dinsdag 17 juli 2007

Maleisië: Sabah, op weg naar de mensapen

De grote gele bus

Sandakan (City View Hotel), dinsdag 17 juli 2007

Om iets voor negen vangen we de reis naar Sandakan aan. Ik wil hier niet langer blijven omdat ik de beklimming van de Kota Kinabalu tot het einde wil bewaren. Er is op dit moment weinig meer over van de oorspronkelijke doelen die we aan het begin van deze reis hadden. We moeten de laatste twee weken op Borneo gewoon volmaken met lokale attracties.
De grote gele bus De busreis naar Sandakan verloopt zonder problemen en hoogtepunten. Met een uitzicht van dichte jungle en eindeloze palmolieplantages vullen de heuvels tot aan de horizon. Tijdens het passeren van Mt Kinabalu is de top in dikke wolken gehuld. Ik mag de heilige berg zelfs niet eens zien. Het maakt dat ik me een beetje beter voel ondanks het feit dat ik nu wat het hoogtepunt van de reis had moeten worden in een grote gele bus voorbij rij. Dat was het dan voor de Mt Kinabalu, misschien volgend jaar beter.
Er is geen aanloop naar de stad aan de Oostkust van Sabah! Je valt met de deur in huis! Sandakan blijkt een dieptepunt in vergelijking met alles wat ik ooit in Maleisië heb gezien. Zelfs Kota Bharu is een bruisende stad vergeleken bij Sandakan. Het “City View Hotel” is wel een gelukje. Een mooi schoon goed onderhouden hotel met draadloos internet op de kamer.
Ik controleer meteen na aankomst mijn e-mail en er was een bericht van “Uncle Tan Jungle Tours”. Ze zitten helaas vol tot aan 22 juli. Dat is erg jammer want alleen op vrijdag beginnen is de enige mogelijkheid voor ons.
Ik wil na enkele uren niet drie hele dagen opgesloten zitten in deze troosteloze stad! Bij de receptie ligt gelukkig een boek over dagtrips die je rond Sandakan kan maken. Hier zit tot onze verbazing ook een jungle tocht bij.
Na een kort overleg met Tettje word de tocht door de jungle meteen geboekt en betaald. RM 399 per persoon (€ 110,-) voor drie dagen / twee nachten. Het is niet goedkoop maar de foto’s van de tocht door de jungle zien er aantrekkelijk uit!
Na een bordje gebakken rijst langs de straat zoeken we het bed op. Onze (reis)dag zit er op en morgen gaan we eerst naar een oorlogsmuseum.

maandag 16 juli 2007

Sabah, verkeerde timing

Kota Kinabalu, 16/07/2007

Ik snap nu nog niet dat ik naar die vent achter de receptie heb geluisterd. Bijna alles wat hij heeft gezegd was fout en ik ben zo dom om nog een keer naar hem te luisteren.
Net na half tien liepen we rustig naar het busstation om de bus naar Muara te nemen. Muara is de haven vanwaar de veerboten vertrekken naar Pulau Labuan. We zouden een dag en een nacht op het (belastingvrije) eiland blijven en dan de vroege boot naar Kota Kinabalu nemen. Het vinden van de bus naar Muara was geen probleem. Er stond al een bus klaar om te vertrekken maar volgens de chauffeur konden we beter wachten op de express bus naar de terminal. “Hoe laat gaat die express bus?”, vroeg ik. Een schouderophaal was zijn antwoord. Nu, dan vraag ik nog even aan een andere chauffeur en als ik geen bevredigend antwoord krijg, wat tot nu toe altijd het geval was in Brunei, dan gaan we met deze bus mee. Drie minuten later reden we met de gewone bus richting Muara.
Onderweg verbaasde ik mij wel over het armoedige uiterlijk van de kleine oliestaat. Was de sultan dan een beetje egoïstisch? Wilde hij zijn rijkdom niet delen met de gewone bevolking? Ik heb eens ergens gelezen dat hij meer dan 5500 auto’s bezit waarvan meer dan 350 Rolls Royces. Een beetje minder zou toch wel moeten kunnen! En dat terwijl bijna alles gratis is voor de lokale bevolking. Gratis scholen, gezondheidszorg, sportfaciliteiten en leningen voor populaire aankopen zoals huizen en auto’s. Tel daarbij nog eens op dat de inkomstenbelasting 0% is dan zou je toch anders verwachten.
Vanuit het centrum van Muara was het een paar kilometer lopen naar de steiger vanwaar de veerboten vertrokken. Dan moet dat maar. Het duurde gelukkig niet lang voordat een snorder (zwarte taxi) ons oppikte en voor twee Euro op onze bestemming afzette.
Nu ging het dus echt goed fout. De volgende veerboot naar het eiland bleek pas aan het einde van de middag vertrekken. Er was dus eigenlijk maar één andere optie. De speedboot naar Lawas aan de Sabah kant van Sarawak. Tijd voor overleg was er niet want het was druk en plaatsen werden snel gevuld. Ik betaalde voor ons twee de B$ 20 voor het kaartje naar Lawas en wij namen plaats in de wachtruimte bij de immigratiedienst. De stempels waren zo gezet en een klein gammel bootje, waarvan maar één buitenboordmotor werkte, bracht ons binnen een uur naar een klein haventje niet al te ver van Lawas.
Hier werden we als schapen naar een minibusje geleid dat de korte rit naar de immigratie zo snel mogelijk wilde afleggen. Goed door elkaar geschud lieten we onze paspoorten afstempelen en we waren op weg naar Lawas. Hier was het kiezen of delen. Een taxi, met het voordeel van de tijdwinst maar tegen een hogere prijs, of een gewone bus en dan zouden we niet verder dan Kota Kinabalu komen. Een nachtbus naar Sandakan zag ik niet zitten. Ik hou niet van nachtbussen en ik voel me altijd onveilig in die dingen. De broer van de chauffeur van de minibus kwam niet opdagen en het onderhandelen met de andere taxichauffeurs ging stroef. Zeker toen een Filippino, die had gevraagd of wij een taxi met hem wilden delen, zich bedacht en voor de gewone bus koos.
Nu was er rust! We wisten waar we aan toe waren en wat er zou gebeuren. De bus was goed genoeg en gelukkig hadden we twee stoelen per persoon kunnen bemachtigen. De grens van Sarawak naar Sabah hield nier meer in dan een extra stempel en met zo’n zestig kilometer per uur gemiddeld gingen we naar Kota Kinabalu.
Na hadden we eindelijk een beetje geluk. We stopten midden in de stad bij het oude busstation. Alle hotels lagen hier op loopafstand en een supermarkt zou ons van vers brood en vers beleg kunnen voorzien. Mijn voeten waren nog niet van de treedplank en we wisten ook al dat we hier kaartjes konden kopen naar Sandakan. Perfect!
Het Mandarin Hotel zou goed genoeg zijn voor één nacht, het was niet veel dan een hok in een oud gebouw voor RM 90. We hebben nog een paar biertjes gedronken bij een Chinees restaurant maar dat was pas nadat wij eerst een ander hotel hadden gezocht voor de laatste paar nachten in Kota kinabalu. Lekker luxe en rustig nagenieten aan het einde van de reis.
Morgen dus naar Sandakan dat ik mij kan herinneren van een TV serie uit de jaren zeventig.

zondag 15 juli 2007

Brunei, de verjaardag van de sultan

Bandar Seri Begawan, 15/07/2007

We waren al vroeg want zonder een koud biertje als slaapmutsje blijf ik maar tollen en draaien in mijn bed. Het brood op de kamer met een kopje koffie was ons goed bevallen. We deden rustig aan want we hadden eindelijk wat informatie gekregen over de tijden en de feestelijkheden.
s’Morgens zou de sultan naar het plaatselijke stadion gaan om de felicitaties van het volk en de strijdkrachten aan te nemen. Later die dag zou er een moskee bezoek volgen met een speciaal gebed dat rechtstreeks op de TV werd uitgezonden gevolgd door een galadiner met zijn gasten. De dag zou worden afgesloten met een groots vuurwerk. Volgens de man achter de receptie in het hotel.
Vanuit het raam van onze kamer zagen wij de drukte van de toeschouwers langzaam toenemen. Toen het erg druk werd was het tijd om zelf ook te gaan. We waren net op tijd! Tussen de scholieren die enthousiast met vlaggetjes zwaaide zagen wij de sultan in één van zijn Rolls Royces passeren. De foto’s zijn helaas mislukt. Wij waren enkele van de zeer weinig aanwezige buitenlanders. Het gevolg was dat wij de media aantrokken. Een kort interview voor een krant en een paar woorden voor de radio. Natuurlijk loofde ik Brunei, haar volk en haar vorst.
Een verslaggeefster vertelde ons dat het slim was om naar het kleine stadion te gaan. De sultan zou daar rondrijden in een open auto en wij zouden hem van heel dichtbij kunnen zien. Uiteindelijk viel het allemaal wel mee. Hij was verder dan 100 meter weg en het was dat wij wisten wie het was want wij hadden hem zeker niet herkend. De strijdkrachten opgesteld in drie peletons van erewachten marcheerden in een vreemde pas rond het veld. De sultan en zijn kabinet vertrokken weer in een stoet Rollsen en dat was het eerste onderdeel van zijn 61ste verjaardag. Voor de volgende twee onderdelen hadden wij geen uitnodiging ontvangen. Het vuurwerk was ook openbaar.
Het was dus al vroeg “einde oefening” en nu moest de rest van de dag worden ingevuld. De LP stond niet vol met dagtochtjes maar een bezoek aan “Tombe van Sultan Bolkiah”, die ergens in de vijftiende eeuw had geleefd, leek een mooie wandeling. Het zou een kilometer of acht zijn heen en weer en zo zou er weer twee uur vol zijn gemaakt in het niet erg opwindende Brunei. De wandeling was niet echt zwaar maar de warmte en het vals plat waren toch een addertje onder het gras. De tombe was eigenlijk best mooi en interessant. Gelegen in een park dat netjes was onderhouden omringt met magnolia’s. Kleine grafmonumenten omringde de grote tombe die wel wat invloeden vertoonde uit “Angkor Wat”. Misschien hadden die wel wat contact met elkaar?
Ik had voor Tettje nog een verrassing in Petto. We zouden nog gaan varen. Eenmaal het oerlelijke “Handnijverheid Gebouw” voorbij gekomen liepen we weer aan het water. Het duurde niet land en de eerste boten kwamen dichterbij. De bestuurders draaiden cirkels met de vingers, dat betekende: “Willen jullie ergens heen?” En ja, de prijs was zo gemaakt, B$ 10 per uur en als wij het goed naar ons zin hadden dan zou er een fooi bovenop komen.
De kapitein liet ons eerst het huis zien waar hij woonde in “Kampong A”, we vaarden verder langs scholen en huizen. Hier wonen bijna 40.000 mensen in huizen op palen boven het water. De stad zag er vanaf het water anders uit. Het leek niet eens een stad, het was meer een groot dorp met een enorme moskee. Na ruim een uur varen kwamen wij op de plaats waar ik om gevraagd had om uit te stappen. Een park aan het andere uiteinde van de stad.
Het park viel op door de moderne kunst, ik denk niet dat ook maar één persoon in BSB dit waardeert. Wij vonden het in ieder geval mooi. In een stevig tempo gingen we richting het hotel. Tettje had zin in het zwembad en ik wilde heerlijk in de koelte van de kamer slapen. We waren ondertussen aardig opgeknapt en onder het lopen besloten we om het nieuwe gebruik van het ontbijt op de kamer met nog een dag te verlengen. Dus gingen we nog één keer boodschappen doen in die enorme supermarkt onder het winkelcentrum.
Na een heerlijk rust verlieten we om half acht het hotel voor het vuurwerk, het zou erg spectaculair worden. Er was nog wel wat leven op straat maar echt druk was het niet. Ik vroeg eens rond wanneer en waar het vuurwerk zou zijn. De antwoorden liepen uiteen van acht uur tot elf uur maar niemand wist waar! We liepen nog een rondje en keken elkaar begrijpend aan. Het was al na tien uur en er was nog geen vuurpijl de lucht in gegaan.
Iets voor half elf ging het licht uit en wij hebben niets meer gehoord. Of er een vuurwerk was? Ik weet het echt niet, maar dat we blij zijn dat we naar Brunei zijn geweest? Ja, we weten nu dat we volgende keer meteen doorgaan naar de volgende bestemming. Morgen wordt een hele lange dag, we proberen in één ruk naar Sandakan te komen. Een reis van ruim 600 kilometer in dertien uur.

zaterdag 14 juli 2007

Brunei, ongekende luxe en ongekende stilte

Bandar Seri Begawan, 14/07/2007

Vandaag gaan we op weg naar één van de rijkste landen ter wereld. Brunei Darussalam, zoals het land officieel heet. Nu dat we het lopen en het trekking achter ons hebben gelaten maken we een alternatieve reis. De reden dat we nu gaan is dat we morgen, 15 juli, de verjaardag van “Sultan Hassanal Bolkiah” niet willen missen. Ik vraag mij af hoe een land de verjaardag viert van een staatshoofd die tot de rijkste mensen ter wereld behoort.
We vertrokken al vroeg uit het hotel om een bus naar de grens te nemen. We zouden eerst de mogelijkheden bekijken voor een minibus die rechtstreeks naar de hoofdstad van Brunei zou rijden. Dit zou wat extra kosten maar wel een stuk eenvoudiger zijn en twee keer overstappen besparen. Toen we plaats hadden gevonden voor een bankgebouw konden we geen minibusjes ontdekken. Dan maar verder naar het busstation. Ik had problemen met het plannen, dat was wel duidelijk. Mede omdat ik geen idee had wat ons te wachten stond en hoe druk het zou zijn in Brunei. We hadden weinig trek om een nacht door te brengen in een duur vijf sterren hotel als we niet op tijd Brunei aan de andere kant konden verlaten.
Tettje had mij een “carte blanche” gegeven om het vervoer te regelen. Daar stonden we dan bij het busstation omgeven door een horde taxichauffeurs die ons wel even naar Brunei zouden brengen voor RM 200. Één chauffeur sprong er een beetje uit. Ten eerste vroeg hij maar RM 50 per persoon maar we moesten wel tot negen uur wachten. Op het eerste gezicht vertrouwde ik het hele gebeuren niet zo. Ik weet wel, je moet je niet druk maken over berovingen en zo maar hier was er toch twijfel in geslopen. Nadat ik eerst nog het rooster van de bussen had gecontroleerd gaf ik toe aan de Chinees. We moesten wel tot negen uur wachten voordat we de andere twee passagiers konden ophalen. Maar dat was altijd nog beter dan tot tien uur wachten, dat was het tijdstip dat de grote bus zou vertrekken.
We pikten twee Maleisiërs op, die uit Kuala Lumpur kwamen en als dagtocht naar Brunei gingen, bij hun hotel. Daar gingen we dan met zijn vieren in een gewone personenauto op weg naar Brunei. Het was best een flinke rit, bijna 140 kilometer had ik uitgerekend. Onderweg was er niets te zien dan groen en meer groen. Over de grens veranderde het landschap een beetje. Meer jungle dan grond waar iets op werd verbouwd. Mijn achterdocht was ondertussen verdwenen en we spraken voluit over van alles en nog wat.
Omdat de twee anderen op dagtocht waren vroeg de chauffeur of we er problemen mee hadden om even te stoppen bij het duurste hotel ter wereld. Nee, geen probleem. Wij hadden dit hotel tenslotte ook op de lijst staan om te gaan bezichtigen als we in Brunei waren. We parkeerden in een ondergrondse parkeergarage en wandelde even later de grote ontvangsthal binnen. Vanaf de voorkant was het mij al tegen gevallen maar éénmaal binnen viel mijn mond open van verbazing. Het “Empire Hotel and Country Club” heeft ongeveer 1,1 miljard USD gekost, en het is te zien. Je hoeft geen econoom te zijn om te weten dat deze investering zich nooit terug zal verdienen.
Van het mooiste Italiaanse marmer tot kunstzinnig uitgesneden houtwerk. Volgens onze chauffeur gaven ze vaak grote kortingen op de standaard prijzen, alleen om maar wat extra klanten te krijgen. Het was gewoon ongelofelijk en niet in woorden uit te leggen.
Met een vlotte rit naar het centrum werden we netjes afgezet bij het hotel waarop onze eerste keuze was gevallen. Het “Terrace Hotel” ligt op loopafstand van het centrum en zat in een goede prijsklasse (B$ 65), maar wat belangrijker was dat het een zwembad en draadloos internet heeft. Tettje zou wel wat uurtjes aan het zwembad doorbrengen. We waren allebei wel nieuwsgierig naar dit onbekende land dat maar éénvijfde van Nederland groot is. We liepen meteen de stad in. Het was er stil, erg stil. De voorbereidingen voor het feest waren wel in volle gang. Er werden nog de laatste planten in perken geplaatst en een parkeerterrein werd vol gezet met marktkramen. Het centrum van Bandar Seri Begawan is erg klein. Ook hier is de stad met zijn vele buitenwijken verspreid over een groot gebied en er is zelfs aan de overkant van de rivier een complete stad op het water gebouwd waar een kleine 40.000 mensen wonen. Eerst eten, een moslim restaurant met mooi uitgestalde gerechten zou wel voldoen.
Ik bestelde een paar gerechten en wat te drinken voor ons tweeën. We waren zo aan eten toe dat ik helemaal vergeten was dat ik nog geen lokale valuta, de Brunei Dollar, in mijn zak had. Eerst maar alles opeten en dan kijken waar ik een ATM of een geldwisselaar kan vinden. De eigenaar gestoken in een witte jurk compleet met wit hoedje en grote zwarte baard moest er ook wel om lachen. Tien minuten later stond ik weer in het restaurant met het geld in mijn hand.
Langzaam zouden we nu richting het hotel lopen en wat gaan relaxen. Het was erg warm vandaag. Tettje verhuisde naar het zwembad en zelf bleef ik in de verkoelende airconditioning om wat zaken te regelen. Na een uur of twee kwam Tett weer terug met een wat een vreemd en onmogelijk verhaal leek. Tett was ziek geworden aan het zwembad en had stevig overgegeven. Het eten was de duidelijke oorzaak, Tett had nasi gegeten en zelf had ik bami op. Dat was het enige verschil en dat was dus hoogstwaarschijnlijk de oorzaak.
Omdat ik ook al een paar dagen niet lekker was zijn we naar een supermarkt gegaan en hebben “veilig voedsel” ingeslagen. Lekker, bruin brood met vleeswaar uit blik en jam. Vanaf vandaag doen we een beetje rustig aan met het exotische voedsel hier in Maleisië. Nog maar één keer per dag zullen we ons tot het Maleisische eten laten verleiden totdat alles weer OK is. De avondwandeling terug naar het hotel liet zien dat we hier weinig actie s’avonds konden verwachten. Alcohol is hier verboden bij de wet en alleen een groot winkelcentrum vlak bij de moskee was nog open. Een grote groep mensen had zich verzameld op de banken rond de fontein. Morgen staan we vroeg op want we willen de Sultan wel zien tijdens zijn rit door de stad.

vrijdag 13 juli 2007

Sarawak, Batu Niah

Miri, 13/07/2007

Eindelijk weer een actieve dag. Toen de wekker precies om zeven uur begon te piepen werd ik met een zwaar hoofd wakker. Ik liep naar dat verdomde ding te zoeken en had geen idee waar hij lag. Het was gisteren een gezellige avond geweest op het terras van het Chinese restaurant met een Australiër die we de avond daarvoor hadden ontmoet.
Maar dit was een andere dag en vandaag stond het “Batu Niah NP” op het programma. We werden langzaam wakker en de warme douche hielp mij zeker, Tettje voelde zich beter dan ik. Het ontbijt was nu anders dan gisteren. Ze wisselen de eieren, vandaag hadden we “Maleisische gekookte eieren”. Dit houd in dat ze zo zacht zijn gekookt dat je ze moet uitgieten in een kommetje, zout erbij en dan oplepelen. Je moet er van houden. Tettje probeerde er één en het werd niet goed genoeg bevonden voor een tweede. Tijdens het heen en weer geloop naar het buffet om de diverse onderdelen van het ontbijt en de koffie op te halen zag ik in de keuken achter het buffet een paar gebakken eieren. Met een brede glimlach sprak ik in pantomime, dus geruisloos, aan de andere kant van het glas “Satu Telor Goreng”. De kok lachte vriendelijk terug en vijf minuten later stond er een gebakken ei voor mijn neus. Dat was geluk. Ik werkte hem met plezier naar binnen samen met een paar gebakken knakworstjes en een kop koffie.
Ondertussen zou de taxi al voor ons klaar staan. Vandaag zouden we, bij hoge uitzondering, een taxi naar het park nemen. Het is met het openbaar vervoer te doen maar we zitten onder de € 35 per persoon na acht dagen dus een beetje luxe kan er wel van af. De taxi zou RM 200 kosten voor de dag, een kleine € 20 euro meer dan met de bus maar een hoop minder tijdverlies. De chauffeur was een vriendelijke lange Chinees die goed Engels sprak. Mocht je ooit in Miri komen en deze dagtocht willen doen bel dan, of vraag of iemand anders even belt, naar “Chai Chee Khiong – 0168739995”. Normaal beveel ik nooit personen aan maar deze is een uitzondering.
Het is ruim een uur rijden naar de ingang van het park dus vroeg op pad is belangrijk. We reden nog voor negen uur over de kustweg en zagen een paar van de gewaagde projecten van het stadsbestuur. “Miri” zou in de toekomst een resort stad moeten worden. De lange kustlijn met zijn zandstranden zouden toeristen moeten gaan trekken. Vanuit de auto zagen we al dat het weinig uit zou halen. Net als gisteren bij het museum zag hier ook alles er verlaten uit. Het verval had ook al toegeslagen, opgeteld bij de lege restaurants was dit geen plezierig gezicht. Ook de palmolieplantages die net buiten de stad begonnen voegen weinig aan het resort gevoel toe.
Het werd pas leuk toen we in de verte de kalkstenen bergrug zagen opdoemen. Dat was dus het park waarin zich de twee grotten bevonden. Deze grotten zijn wereldberoemd voor twee dingen. Ten eerste komen hier de beste vogelnestjes vandaan voor de soep en ten tweede zijn hier één van de oudste bewijzen gevonden voor begrafenisrituelen in de wereld. Hier is daarnaast ook nog de oudste homo sapiens gevonden op het eiland van Borneo. Je ziet dat het niet zomaar een groot gat in een berg is.
Bij aankomst schreven wij ons in en betaalde de RM 10 pp voor de toegang. Slim genoeg moet je ook nog overvaren voordat je op weg kan naar de grotten, kosten RM 1 pp. Nadat we een zaklantaarn hadden gehuurd bij het kleine museum, wij waren onze zaklantaarns natuurlijk vergeten, gingen we op weg naar de grotten. Werkzaamheden waren in volle gang aan de wandelpaden waardoor er een alternatieve route was uitgezet op de oerwoudbodem. Eigenwijs als ik ben kozen we voor de route over de werkzaamheden. Het viel eigenlijk allemaal wel mee. Een beetje klimmen en klauteren over planken en betonbalken. Hier en daar was de oorspronkelijke houten brug nog in gebruik en dat maakte het wel een beetje spannender.
We waren al een flink eind op weg toen het echt moeilijk werd. We waren al aardig geklommen en nu moesten we over betonbalken die uiteindelijk een trap zouden vormen. Hier kreeg ik dus van Tettje te horen dat hij hoogtevrees heeft. We gingen nu heel langzaam verder, heel voorzichtig klommen we over de hindernissen. Gelukkig was het zo voorbij en we betraden een grote overhangende rots. De ruimte eronder was al indrukwekkend genoeg op zich. Aan het einde van de enorme zaal zagen we trappen die verder omhoog leidde. Het gedeelte met de werkzaamheden lag nu achter ons.
Na een flinke partij traptreden kwamen we uiteindelijk in de “Great Cave”, een grot zo groot dat je er met gemak een Jumbojet in zou kunnen parkeren. Water druppelde van het plafond naar beneden en overal hingen de palen aan het plafond die de mensen gebruiken om bij de nesten van de zwaluwen te komen. Een hoog lang gaashek beschermde het gedeelte van de vloer waar de opgravingen werden verricht. Voor ons was hier weinig te zien. We gingen op weg richting de duisternis. Eerst was er nog een zaal met natuurlijke verlichting. Door een groot gat in het plafond viel het licht van de zon op de vloer van de grot. Licht is leven en zo ook hier, een weelderige combinatie van mossen en varens leefden in de luxe van het zonlicht.
Verder in de grot was het donker, aardedonker. De zaklantaarn ging aan en het licht hielp ons de weg te vinden over de gladde planken van de loopbrug. Nu was er echt niets meer in de grot te zien. Hier en daar hing een vleermuis aan het plafond maar dat was alles. Het duurde niet lang, de grot is ongeveer 650 meter lang, zagen we weer daglicht in de verte. Bij de opening van de grot stonden wat bankjes, daar “namen we er even vijf”, zoals wij de pauzes tijdens het lopen nu noemen. Een groep schoolkinderen uit Wales passeerden ons en niet veel later gingen wij ook richting de “Painted Cave”. Lang geleden stonden hier muurschilderingen die met de begrafenisrituelen te maken hadden. De lichamen werden begraven in kleine bootjes gemaakt van kokospalmhout die de overleden naar het hiernamaals moesten vervoeren. Later ging dit over in zittende lichamen die in grote potten werden begraven. De schilderingen zijn in het kleine museum nog te zien. De originelen zijn nu helaas bijna helemaal vervaagd.
We gingen weer op weg naar de ingang van het park. Nu ontstond een probleem. Tettje zag het niet zo zitten om die klim omgekeerd opnieuw te maken. De andere optie was een wandeling van ruim een kilometer over de bodem van het oerwoud. We waren gewaarschuwd door de medewerkers van het park bij de ingang over de modder en ook twee Franse jongens die net arriveerden wisten ons in geuren en kleuren te vertellen over de moeilijke tocht. Het was Tett zijn keuze, het maakte mij niets uit. Uiteindelijk koos Tett voor de tocht door de modder.
Het begon vrij gemakkelijk maar het duurde niet al te lang of we kwamen aan bij een gebied waar de bodem zo zacht was als een moeras. Tett liep nu voorop en volgde zo goed mogelijk het spoor rode verf dat op de bomen was achtergelaten als markering voor het pad. Het duurde niet lang of de eerste misstap was gezet en Tett zijn benen verdwenen tot aan zijn enkels in de zachte vochtige modder. Twee stappen verder schepte hij één van zijn schoenen vol. Ik kon niet meer van het lachen. Zelf had ik tot nu toe weinig schade opgelopen. Nu Tettje zijn schoenen eenmaal helemaal onder de modder zaten maakte het voor hem weinig meer uit. Hij liep in bijna een rechte lijn door het oerwoud. Ik probeerde zoveel mogelijk een gemakkelijke weg te volgen en zo droog mogelijk te blijven. Na een kilometer door de modder arriveerden we weer bij de houten loopbrug en we namen de schade op. Tett kon wel een goede wasbeurt gebruiken en mijn schoenen waren niet eens nat.
De tijd was voorbij gevlogen en wij hadden sinds het ontbijt niets meer gegeten. Er bevond zich volgens de kaart nog een longhouse een paar honderd meter verderop. Proberen was mijn motto dus gingen we nog even iets verder het park in, maar nu wel over de loopbrug. Achter Tett aan lopend schoot ik zo nu en dan wel even in de lach als ik Tett zijn schoenen en benen zag. Vanuit de verte zag ik een satellietschotel op het dak van de longhouse, dus niet zo authentiek als we hadden gedacht! Snel omdraaien en een koud colaatje kopen bij de dames met de souvenirs. De cola bracht mijn suikerspiegel weer op peil en mijn darmen in beweging. Het zou er dan toch van komen. Een junglepoep maar helaas wel op een drukke plaats.
Voldaan legden we de laatste anderhalve kilometer af naar de ingang van het park. Het kleine museum werd niet overgeslagen door mij, Tettje bleef buiten want hij wilde zijn schoenen niet uittrekken. En dat leek mij ook een goed idee. Om iets over drie stonden we weer naast de taxi. Het was een mooie en interessante dag geweest. We hadden gelachen en nieuwe ervaringen gedeeld. Vanavond drinken we nog een paar biertjes en morgen op weg naar een verjaardag.

donderdag 12 juli 2007

Sarawak, Miri een drama

Miri, 12/07/2007

Het was weer om zeven uur op zoals gewoonlijk, maar deze keer bleven we lekker lang liggen. Na een goede nacht slaap wilden wij de toch de verrassing van het ontbijt, inclusief, niet missen. Er was om half tien niet veel meer over maar gelukkig werd het meteen weer aangevuld toen wij in de “coffie room” arriveerden. Roereieren en gebakken knakworstjes, van kip natuurlijk. Hier is alles halal, zelfs in de Chinese hotels.
Het smaakte mij niet slecht maar Tettje had iets meer moeite met het ontbijt. De melk zat verstopt in een theepot en het vruchtensap smaakte naar echt slechte aanmaaklimonade. Maar ja, wat kan je verwachten voor die prijs (RM 100)? De LP was bestudeerd en er stond bar weinig op het programma. Er zou een petroleum museum worden bezocht en een, de zoveelste, Chinese tempel. Natuurlijk zouden we eerst weer de lokale markt bezoeken. We moesten ook even op pad om te weten te komen hoe we in het “Batu Niah NP” konden komen.
Daar gingen we dan, het was al na half elf en dat was laat voor ons. We slenterden langzaam door Miri. Het was allemaal eentonig, Maleisië is nu eenmaal een land met erg weinig oude gebouwen of bezienswaardigheden. Hier in Sabah/Sarawak is het natuurschoon de grootste bezienswaardigheid. Voordat we op de markt belanden vroeg ik eerst in een reisbureau wat een trip naar de grotten moest kosten. Het antwoord was een complete verrassing. Voor de voordeelprijs van RM 280 per persoon. Dat bracht een uitdrukking van ongeloof en een brede glimlach op mijn gezicht. De verkoper zag meteen dat hij mis zat. De opmerking dat wij wegens de enorme drukte wel voor RM 250 per persoon konden bracht een nog bredere glimlach op mijn gezicht. Als wij het zelf zouden ondernemen kwamen we ten hoogste uit op RM 50 per persoon. Laat maar, ik had mijn buik alweer vol van die toeristenvallen voor vandaag.
We slenterden wat over de markt en keken naar de kleine visjes die overal op grote hopen lagen. “Hier wordt erg weinig teruggegooid”, zei ik nog tegen Tettje. Om de hoek achter de kramen was het interessanter! We zagen een grote groep mannen dicht opeengepakt om een tafel staan. We slopen langzaam dichterbij om te kijken wat er aan de hand was. Ze waren aan het gokken! Er lag een enorm bedrag aan papiergeld op een lap stof die verdeeld was in zes vlakken. In die vlakken stonden afbeeldingen van een tijger, kip, hert, krab, vis en een garnaal. Het was mij een beetje onduidelijk wat de bedoeling was. Verschillende handen verplaatsten of namen geld weg. Anderen legden weer geld erbij en er werd elke keer met een paar vingers op een omgekeerd metalen schaaltje op de tafel getikt. Toen het schaaltje werd opgetild begreep wat er aan de hand was. Van onder het schaaltje verschenen drie dobbelstenen met dezelfde symbolen als op de lap stof. De verliezers werden van de lap stof genomen en de winnaars werden uitbetaald. Geen foto’s, want gokken is hier ten strengste verboden.
Het petroleum museum bevond zich boven op een heuvel en dat zou een stevige wandeling zijn, grapje. Een beetje vals plat bedoel ik. Op de heuvel, “Canada Hill”, zou zich ook de eerste oliebron van Maleisië bevinden. Die bron wordt ook wel de “Grand Old Lady” genoemd. Het moderne gebouw waarin het museum is gevestigd stak schril af tegen de andere gebouwen in Miri. Miri was ook de minst vriendelijke stad in Sarawak tot nu toe. Hier waren ook de grootste plannen van het gemeentebestuur zichtbaar. Helaas was al erg snel het verval al ingezet en de kleine restaurants al gesloten. Het zou best wel een leuk punt kunnen zijn s’avonds als er een lichte verkoelende bries waait. Het museum was van binnen koel en dat werd door ons na de klimming als zeer aangenaam ervaren. De expositie was een uiting van reclame naar de Koninklijke Shell en de heilige olie. De inkomstenbron die Maleisië heel goed uitkomt, de staat Sarawak krijgt maar een klein gedeelte van de opbrengst. Het enige dat te pruimen was stond in een kleine zaal achter de informatiebalie. Een expositie over kunstmatige schoonheid in verschillende culturen. Van het voetbinden uit China tot de tatoeages uit Borneo zelf. Een beetje lip en oorlel oprekken als toetje met leuke foto’s over deze onderwerpen. Binnen drie kwartier stonden we weer buiten, elkaar begrijpend aankijkend op een lege parkeerplaats.
De Chinese tempel was het laatste wat we zouden (be)zoeken. Ik wist namelijk niet precies waar hij stond en een onduidelijke aanwijzing was onze enige houwvast. We zijn er nooit gekomen! Er hing regen in de lucht en er waren grote problemen in mijn buik. Met haast werd halverwege rechtomkeer gemaakt maar het was al te laat. Een benzinestation zou redding moeten brengen maar wat daar in het toilet gebeurde hoort niet op een weblog thuis. Gehavend kwamen we uiteindelijk met een taxi terug in het hotel. Ik was er zo slecht aan toe dat ik de hotelkamer die middag niet meer verlaten. Ondertussen was het ook nog gaan regenen en dat veroorzaakte dat de moraal tot onder het minpunt zakte.
Bij de receptie had ik al geïnformeerd wat een taxi naar het park zou kosten. Ongeveer RM 200 was het antwoord, wij waren nu al zover dat we een gemakkelijke dag wilden. Bestel er maar één en dan horen we het wel. Om half negen bij de ingang graag? Ik was helemaal leeg toen we gingen eten en een biertje drinken. We dronken iets te veel want het was te gezellig en Ryan was ook weer verschenen. Morgen dus met de taxi naar de grotten.

woensdag 11 juli 2007

Sarawak, een lange zit naar Miri

Miri, 11/07/2007

Het was onvermijdelijk dus klagen had geen zin. We moesten terug over de rivier zoals we waren gekomen. Zes uur stonden we naast het bed en een kwartier later wekten we de nachtwacht van het hotel die op de bank in de receptie lag te slapen. Slaapdronken opende hij de deur zodat we wat konden gaan eten. De twee toast met “butter and jam” vielen nu niet zo goed. Het was te zoet en dat kan ik nu eenmaal moeilijk weg krijgen als ik net wakker ben. Ik doopte met wanhoop mijn eerste helft van de toast nu maar in de sterke koffie om wat van de smaak weg te nemen. Het werd iets beter maar het bleef maar bij één helft. Met de mogelijkheid van een laatste toiletstop opengelaten hadden wij de rugzakken nog in de kamer laten staan. Eenmaal op weg was de mogelijkheid voor een normaal toilet voorgoed verkeken.
Er hing een dichte mist over de jungle toen we bij de aanlegsteiger arriveerden. De eerste boot naar Sibu zou over een kwartier vertrekken, we zochten opnieuw een plaatsje boven op de boot. De romp was nat, de combinatie van de airconditioning binnen en de vochtige warme lucht buiten. Het bekende ritueel van het blazen van de toeters en even later waren we op weg. Het was koud boven op de boot, maar het was waarschijnlijk nog kouder binnen in. We verplaatsten ons bij de eerste stop naar een plaats waar we iets minder wind zouden vangen, het verschil in temperatuur was minimaal. De lucht veranderde van een even staalgrijs naar grijs met gaten van blauw. Waar de zon eindelijk door de wolken kwam werden we beetje bij beetje opgewarmd. Het was niet aangenaam maar het moest gewoon gebeuren. We spraken ook niet veel met elkaar. Het was gewoon uitzitten.
Na ruim twee uur kwam Sibu in zicht en wij waren blij dat we mooi op tijd in de stad waren. We liepen de bootterminal uit op weg naar een bus die ons naar het express busstation zou brengen. Een behulpzame man plaatste ons op een bank en zei dat we op bus 21 moesten wachten. Mijn GPS vertoonde ondertussen geen kaarten meer, ik vroeg mij af wat er gebeurd zou kunnen zijn. Het belangrijkste was dat mijn reserve geheugenkaart wel werkte. We zaten nu al 25 minuten te wachten en ik begon nerveus te worden. Het was al over tien uur en er was nog geen bus. Met de minuut werd ik nerveuzer en ik vond dat het tijd werd om nog maar eens rond te vragen. Elk dorp heeft er één zeg ik altijd, een dorpsgek. Maar het klopte, wachten op bus 21 en die zou hier verschijnen. Om iets over half elf werd ik verlost van mijn twijfels. Het bleek dat we de vorige bus op een paar minuten na hadden gemist. Dat was jammer.
In het express busstation hadden we wat meer geluk. De bus zou binnen een kwartier vertrekken naar Miri. Ik had nog met het idee gespeeld om een nacht in Bintulu te blijven maar na alles te hebben te overwogen was Miri toch de beste bestemming. Stoel 19 en 20 was er op de kaartjes gedrukt en ik had al een voorgevoel dat deze bus niet vol zou vertrekken. Misschien zou hij onderweg nog meer passagiers oppikken maar voor nu was het leeg achter ons. Ik vroeg Tettje om naar de twee lege stoelen naast ons te verhuizen. Daar zaten we dan, twee stoelen per persoon en genoeg ruimte voor onszelf en onze rugzakken. We waren op weg naar Miri.
De reis was eentonig, jungle, heuvels en palmolieplantages. De tijd kroop langzaam vooruit en elke keer als ik op mijn GPS keek zag ik dat er wat kilometers van het totaal waren afgeknaagd. Af en toe stopte de bus voor een korte pauze en ik kocht steeds wat te drinken en te eten voor ons. Tettje begon nu ook de gestoomde broodjes lekker te vinden en wij lieten die ons dan ook goed smaken.
Tijdens de laatste stop, ruim honderd kilometer voor Miri, pikte de bus de laaste passagiers op. Twee jongens die in Groningen studeerden gingen voor ons zitten en het gesprek versnelde de reis aanzienlijk. We wisselden wat tips uit over Thailand en de “Batu Niah”, grotten die de jongens die dag hadden bezocht. Bij aankomst in Miri bleek weer eens hoe ver die verdomde busstations buiten de stad liggen. Je moet gewoon een taxi nemen om in de stad te komen. De laatste taxi was gekaapt door de Hollanders terwijl wij in het toilet waren. Een jonge “snorder” bracht ons naar het “Pacific Oriënt Hotel”. Onze eerste keuze uit de LP. En dit hotel had wel heel slecht moeten zijn hadden we hier nog weggelopen. We waren tenslotte bijna dertien uur onderweg geweest vandaag.
Waar we nu zin in hadden was een warme maaltijd en een koude fles bier. Op nog geen vijftig meter afstand van de deur van het hotel was een chinees restaurant. Twee bami goreng met gebakken groente en citroenkip. Met twee lauwe flessen Tsingtao bier, maar dat kon me geen moer schelen. We aten en dronken en spraken wat met Ryan, een rauwe Australiër die ook een beetje aan het rondreizen was. Maar wel op een andere manier, met een huurauto namelijk. We waren vol en moe, slapen zou geen probleem zijn en dan morgen eens kijken wat Miri te bieden heeft.

dinsdag 10 juli 2007

Sarawak, geen water en geen longhouse

Kapit, 10/07/2007

We waren dus om zeven uur scherp uit bed zoals afgesproken. Na een droge avond ben je natuurlijk heerlijk fris en scherp. Ik had zelf een goed gevoel en ik dacht dat de we echt naar een longhouse zouden gaan aan het einde van de middag.
Binnen twintig minuten verlieten wij de kamer en liepen langzaam de ongelukkig gevormde trap af. De gids was niet aanwezig. Dat kon gebeuren en misschien zou hij er wel zijn als wij terug kwamen van de markt. Tegenover het hotel was de beste plaats voor een ontbijt volgens de LP. Het was inderdaad wel een verrassing. De twee boterhammen met butter en jam werden door de ober geroosterd en besmeerd naar zijn idee. Op een schoteltje werden ze netjes doormidden gesneden geserveerd. Samen met de twee koffie in van die grote mosterdpullen, ik herinner mij die uit mijn jeugd. Het smaakte niet slecht maar het smaakte niet naar meer.
Een half uurtje later gingen we richting de lokale markt op zoek naar de lokale bevolking die hier zijn handel komt verkopen. Maar wat eerst belangrijker was dat we wisten hoe we in Belaga konden komen. We liepen dus eerst naar de aanlegsteiger vanwaar de boten vertrokken naar de bestemmingen meer stroomopwaarts. Het was er erg druk en er stonden dikke rijen mensen met manden vol om aan boort van de boten te gaan. Heerlijk Maleisië, waar veel mensen goed Engels spreken. Het antwoord op mijn vragen was minder leuk. Ik raakte in gesprek met een kleine getatoeëerde man die mijn vragen allemaal wist te beantwoorden. De veerboten naar Belaga waren vier dagen geleden gestaakt wegens een tekort aan water, de stroomversnellingen konden niet meer worden genomen. Ook de kleinere speedboten namen geen risico meer. Daar stonden we dan, de plannen moesten opnieuw worden gewijzigd.
Laten we maar naar de markt gaan. Daar was het dus erg druk maar van de vele bezoekers was de groep van de Maleisische bevolking het grootst. Er was weinig van de longhouse volkeren te zien. We liepen wat rond en zochten naar wat nieuws, dat was dun gezaaid. Een verkoper van vis stond een grote meerval schoon te maken en wat opviel was de grote hoop hard vet dat hij uit de buikholte van de vis schraapte. Dat was nieuw en dat moest dan ook onderzocht worden. Het vet scheen normaal te zijn en ook veel toepassingen te hebben. Van braadvet tot en met aas voor andere vissen, het is maar dat je het weet. Het was net na half tien en we waren al bijna klaar voor de dag. We keken elkaar aan en dachten hetzelfde. Lekker even terug naar de kamer in de koele airconditioning. Het werd al aardig warm. De gids was nog steeds niet te vinden. Ik begon nu de eerste twijfels te krijgen. Zouden we nog longhouses te zien krijgen?
Anderhalf uur later toen we weer de trap af kwamen zat de gids, Joshua, in de receptie van het hotel. Een zachte “goodmorning” was zijn begroeting en daar bleef het bij. Hij reageerde niet eens op de dagtocht die we hadden besproken en dat was dus het einde van de mogelijke dagtocht naar de longhouses. Het was niet eens elf uur en onze doelen waren als luchtbellen uit elkaar gespat. Laten we eerst maar het “Fort Sylvia” gaan bezoeken en dan onze nieuwe plannen gaan bespreken.
Het fort bleek eigenlijk best wel de moeite waard, het herbergt een klein museum gewijd aan “Tun Jugah”. Een strijder van de Iban stam die veel heeft betekend voor de lokale bevolking en Sarawak in het algemeen. De medewerkers/vrijwilligers spreken dan ook niets als goeds over hem. Bij terugkomst in het hotel was Joshua verdwenen en daarmee ook mijn hoop voor een bootreis naar een longhouse. Dat was het dan voor vandaag.
Na twee uurtjes rust in de verkoelende kamer gingen we nog één keer op pad om het rondje opnieuw te lopen, maar nu in omgekeerde volgorde. Tettje kreeg er nu ook meer zin in en wilde ook wel fit worden. Hij had nog steeds geen sigaret aangeraakt. De twee uurtjes heuvel op en heuvel af matte ons flink af. We aten al vroeg een paar sateetjes en dat was het voor de dag. Morgen gaan we gewoon weer terug naar Sibu en proberen in één ruk naar Miri te gaan. Dus dat wordt weer om zes uur op!

maandag 9 juli 2007

Sarawak, naar het hart van de jungle

Kapit, 09/07/2007

Nu we het nieuwe plan hadden gemaakt stonden we s’morgens klaar voor onze eerste bootreis. We gingen de “Batang Rajang” rivier op tot “Kapit”.
Ik had het idee dat dit wel eens het laatste normale ontbijt zou kunnen zijn voor de week en ik liet het mij extra goed smaken. Terwijl de tafel werd gedekt en de eerste drankjes werden geserveerd logde ik snel in om mijn laatste verhaal naar de weblog op te laden. Inclusief de foto’s. Deze kleine handeling neemt normaal gesproken toch nog wel een minuut of vijftien in beslag. Het is maar dat jullie het weten!
Onze darmen waren rustig en met een goed gevoel verlieten wij het hotel. Geen idee met welke boot en om hoe laat we zouden vertrekken. Het was eenvoudig genoeg, er is geen competitie dus neem je gewoon de eerstvolgende die vertrekt. In ons geval de boot van kwart voor tien. Nadrukkelijk vroeg ik of we boven op de boot mochten zitten. Het zijn namelijk van die gesloten stalen pijpen met een dicht bij het vriespunt opererende airconditioning. Enkele boten hebben ook niet van die relingen langs de bovenkant van de boot en dan glijd je er zo van af.
Onze boot was perfect en de bemanning adviseerde ons zelfs waar we het beste konden gaan zitten. Ruim twintig minuten voor vertrek hadden wij onze plaatsen al ingenomen. De bemanning lachend naar ons twee bovenop de boot. Die rare buitenlanders! Het zat wel erg hard maar we hadden goede plaatsen om het leven langs de rivier te bekijken en te fotograferen. Vlak voor het vertrek kondigde een oorverdovende toeter het op handen zijnde vertrek aan. Om de halve minuut werd de toeter tot leven gewekt voor een serie van korte stoten die de passagiers er op attent maakte dat de boot snel zou vertrekken. De loopplanken en aluminium trappen werden los gemaakt en daar gingen we voor de tweeëneenhalf uur durende tocht naar Kapit.
Nog geen twee minuten onderweg wisten we al dat we twee keuzes hadden. De pet op, en zeker verliezen, of de pet in de broekzak. Tettje koos voor de eerste en ik voor de tweede. Tettje verzon een constructie met een touw om zijn arm en door de opening van de pet aan de achterkant en die leek goed te werken. De GPS gaf aan dat we ruim vijftig kilometer per uur over de bruine rivier raasden. Een frisse bries door de haren.
Naargelang er meer tijd verstreek werd de rivier smaller en de bebouwing op de oevers minder. We waren nu echt in de jungle. Het is zeer moeilijk om te beschrijven wat we allemaal hebben gezien tijdens onze tocht. Halfnaakte vissers in kleine gammele bootjes en afgelegen kleine veldjes met groenten er op geplant. Een dichte groene ondoordringbare jungle afgelost door kampementen waar houthakkers leven en de boomstammen hoog opgestapeld liggen. Klaar om vervoerd te worden naar de houtzagerijen in Sibu en omgeving.
We waren erg nieuwsgierig naar wat ons te wachten stond in “Kapit”, een hoge mast van “Telecom Malaysia” die van ver al te zien was kondigde de stad aan. Op het eerste gezicht was het minder romantisch en ouderwets als ik verwacht had. We zagen een moderne stad met enorme glazen gebouwen en twee grote benzinestations annex supermarkten bij de aanlegsteigers. Het was anders dan we verwacht hadden maar het zou toch wel leuk worden. Het gehele centrum is kleiner dan dat van Zaltbommel dus we zouden niet verdwalen.
In het eerste de beste café dat we zagen wilden we eerst wat drinken en ik moest ook nog even kijken wat de LP schreef over de hotels. Normaal doe ik dat voordat we arriveren in een plaats maar met vijftig kilometer per uur boven op een boot is dat een beetje moeilijk. De ijsthee, RM 0,50, was nog niet geserveerd of de eerste gids nam al een strategische plaats in naast onze tafel.
In goed Engels begon hij een heel verhaal over longhouses en echte schedels. Oude en nieuwe longhouses, al dan niet met de boot of minibus te bezoeken. Over dagtochten en meerdaagse trips tot bijna in het Indonesische gedeelte van Borneo. Tijdens al zijn verhalen nodigde ik hem uit om aan tafel te komen zitten en nog wat meer te vertellen wat hij voor ons kon doen. Het viel mij meteen op dat hij altijd bedragen en tijden ontweek of onthield in zijn verhalen. Ik schoot de kogel door de kerk en vroeg hem recht op de man af, “en wat moet dat dan allemaal gaan kosten”? Met een glimlach van een smokkelaar en de koppen dichterbij elkaar alsof hij een groot geheim wilde vertellen onthulde hij de prijzen.
Ik schoot meteen in de lach en vertelde hem dat we hier waren om longhouses te bekijken en niet om ze te kopen. De prijzen die hij voor ogen had waren absurd, volgens de reisboeken dan. RM 200 per persoon voor een halve dagtrip. Prijzen tot RM 800 per persoon voor een tocht van drie dagen en twee nachten. Toen hij begreep dat we niet zo gemakkelijk te vangen waren draaide hij bij en opnieuw verschenen zijn rotte tanden tijdens een brede glimlach. Met de koppen opnieuw bij elkaar vertelde hij ons dat hij waarschijnlijk wel wat aan de prijs kon doen, hij kende wat mensen en hij zou wel informeren. Hij wist ons later wel te vinden.
Dat was inderdaad niet zo moeilijk in een plaats van deze omvang waar volgens mij nooit meer dan tien blanken tegelijk verblijven. Het hotel wat recht tegenover het Chinese Café, het “New Rejang Inn”. Geen vier sterren maar ik een uithoek als dit toch wel acceptabel. Zeker voor de RM 60 die ons per nacht werd gerekend.
We installeerde ons snel in de kamer en niet veel later liepen we weer de trap af naar de receptie om wat te gaan eten. De “gids” van enkele minuten geleden had zich op de sofa in de lounge van het hotel geïnstalleerd en deed net of hij erg druk was met zijn mobiele telefoon. Hij keek meteen op en zei, “ik ben er mee bezig, het zal misschien wel lukken maar het is erg moeilijk want het is erg druk”. “Erg druk, laat mij niet lachen”, grapte ik. “Volgens mij zijn we de enige buitenlanders in het dorp”, een zure lach op zijn gezicht brengend. Hij riep ons nog wat na maar de deur sloot zich voordat ik kon horen wat hij zei.
Eerst eten, een klein restaurant waar iedere stoel bezet was leek mij zeer geschikt. Voor Tettje een kip met rijst en voor mij een “Nasi Campur”, een rijst met wat bijgerechten. Natuurlijk met de ijsthee waarvan wij nu de smaak al te pakken hadden. Het smaakte ons uitstekend maar we zaten toch wat ongemakkelijk op onze stoelen te draaien.
Het dorp was zo verkend en één van de weinige attracties, het “Fort Sylvia”, kon alleen van de buitenkant worden bekeken. Gesloten op maandag, voor een moment dwaalden mijn gedachten naar Korea. Alweer een maand geleden en een totaal andere wereld. Zo, bijna twee uur en de ontdekkingsreis zat er op. Lekker terug naar de kamer en rusten in de airconditioning. De gids zat nog steeds op dezelfde plaats en was nog steeds druk, of deed alsof. Ik had zelf het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen, Tettje dacht er anders over.
Na een korte rust in de koelte van de kamer wilde ik toch nog wel wat bewegen en Tettje had er ook wel zin in, gewoon een stuk de wildernis inlopen en dan omdraaien en weer terug. Uiteindelijk liepen we een rondje van een kleine tien kilometer rond het dorp en we waren verbaasd over alle bouwactiviteit die er gaande was. Deze plaats was aan het bloeien en de vooruitgang was niet meer te stoppen. Bezweet en tevreden kwamen we terug bij het hotel. De gids was verdwenen en ik vroeg mij af of hij had opgegeven of dat hij andere slachtoffers had gevonden.
Het avondeten zouden we op de “Pasar Malam” nuttigen, de avondmarkt was de enige plaats met bedrijvigheid in de koele avondlucht. Een stilte en een mooie sterrenlucht hingen over een uitgestorven Kapit. Sateetjes en bami goreng voor ons beiden, aangevuld met meer ijsthee. Voldaan en gevuld liepen we rustig richting het hotel. Ik hoopte stilletjes dat de gids er zat met goed nieuws. Helaas was dat niet het geval. Zonder een biertje gedronken te hebben lagen we heel vroeg op bed. Op de kamer werd de oorzaak van ons vreemde gevoel gevonden. Wij waren verschrikkelijk verbrand in de zon en de wind. Rode bovenbenen en het leek net of we witte sokken aan hadden. Mijn voorhoofd had de kleur van een overrijpe tomaat en gloeide als een kampvuur. Het was nog net te dragen maar de komende dagen moeten we wel bescherming tegen de zon dragen. Morgen om zeven uur op. Ik heb geen idee wat er ons morgen te wachten staat.

zondag 8 juli 2007

Sarawak, een markt, een tempel en een museum

Sibu, 08/07/2007

Het éénpersoonsbed midden in de kamer was mij slecht bevallen, ik slaap nu eenmaal slecht in die smalle bedden. Ik ben altijd bang om er uit te vallen. Tettje had ook niet op zijn best geslapen maar we waren toch om zeven uur opgestaan. Één volle dag zouden we hier blijven, het volle schema liet niet meer toe en er was hier ook niet echt veel te zien. Opnieuw de twee eieren met toast en koffie voor het ontbijt. Dat zal overmorgen wel anders zijn in Kapit!
De zon stond aan de stralend blauwe hemel toen we het hotel verlieten op weg naar de markt. Eerst bekeek in nog de mogelijkheden om in Kapit te komen. Er stonden overal borden in de grote vertrekhal van de veerbootterminal. Zelden zat er meer dan vijftien minuten verschil in de vertrektijden. Zolang je maar voor tien uur hier was kon je zeker een boot naar Kapit vinden.
Het eerste wat we zouden bezoeken was een enorme overdekte markt, en om eerlijk te zijn kan ik mij niet herinneren dat ik zo’n grote markt gezien heb. Er was dan ook van alles te koop en er waren veel mooie indrukken hoe het er allemaal ver van de bewoonde wereld aan toe gaat. We hadden sinds Kuching ook geen blanke meer gezien.
Onze tweede stop was de “Tua Pek Kong tempel”, een Chinese tempel van ruim honderdvijftig jaar oud. De geschiedenis van Sibu en Sarawak gaat hand in hand met die van de Chinese immigranten. Maar vooral in Sibu is het zeer nadrukkelijk aanwezig. De tempel op zich is wel leuk maar niets bijzonders, een beklimming naar de top van de zeven verdiepingen tellende pagode is wel een belevenis. Mooie uitzichten op de rivier met al zijn activiteit.
Het was nu ook tijd voor een pau (gestoomd broodje) gevuld met kip als tussendoortje. Want we begonnen elkaar nu af te lossen op het toilet, en dan is het wel belangrijk dat je eet.
Een korte bustrip naar het “Civic Centre Museum” was het laatste op het programma. We zouden wel om een uur of één weer klaar zijn met het programma van de dag. Het Civic Centre is een klein maar toch wel leuk museum. We maakten de bewaker wakker want die was vast niet gewend aan bezoekers. Bang voor zijn baan benadrukte hij dat wij iets in het gastenboek moesten schrijven. En dat deden wij dan ook. Ik schreef netjes dat het “Een bijzonder mooi en interessant museum was”, nog voordat wij ook maar onderdeel van de uitgestalde attributen hadden gezien. Tijdens het schrijven was mij wel opgevallen dat er per dag zelden meer dan drie bezoekers waren, althans op de laatste pagina van het gastenboek. De bewaker las onmiddellijk wat ik had geschreven en al knikkend in zichzelf keurde hij waarschijnlijk mijn compliment goed. Het was toch wel interessant om te lezen over de geschiedenis van Sibu en de Chinese immigranten maar helaas had de grote verzameling aardewerk en porselein had niets met Sarawak te maken. Na een klein uurtje verlieten wij het museum en de bewaker kon weer gaan slapen.
Het was ongeveer vijf kilometer terug naar het hotel en ik wilde toch wel wandelen. Tettje was het hier mee eens en samen stapte we de kokend hete middagzon in. Ergens halverwege bracht een supermarkt even verkoeling, we zochten wat te eten en twee zakken chips was het beste wat we konden vinden. Het brood zag er hier niet erg uitnodigend uit.
Een uurtje uitrusten en dan nog een middagwandeling. Lekker even in de airconditioning en een keer of twee naar het toilet. Het was maar goed ook want we ontsnapte net aan de regen. Op de GPS liepen we nog een rondje van een kilometer of vijf, er is hier echt heel weinig te zien en ik vraag mij af wat we morgen allemaal gaan beleven.
Na de wandeling kozen we opnieuw voor Chinees en na de maaltijd was het tijd voor de Formule 1 race. Ik zet er niets voor aan de kant maar als ik de kans heb om te kijken als ik op reis ben neem ik die wel. Een paar biertjes en voor tien uur weer op bed. Morgen naar het hart van de jungle.

zaterdag 7 juli 2007

Sarawak, een boottocht naar Sibu

Sibu, 07/07/2007

De reisadviezen van de receptioniste in ons hotel was onze leidraad voor de tocht naar Sibu. Volgens haar zouden we zeker voor tien uur moeten vertrekken naar de pier. Het zou wel een uur kunnen duren voordat we daar zouden arriveren. Het verkeer was erg druk en grote verkeersopstoppingen waren gewoon. Na een ontbijt, waar we opnieuw de teleurstelling bespraken, stonden we netjes om kwart voor tien op de taxi te wachten.
Om iets over tien stonden we in de brandende zon op de aanlegsteiger vanwaar om kwart voor één de boot zou vertrekken. Ruim twee en een half uur moesten wij wachten. En er was helemaal niets te doen. De terminal was nog in aanbouw en de enige beschutting was een partytent ergens halverwege de aanlegsteiger. Er waren grote plannen want de steiger was geschikt voor auto’s.
Ik haalde mijn Lonely Planet tevoorschijn en ging eens goed bestuderen wat nu de mogelijkheden waren. We moesten deze vier weken toch wel volmaken. Mijn plan was steeds wandelen en trekking in Nationale Parken geweest en daardoor had ik niet echt de andere mogelijkheden onderzocht. Nu hier in de zon zou ik wel een nieuw programma in elkaar draaien dat voor ons beide geschikt was.

Uiteindelijk kwam ik met het volgende voorstel:
Eerst twee nachten in Sibu (een stad ik de jungle)
Met de boot naar Kapit (een dorp in de jungle, Iban longhouses)
Met de boot naar Belaga (stroomversnellingen, meer jungle en een stuwdam)
Met een 4WD naar Bintulu (nachtje slapen)
Met de bus naar Brunei (de verjaardag van de sultan)
Met de bus naar Kota Kinabalu
Met de bus naar Sepilok (orang oetang park)
Met de bus naar Sandakan (zeeschildpadden eilanden)
Met de bus naar Tawau
Met de 4WD naar Keningau
Met de trein naar Kota Kinabalu

Er zit hier nog wel wat lopen in maar niet echt veel en het hoofddoel in nu de veelbezochte plaatsen zoveel mogelijk ontwijken. Eindelijk was de boot daar en met een veel beter gevoel vertrokken we naar Sibu.
Het grootste gedeelte van de reis was saai. Rondom de boot was er een lege zee met het gebrul van de twee Mitsubishi diesels op de achtergrond. Bij landval werd het allemaal pas echt interessant. Groene jungle aan beide zijden van een brede bruine rivier, hier en daar platgeslagen voor een grote houtopslagplaats en/of houtzagerij. Al eeuwen was dit een groot hout export gebied.
Aan boord sprak ik nog even met een man van 77 jaar oud die veel interesse had voor mijn GPS. Hij was na zijn pensioen op reis gegaan en vertelde met veel pret in zijn ogen over de meisjes achter de ramen in Amsterdam en de grote casino’s van Las Vegas. Een hoog hinnikende lach verhoogde de pret. En toen dook vanuit het niets Sibu op. Een stad midden in de jungle, het leek opnieuw een heel vriendelijke stad.
Alles ging nu vanzelf en dat was fijn na die tegenslag. We kregen de laatste kamer in het “Li Hua Hotel”. Meer luxe dan gisteren voor de helft van de prijs ;). Douchen en eten! Ik had nu wel honger als een paard en een Chinese maaltijd zou er wel ingaan. Er waren overal Chinese karakters op de gevels te lezen dus dat zou wel goed komen. En inderdaad, het eerste café was meteen raak. Voor Tettje een nasi en voor mij een bami, aangevuld met gebakken gemengde groente, zoetzuur varkensvlees en citroenkip. Twee grote Tsingtao bier om alles weg te spoelen en het totaalbedrag was net RM 36. Een koopje.
Een lange wandeling in de koelte van de avond markeerde het einde van deze bewogen dag. We hadden de teleurstelling overwonnen en de nieuwe plannen waren gemaakt. De grote avondmarkt op een plein in de stad stelde mij in de gelegenheid om een nieuwe zonnebril te kopen. Hier zagen wij ook iets dat bijna onmogelijk was, hagelslag! Chocolade hagelslag, het werd gebruikt op een soort pannenkoek in combinatie met gemalen pinda’s en een beetje zoete mais. Net als vroeger thuis, een boterham met pindakaas en hagelslag of de onvergetelijke pindarotsjes van de Jamin. De spanningen waren nu weg en wij zouden samen gewoon een andere weg inslaan. Ik ga volgend jaar wel alleen terug om mijn plannen te verwezenlijken, en om eerlijk te zijn met veel plezier. Maleisië was al een favoriet maar nu ik in Sarawak ben geweest weet ik zeker dat ik wel vaker hier zal vertoeven. Een laatste bier in een chinees restaurant en we kunnen er gelukkig allebei om lachen. Ik hou van het onverwachte en Tettje is gestopt met roken.

vrijdag 6 juli 2007

Sarawak, het Bako NP

Kuching, 06/07/2007

De ochtend begon nu om 06:30 voor ons. We moesten nog wel wat wennen aan elkaar maar het gaat allemaal gemoedelijk en goed tussen ons. Ons plan was om de bus van 08:00 naar Bako te nemen en dan zo snel mogelijk in het park te komen.
Het ontbijt was niet super goed maar het smaakte ons toch redelijk en we konden op tijd richting het kleine lokale busstation. Eigenlijk niet meer dan een plein met een verzameling cafés en restaurants in het midden. Onderweg kreeg ik al de eerste krampen die langzaam overgingen in een drang. Het was al te laat om terug te gaan naar het hotel dus moest ik het onderweg maar in een openbaar toilet proberen. Tegen de tijd dat ik voor de deur van het openbaar toilet stond liep ik gewoon door, de man, die me om 20 sen, vroeg negerend omdat het nu echt nodig was. Een hele truc om je broek uit te krijgen zonder dat die kletsnat wordt in een openbaar toilet. De rest van de verkleedpartij zal ik jullie besparen.
We waren dus gelukkig net op tijd voor de bus en na enkele minuten reden we richting Bako. Vanuit de bus zagen we een ander Kuching. Brede mooie wegen tussen veel groen. Regeringsgebouwen in moderne architectuur en een schitterende Moskee, alles in het midden van niets. Er zal hier wel voldoende bouwgrond aanwezig zijn?
De bus was gevuld met lokale bevolking en twee toeristen, wij dus. Alles leek erop dat we de boot zouden moeten charteren voor ons twee. Jammer van het geld, maar het is niet anders. Bij het gebouw aangekomen waar de bootjes naar het park vandaan vertrekken reed de bus een grote parkeerplaats op die goed was gevuld met minibusjes en personenauto’s. Misschien hadden we dan toch geluk?
En ja, na de eerste nee van drie, volgens mij Franse, toeristen vroegen twee jongens achter ons of wij misschien met hun wilde delen. Dus dat was gemakkelijk. Het waren Craig en Theo. Een Schot uit Edinburgh en Hollander uit Eindhoven. Het was een aangename bootreis van ruim een half uur naar de ingang van het park. De kliffen en mangrovebossen zagen er indrukwekkend uit. Voor mij was onze reis nu echt begonnen. Bij de ingang spraken we af om elkaar om half drie weer in het restaurant te ontmoeten voor de terugreis.
Ik nam een kaart mee, niet meer dan een slechte fotokopie, en daar gingen we. Het was de eerste test. Ik bevoorraadde ons in restaurant met twee 2 flessen water (600 ml) en een blikje 100+ per persoon. We kozen voor de “Jalang Lintang”, een rondje van 5,25 km. Zelf had ik wel wat meer willen doen maar dan was er de kans dat we de afgesproken tijd niet zouden halen. Er waren nog wat zijpaden van een kilometer of twee die altijd nog konden lopen. Met frisse moed gingen we tegen de voorgestelde richting in het pad op.
Het was allemaal jungle en echt mooi, de paden waren goed aangegeven (als je uit de andere richting kwam) en na tien minuten waren we al verdwaald. Ik keek de GPS er nog eens op na en we hadden een afslag gemist. Dus het duurde niet lang of we waren alweer op het juiste pad en we begonnen aan een beklimming die ons naar 170 meter zou brengen.
Veel sneller dan ik had verwacht vroeg Tettje om vijf minuten rust. Tijdens onze gesprekken was de fitheid steeds gesprekstof geweest en Tettje meldde altijd dat hij goed fit was en goed kon lopen. Een mengsel van overschatting, de beklimming en een hoge temperatuur maakte dat het niet goed ging. Het ging steeds zwaarder en we moesten steeds vaker rustten. Tett dronk teveel en ik nam zijn heupzak over om wat gewicht bij hem weg te nemen. Met moeite kwamen we vooruit en om de tweehonderd meter moest er worden gerust. Het viel mij zwaar tegen mede omdat ik het nog niet eens voelde.
Net voor de top nam Tett een beslissing die hij zijn hele leven zal herinneren, “Ik stop nu met roken” schreeuwde hij. Ik moest er wel lachen, maar eigenlijk had ik medelijden met hem. Boven op de bergrug ging het wat gemakkelijker maar nog steeds niet van harte. De paaltjes met de afstand er op geschreven werden door Tett met grote opluchting gepasseerd. Het was nu aftellen tot de nul. De twee zijpaden die misschien zouden worden gelopen werden ook uit het programma geschrapt. Tett kon niet meer, hij had meerdere keren gezegd, “ga jij maar”. Ik wilde hem niet alleen laten. Hij had het echt zwaar en het was een verlossing voor hem toen we eindelijk het startpunt weer in zicht kregen.
Hij plofte neer in een stoel en ik haalde twee blikjes frisdrank voor hem. Het was ons allebei tegen gevallen maar om verschillende redenen. We stonden allebei voor een dilemma dat we toch moesten bespreken. Deze reis was opgebouwd uit wandelen en trekking in de bergen. Het was nu wel duidelijk dat dit voor Tett onmogelijk was. Om het alleen te gaan doen wilde ik ook niet. Het samen uit en samen thuis stond nog steeds hoog in het vaandel.
Craig en Theo arriveerden en wij zochten de boot weer op die ons terug zou brengen. In stilte en op blote voeten waden wij ons een weg door het warme water van de Zuid-Chinese zee. Tijdens de vijftien minuten die wij op de bus moesten wachten spraken we over de mogelijkheden van deze reis. Mijn twee hoofddoelen, Mt. Kinabalu en een trek ik het “Gulung Mulu NP”, waren nu niet mogelijk. Ik zou wel iets bedenken. Tett was zo moe dat zijn ogen in de warme schommelende bus dichtvielen.
s’Avonds dronken we een paar biertjes en het onderwerp van gesprek werd steeds weer de tegenvaller van die heuvel. Als Tett echt stopt met roken dan heb ik het er wel voor over om volgend jaar een tweede poging te ondernemen. Demonstratief gaf Tettje zijn zak shag met vloei aan de jongens die in het restaurant werkten. Bij de eerste proef zaten er twee heftig te hoesten en dat was wel even lachen. Ik bedacht om maar eens naar “Sibu” te gaan met de boot in plaats van de bus. Dat gaf mij voldoende tijd om een nieuw strijdplan te bedenken.
Morgen uitslapen en om een uur of tien naar de pier aan de buitenkant van Kuching.

donderdag 5 juli 2007

Sarawak, Een dagje Kuching

Kuching, 05/07/2007

De eerste dag op het eiland was een goede. De wekker liep precies om 07:00:00 af en om 07:00:05 drukte ik hem uit. Om 07:00:10 draaiden wij ons, zonder allebei een woord gezegd te hebben, weer om. De eerste dag werd er dus uitgeslapen. We waren gewoon moe.
Het overprijsde ontbijt namen we in het hotel en met een paar uur vertraging liepen we de stad in. Er was een klein misverstand tussen ons beide geweest. Ik had uit Tett zijn verhalen begrepen dat hij zich goed verdiept had in onze bestemming. Tett had begrepen uit mijn verhalen dat we de reis van “Koning Aap” zouden volgen. Het resultaat was dat we samen in Kuching stonden zonder ook maar een idee wat er allemaal te doen en te zien was. Natuurlijk zouden we er wel uitkomen maar het was nu gewoon improviseren.
Een beetje rondlopen en informatie opdoen, nog wat boodschappen halen en een museum bezoeken. Het zou allemaal wel lukken. De informatie die we van een reisbureau langs de weg hadden gekregen werd getoetst aan andere ervaringen en bij het plaatselijke Toeristen Informatiepunt. Hier staken we veel op. De dagtrip die ons was aangeboden voor RM 180 p/p konden we zelf gemakkelijk voor RM 64 p/p doen en de dagtochten naar de “longhouses” waren zo beknopt dat het eigenlijk weggegooid geld was. Volgens de medewerker van de TI, die zelf van een stam was, was het veel slimmer om later vanuit Miri een langere tocht te ondernemen. Na wat heen en weer gepraat kozen Tett en ik voor die optie. Ook de bustocht naar de volgende stad werd omgezet in een boottocht.
Het eerste doel in de ochtend was de lokale markt. Hier is altijd wel wat te zien en te beleven. Mijn vele zwerven op deze belangrijke plaats maakt het wel dat ik weinig nieuwe zaken zie. Één of twee nieuwe en onbekende zaken is nu al een goede score. Maar toch, de sfeer en de vriendelijke mensen maakt het altijd een leuk uitstapje. Na de markt doken we de koelte van een museum in. Het “Sarawak Textiel Museum”. Een niet te groot museum met een leuke collectie traditionele kleding. Gratis, dus zeer geschikt voor Nederlanders. Als je ooit hier terecht komt, je hoeft er niet voor om te rijden, maar als je ervoor staat loop dan maar naar binnen. Het is wel interessant om te zien.
Ik heb geen idee waar die trek de hele tijd vandaan komt. Maar om één uur schreeuwde mijn maag alweer om eten. We liepen in “Jalan India” dus de geur van kerries hing in de lucht. Het was Tett zijn eerste kennismaking met de Indiase keuken, wel op zijn Maleis. De “Bryani rijst” met kip smaakte uitstekend, de komkommer in zoete chilisaus was voor Tett wat te pittig.
Na een snelle blik in de LP kwamen we er achter dat het echte “Sarawak museum” een stuk verder weg was. We gingen dus op weg naar het grote museum. Helaas werden niet al te veel later overvallen door een onvervalste tropische onweersbui. De regen kwam met bakken tegelijk uit de hemel en toen de marktkooplui de zeilen voor de kramen gingen binden wisten we dat het ergste nog moest komen. En inderdaad, er werd een extra kraan door Pluvius geopend. De goten liepen over en lokale leven kwam tot een gehele stilstand. Iedereen schuilde of zocht een café voor een kopje koffie. Daar zaten we dan te wachten totdat het weer droog werd.
Helaas duurde de bui zolang dat de middag al half voorbij was en dat wij het museum moesten overslaan. Er moest namelijk nog boodschappen worden gedaan. Contactlensvloeistof en tandpasta. Op zich gemakkelijke artikelen maar hier ligt het toch wat anders. We probeerden wat winkels in de buurt maar uiteindelijk liepen we toch richting de grotere winkelcentra. Daar zouden we vast een drogist kunnen vinden. Na twee drogisterijen vond ik gelukkig mijn vloeistof bij een opticien. De tandpasta was veel gemakkelijker.
Het luie zweet had ook nog een afstraffing nodig of met andere woorden, we moesten nog wat trainen voor de wandelingen die nog zouden komen. We waren dan ook niet langer dan tien minuten op de kamer en we waren alweer op weg om een stuk te gaan lopen. Gewoon in het wilde weg. Zo kwamen we bij een Chinees centrum met een sportveld waar ook eettentjes waren. Ik kon de verleiding niet weerstaan en bestelde een bami met varkensvlees en viscake. Tett ging aan de Maleisische koffie, met zoete melk. Voor een persoon die geen suiker gewend is dit toch wel teveel. Mijn bami was ook zo verdwenen en na een “Good Luck” als groet verlieten we het sportcentrum.
Het centrum van “Kuching” is niet zo moeilijk om in te navigeren. Alle wegen leiden naar de rivier en daar eenmaal aangekomen loop je naar de “Tua Pek Kong tempel”.
We waren het allebei eens met elkaar dat het weer tijd werd voor een koud biertje. Tettje is normaal geen biermens maar met mij op pad vindt hij het wel gezellig. Het wordt niet te laat vanavond want morgen moeten we de bus van acht uur hebben om naar het “Taman Negara Bako” te gaan voor de eerste test van de fitheid van de jongens. Welterusten.

woensdag 4 juli 2007

Sarawak, Op weg naar Mt. Kinabalu

Kuching, 04/07/2007

Het was een slechte nacht. Waarom is mij een raadsel, alles was goed georganiseerd en ik had er echt zin in. De angst voor het verslapen misschien? Ik was wel de hele dag ervoor erg druk geweest en daardoor had het inpakken wat vertraging opgelopen. Het maakt eigenlijk niets meer uit. Ik was op tijd en Tett arriveerde ruim op tijd met de kleine rugzak bij mijn huis.
Ook de taxi was weer ruim op tijd en na een broodje met omelet en een banaan gingen we op weg naar een nieuw avontuur. Borneo! Maleisië, Sarawak! Noem het maar hoe je wil maar het was weer een plaats waar ik nog nooit was geweest. En dat terwijl Korea nog vers in mijn geheugen lag. Mijn geheugen wordt te klein, misschien moet ik maar eens een extra kaartje inplanten of wat meer (geheugen)chips eten ;).
Daar stonden we dan met zijn tweeën een beetje slaperig op nieuwe luchthaven van Bangkok. Ik vindt het nog steeds een bende en zelfs de taxichauffeur begon een verhaal dat hij dacht dat de nieuwe luchthaven kleiner was dan de oude. En om eerlijk te zijn, “Ik denk ook dat de nieuwe luchthaven kleiner is dan de oude “Don Muang”. Het inchecken was snel en ook bij de immigratie stonden geen rijen. Wel erg gemakkelijk als je licht reist. Twee rugzakken voor ons samen en geen bagage onder in de buik van het vliegende monster.
Eenmaal binnen hadden we nog een uurtje te doden en een bakkie koffie smaakt altijd s’morgens. Het viel ons wel op hoe rustig het overal was en zelfs de eerste restaurants waren al voorgoed gesloten. Alle planken leeg en de elektrische apparaten waren verdwenen. De sfeer wordt er niet beter op. De doorzichtige plastic zakjes met tandpasta en andere toiletartikelen zijn nu ook doorgedrongen in Azië. De complete handbagage werd doorzocht en mijn super insectenspray uit Australië was het slachtoffer. Meer dan 100 ml verpakking! Ik kon praten als brugman maar het moest weg. Ook nadat ik één derde had uitgegoten in een vuilnisbak. Dit tot grote hilariteit van de mensen achter mij in de rij. Uiteindelijk ging mijn contactlensvloeistof en insectenspray in de vuilnisbak. De laatste goot ik leeg wat een grote stank veroorzaakte. Ik ben benieuwd hoe lang het heeft geduurd voordat ze die rotzooi hebben opgeruimd.
Tett was meteen onder de indruk van de kwaliteit van de Air Asia vliegtuigen. En inderdaad, de Airbussen zijn bijna nieuw en comfortabel voor vluchten tot een uur of drie. De kist was niet geheel gevuld wat tot voldoende ruimte leidde voor ons twee. Inmiddels waren er voor ons twee Nederlanders gaan zitten en het duurde niet erg lang voordat we in gesprek waren. Verschillende mensen met dezelfde doelen en bestemmingen. Altijd leuk om geestverwanten te ontmoeten. Zij op weg naar Bali en wij naar Sarawak.
Het was zo gezellig dat de tijd omvloog en we in Kuala Lumpur landden voordat we het in de gaten hadden. We spraken af om elkaar weer te zien in het restaurant. In de terminal hadden drie zaken de hoogste prioriteit.
1: Het toilet
2: Een voorproefje van de Maleise keuken
3: Tettje zijn geld. Dat is een verhaal op zichzelf! Ik geef altijd iedereen het advies om niet geld te wisselen in Nederland maar om te pinnen of te wisselen in het land van bestemming. Wat was nu het geval? Tettje had in Den Bosch bij het GWK gevraagd om geld voor Borneo. Zijn geld was omgezet in Indonesische Rupea’s. En dat terwijl Maleisië (Sarawak) onze bestemming is. De bank op de luchthaven in Bangkok gaf een zeer slechte koers dus hebben we dat eerst maar links laten liggen. In Kuala Lumpur was de koers een stuk beter. Het verlies was te dragen en de les geleerd.
Het eten smaakte mij goed in het restaurant van de terminal, ik vroeg mij ook meteen af waarom ik daar voor drie euro heerlijk warm kan eten terwijl dat op andere plaatsen een arm en een been kost. Hebzucht? De tijd was weer erg snel omgevlogen en het werd tijd om afscheid te nemen. We gingen ieder onze wegen.
De tijd was zo snel omgevlogen dat we niets eens waren voorgesteld aan elkaar, ik heb een gevoel dat we in de toekomst nog wel een keer met de e-mail contact zullen hebben. De tweede etappe van de reis was een kopie van de eerste. Niet teveel mensen en een beetje turbulentie aan het einde. Toen we uit het vliegtuig stapten had ik meteen een goed gevoel. Dit gevoel werd alleen nog maar beter naargelang we door de met bomen omgeven straten van Kuching reden. Kuching zag er uit als een vriendelijke stad.
Ik koos een centraal punt in het centrum voor de taxi om ons af te zetten. Hier vandaan zouden we een hotel of een bed zouden zoeken. Het eerste guesthouse zag er goed uit, de prijs was wel iets te hoog en de dj wist niet hoe laat de bar s’avonds sloot. Dus gingen we verder van hotel naar hotel. Er bleek een regeringsbijeenkomst in Kuching te zijn en daardoor waren alle redelijke hotelkamers bezet. Ik had dit al eens eerder meegemaakt. Uiteindelijk had het “Borneo Hotel” een schimmelige tweepersoonskamer voor ons. Ik wilde dit zeker niet en vertelde de receptionist dat ik deze kamer niet eens gratis wilde. Mijn opmerking dat wij er misschien uitzagen als rugzaktoeristen maar dat we dat niet waren veranderde de instelling van het personeel.. Een familie kamer met twee bedden was de verlossing. RM 145 per nacht, zeg maar iets meer dan € 30,00. Een heerlijke kamer met al het comfort, aan het begin van zo’n trip kan het wel.
We bleven niet lang op de kamer maar gingen meteen wandelen. Het “waterfront” was nog geen vijf minuten lopen en daar was het te doen. Het stukje dat we liepen in het donker was bijzonder mooi. En nogmaals, de stad voelde erg vriendelijk en aangenaam aan. Zelf had ik al het een en ander gegeten maat Tett kreeg nu ook trek. De keuze viel op saté van de kip. Na de eerste tien stokjes volgden er nog tien en de grootste trek was gestild. We hadden er best een biertje bij kunnen drinken maar helaas kan dat niet in overal in Maleisië.
Wat wel meteen opviel was het veelvuldig gebruik van de Nederlandse taal. Je hoorde Nederlands spreken overal waar je liep. We maakten grapjes over “Koning Aap” en “Fox Reizen”. Gewoon stilhouden en lekker doorlopen. Totdat we een Chinees eethuis ontdekte met de toepasselijke “Green Hill View” als naam. Het was voor mij wel lang geleden maar de “Tsingtao” biertjes smaakten uitstekend. We maakten het toch maar niet te laat en voor tien uur lagen we op één oor. Morgen de stad verkennen.

dinsdag 3 juli 2007

Inpakken en wegwezen

Pattaya, 03/07/2007

Het is alweer de laatste dag en het pakken is nu een fluitje van een cent. Samen met Tettje heb ik overlegd wat mee te nemen en vooral “wat thuis te laten”. Het is nu belangrijk om niet twee keer hetzelfde mee te nemen, delen is minder gewicht. Ik heb al eens eerder een paklijst gepubliceerd maar deze is wel veel korter dan voorheen en die wil ik jullie dan ook niet onthouden.
In mijn rugzak zit het volgende voor de komende vier weken.

1 paar Teva sandalen
3 paar sokken, (één paar meer dan gewoonlijk)
5 zijden onderbroeken
1 korte broek
1 paar aanritsbare broekspijpen
4 overhemden met korte mouw
1 extra dunne regenjas
1 kleine heup(rug)zak voor dagtochten
1 pet
1 zonnebril
1 zwembroek

1 tandenborstel
1 scheermes
1 kleine bus scheergel
1 stuk zeep
1 deoderantstick
10 wattenstaafjes
2 sets oordoppen
3 kleine zakjes waspoeder
Medicijnen voor de diabetes
Pijnstillers

6 oplaadbare batterijen AA voor de GPS
2 reserve batterijen + lader voor mijn camera
1 digitale camera (Olympus 720)
1 iPod Nano + enkele kabels
1 Apple MacBook

Lonely Planet
Paspoort
Kopieën vliegtickets

Alles bij elkaar zo’n 10 kilo in een Cerrotorre rugzak van 42 liter. Dit is de uiterste maat die ze accepteren als cabine baggage!

De laatste tien dagen zijn echt voorbij gevlogen en om eerlijk te zijn heb ik mij nog niet erg verdiept wat we allemaal precies gaan doen. Het wordt morgen een lange dag en ik verwacht om ongeveer vijftien uur onderweg te zijn voordat we in het hotel aankomen. Dat is voldoende tijd om de eerste dagen vanuit de reisgids te plannen. We kijken echt naar deze reis uit en hopen (eigenlijk weten) dat het een zeer aantrekkelijke maar zeer vermoeiende reis zal worden. Ik zal dan ook proberen om elke dag mijn verhaal op de weblog te krijgen maar ik verwacht niet dat het internet erg wijd verbreid zal zijn. We zien wel! Welterusten en tot morgen vanuit Kuching.

zondag 1 juli 2007

Over de helft

Pattaya, 01-07-2007

Het is alweer zondag en we zijn met zijn allen alweer over de helft van het jaar 2007. Henk en Tettje zijn goed aangekomen en om eerlijk te zijn heb ik weinig kunnen rusten. Het was veel regelen en zorgen dat er niets wordt vergeten.
Tettje en ik zijn klaar voor de tocht van vier weken naar Sarawak, Brunei en Saba.
De plannen liggen er en na overleg gaan we waarschijnlijk de volgende tocht ondernemen.

Aankomst Kuching
Serubah Longhouse
Kuching - Bako Nationaal Park
Bako Nationaal Park – Miri
Brunei
Miri - Mulu Nationaal Park
Mulu Nationaal Park / headhunters
Kota Kinabalu - Mount Kinabalu Nationaal Park
Mount Kinabalu Nationaal Park - Sukau via Sepilok en Sandakan
Sukau - Pulau Manukan via Kota Kinabalu
vertrek Kota Kinabalu

We kunnen hier natuurlijk altijd van afwijken mocht het noodzakelijk zijn.

Een korte samenvatting voor het merendeel overgenomen uit de gids van koning aap.
Hier zijn nog wat links:

http://www.malaysiasite.nl
http://www.malaysiasite.nl/sarawak
http://www.malaysiasite.nl/sabah

Kuching is een sfeervolle stad aan de Sarawakrivier met een gezellige boulevard en restaurantjes waar je terecht kunt voor een heerlijke curry of saté. De naam 'kuching' betekent 'kat' en overal in de stad zie je de beeltenis van dit dier.
We gaan vervolgens naar een 'longhouse' van de Iban, die je gastvrij een eenvoudig onderkomen bieden. Je kunt wandelingen door het oerwoud maken, varen in typische smalle bootjes of zwemmen in de rivier. 's Avonds kom je samen in het 'longhouse', waar je ongetwijfeld de traditionele rijstwijn 'tuak' aangeboden wordt.
Eén van de mooiste natuurparken is het Bako Nationaal Park, waar de zeldzame neusaap nog veelvuldig voorkomt.
We duiken Brunei in voor een paar dagen, een stadstaat die zijn rijkdom te danken heeft aan olie. Een strenge moslim staat waar alcohol officieel verboden is.
Het Mulu Nationaal Park staat vooral bekend om het uitgebreide grottenstelsel. Het is indrukwekkend om te zien hoe duizenden vleermuizen tegelijkertijd met de schemering de grotten verlaten op zoek naar voedsel.
In Mulu maak je diverse wandelingen door weelderige jungle, ondermeer de headhunters-trail. Hier ben je echt weg van de bewoonde wereld.
In het Kinabalu Nationaal Park kun je prachtige dagwandelingen maken of ervoor kiezen Mount Kinabalu te beklimmen, de hoogste berg van Zuidoost-Azië (4100 m) Sprookjesbossen met vleesetende bekerplanten en orchideeën bepalen het beeld onderweg.
Bij Sukau bezoeken we het Kinabatangan Orang-utan Conservation Project, dat het onderzoek coördineert naar en de bescherming van de orang-oetans in deze regio. Men kweekt er bijvoorbeeld boompjes voor herbebossing, werkt als gids en zorgt voor je overnachtingen,bij de bevolking thuis. In 2005 is Red Ape Encounters (RAE) opgericht en daarmee heb je dé kans wilde orang-oetans te zien. Want alleen onder begeiding van de RAE mogen toeristen het beschermde gebied in. Lokale gemotiveerde gidsen leren je alles over het gedrag van deze imposante dieren, en hopelijk zijn ze ook te vinden. Je gaat op bezoek bij de lokale bevolking, en ’s nachts maak je een tochtje op de rivier op zoek naar nachtelijk leven.
Omgeven door koraalriffen en kristalhelder water gaan we enkele dagen uitrusten van het verblijf in de jungle op het tropische eilandje Manukan. Het paradijselijke strandje en de kleurrijke onderwaterwereld vol koraal en bontgekleurde vissen zul je niet snel vergeten.

Jullie zien dat er weer genoeg op het programma staat. Als ik geluk heb is mijn computer ook weer gerepareerd zodat ik de foto’s direct kan invoegen.
Tot woensdag!
Copyright/Disclaimer