ik een tempel te zien die zeer eigenaardig was. Hij was van onder tot boven goudkleurig geschilderd. Dit had ik nog nooit gezien, en het zingen kwam uit deze tempel. Schoorvoetend ging ik op de tempel af om te kijken wat er aan de hand was. Eenmaal dichterbij gekomen zag ik binnen in de tempel mensen bewegen. Er was een ceremonie aan de gang in de “Geumdangsa” tempel. Zonder mijn schoenen uit te trekken ging ik op de drempel zitten en keek naar het schouwspel dat zich binnen afspeelde. Er werd gebeden gevolgd door een gesprek, of misschien wel een debat, tussen de monnik en de gelovigen. Natuurlijk sprong ik ook in het oog en toen er iets werd uitgedeeld deelde ik mee. Ik had geen idee wat het was maar ik bedankte de hulpmonnik en de hoofdmonnik symbolisch met samengevoegde handen en een diepe buiging.
Met mijn cadeau in de hand verliet drie kwartier later de tempelgrond mezelf afvragend of ik misschien geld had moeten schenken aan de tempel. Ik had wel een idee wat het was en later bleek dat ik gelijk had. Jullie krijgen het later wel te zien als weer veilig thuis ben.
En daar stond ik dan voor de wegwijzer die de verschillende paden aangaf in vloeiend Koreaans. Nu, ik had een kaart in het Engels en daar stond geen letter Koreaans op. Normaal had ik de symbolen kunnen vergelijken maar nu vroeg ik de weg aan een groep oude mannetjes die toevallig passeerden en heel geïnteresseerd waren in zo’n lange blonde buitenlander. Niet echt veel wijzer zag ik de groep in de verte verdwijnen. Ik bestudeerde de kaart nog een keer en kwam tot de conclusie dat het waarschijnlijk wel goed zat. Het gemakkelijke van deze trek was dat als ik eenmaal boven op de bergkam was zou ik rechtsaf slaan en daarna was het alleen maar rechtdoor.
Al fluitend liep ik het langzaam stijgende pad op. Het klimmen werd zwaarder en het pad steeds smaller. Hier kreeg ik onverwachts hulp van gekleurde vaantjes die door anderen waren achter gelaten. Het leek dat ik op het pad van de rode vaantjes was. Het was een mooie wandeling met heel weinig tegenliggers, het leek wel dat ik alleen op pad was. Er zaten een paar stevige klimmen in die mij naar ruim 520 meter brachten. Ik voelde de kou niet meer, de zon kwam af en toe door de wolken en warmde de lucht snel op. Slokje voor slokje ging ik door mijn drinkwater en vervloekte mezelf dat ik de bananen was vergeten. Er werd nu gezocht naar brandstof in alle hoeken en gaten van mijn lichaam. Er was niets meer, ik was leeg. Dit maakte dat ik binnen tien minuten een hongergevoel ontwikkelde en mijn maag begon te knorren. Ik probeerde de honger met water te stillen en dat lukte gedeeltelijk. Ik klom en ik daalde herhaaldelijk, steeds mijn GPS raadplegend of ik wel in de juiste richting ging. Plotseling stond ik voor een klim waar ik een afdaling had verwacht. Dit was een dilemma. Had ik een afslag gemist? Ik bestudeerde de kaart nog eens, ik zag nog steeds rode vaantjes. Nee, het was goed. Dan nog maar een klim met mijn lege vermoeide lichaam.
Uiteindelijk kwam ik weer beneden bij de stenen pagoda’s in plaats van de parkeerplaats. Ik moest wat eten en gelukkig waren er nu ook wat winkels open. Een gevulde chocolade reep, ik kon mij niet herinneren wanneer de laatste had gekocht. 500 won, een koopje. Hij smaakte mij zo goed dat toen ik hem nog niet voor de helft op had de tweede alweer had gekocht. De krachten vloeide weer terug in mijn lichaam en ik maakte mij op voor de klim door de kloof. Precies op de plaats waar ik op de heenweg koffie had gedronken kocht ik opnieuw een kop koffie en genoot van de omgeving. Bij de parkeerplaats zag ik dat het pad dat ik niet kon vinden was afgesloten voor onderhoud, het had dus niet aan mij gelegen.
Drie kilometer tot aan de bushalte stond er op het scherm van de GPS. Lekker even de spieren leeg en los lopen! De bus arriveerde precies op hetzelfde moment als ik. De chauffeur was zo vriendelijk om even te wachten terwijl ik snel een kaartje kocht.
Uit het raam kijkend naar de bergen die langzaam voorbij gleden analyseerde ik de dag die achter mij lag. De conclusies waren simpel. Ik zou een tweede rugzak kopen voor die korte tochten en ik wist wat een mooi tweede souvenir uit Korea is voor mijzelf zou kopen.
In beide ben ik geslaagd en ik ben nu de trotse eigenaar van een nieuwe “Cerro Torre Ocelot 35” rugzak. 25% kleiner dan mijn “Delta 47”. En het antwoord op de vraag, “Wat is de volgende tussenstop?”. Geen! Morgen stap ik op de bus terug naar Seoul waar ik nog wat ga lopen en het één en ander bezoeken. De laatste week ik aangebroken en ik ga er een mooi einde aan maken.
Copyright/Disclaimer