maandag 15 februari 1999

Thailand, in de voetstappen van de Buddha

Si Chiang Mai, 15/02/1999

Nadat ik vroeg onder de lakens was gekropen was ik natuurlijk ook vroeg uit de veren. Om kwart over zes stond ik naast mijn bed en keek vanuit mijn raam naar een langzaam wakker wordende wereld. Aan de overkant van de rivier zag ik kleine vuurtjes met recht opstijgende rookpluimen.
Voor de koffie moest ik nog even wachten en dus werd de radio aangezet en met een glimlach op mijn mond luisterde ik naar het nu bekende: “Goedemorgen, dit is de wereldomroep van uit een koud en donker Hilversum”. Ongelofelijk wat de techniek allemaal heeft voortgebracht. Ik nam een douche en las wat in mijn Lonely Planet over wat te doen vandaag.
Om iets over half acht liep ik de trap af en gelukkig waren er al mensen op. De koffie met toast en gebakken eieren smaakte goed en het duurde niet lang voordat Julie zich bij mij aan tafel zette. Ze was een beetje bang voor wat er vandaag zou gaan komen. Ik stelde haar gerust met de mededeling dat ik al meer dan twintig jaar op motoren reed en om kwart over acht reden we samen weg van het guesthouse. Ik reed niet al te hard want de brommer was een oudje en voelde sowieso niet al te goed aan. De remmen waren niet geweldig en hij maakte het geluid van een opstijgende straaljager wat de illusie van snelheid alleen maar opvoerde.
We waren nog geen vijf minuten onderweg toen we werden gesommeerd om te stoppen door een politieman. Een klein gedrongen mannetje in een veel te klein bruin uniform met een veel te grote pet op.
Geen valhelm op! Ik wist dat het bij de wet verplicht was om een valhelm te dragen in Thailand maar buiten Bangkok had ik nooit iemand met een valhelm op de brommer gezien. Ik probeerde hem zo goed als mogelijk uit te leggen dat de man die mij de brommer had verhuurd er geen valhelmen had gegeven of zelfs maar had aangeboden.
“Two hundred, Two hundred”, stamelde hij op een autoritaire toon.
Ik besloot mijn geld maar tevoorschijn te halen en mijn deel aan de politietoeristenbelasting bij te dragen. Hij was nu plotseling heel verontwaardigd!
“No, no, Tomorrow”, hakkelde hij terwijl hij boven op mijn hoofd tikte.
Ah, ik begreep het. Als hij me morgen weer zou zien zonder helm dan zou ik een boete krijgen. Ik bedankte hem en startte de brommer en reed weg in de wetenschap dat de overnachting vanavond gratis zou zijn.
Julie was ook geschrokken en hield mij stevig vast, voor het eerst voelde ik de kou van de vroege ochtend. Het was hier erg koud in de ochtend. Si Chiang Mai is de hoofdstad van de tomatenketchup en loempiavellen. Overal stonden in de tuinen bamboe drooghekken met daarop honderden ronde vellen van rijstpapier, klaar om gevuld te worden. Enorme vrachtwagens tot de rand toe gevuld met tomaten kwamen van heinde en ver op weg naar de “Roza” tomatenketchup fabrieken, en vergeet vooral de sardines in tomatensaus niet.
Wij waren op weg naar het “Phu Phrabat Historical Park” en wat ik in de Lonely Planet had gelezen zou dit in interessante plaats zijn. Julie begon zich meer op haar gemak te voelen en begon nu ook onderweg tegen mij te praten. Eerst over koetjes en kalfjes en iets later over wat we die dag van plan waren om te gaan doen. Om eerlijk te zijn had ik daar geen antwoord op, we zouden wel zien.
Bij de ingang van het park betaalden we de toegangsprijs van 30 baht en het was net of ik dit toegangsbewijs kende. En inderdaad was het eens toegangsbewijs voor een ander park waar ik al geweest, alleen was er hier de naam van het “Phu Phrabat Historical Park” op gestempeld.
Maar eerst was het tijd om de stoffige kelen te spoelen voordat we het park zouden betreden. En zoals overal in Thailand was eten en drinken nooit verder dan twintig meter van je verwijderd. Na het overheerlijke ijskoude colaatje liepen we het park in, niet zeker over wat we zouden aantreffen.
In het park troffen we een mengeling van enorme stenen die balanceerden op andere stenen aan, met daaronder altaren met mooie Buddha’s om te aanbidden. Er waren grotten met, volgens de reisgids, muurschilderingen uit de prehistorie. Daar omheen waren drie kloosters met de bijbehorende stupa’s en tempels. In één van die tempels zou zich een voetstap van de Buddha bevinden.
Vol van de mystiek die de Buddha omgeeft betrad ik de kleine tempel. Het moet toeval zijn geweest maar in het midden bevond zich een groot gat in de vloer met een wit hek er omheen. Ik heb zeker tien minuten naar de opgedroogde aarde staan te kijken of ik de omtrek van een kleine of misschien wel twee voeten in de opgedroogde aarde kon ontdekken. Nee, ik zag niets en dat zou zo ook blijven. Mijn ideeën hadden mijn inbeeldinggeest zo vertroebelt dat ik een voet van wel twee meter hoog aan de andere kant van de tempel niet eens had gezien. Als een donderslag bij heldere hemel verscheen het beeld op mijn netvlies. Het was de onderkant van een voet met de vijf tenen. Zwart en schitterend ingelegd met paarlemoer. Taferelen uit het leven van de Buddha, geometrische figuren, en al die tijd had ik gedacht dat er een klein voetje in de modder zou staan. Het was niet eens in mij opgekomen dat de Buddha Thailand waarschijnlijk nooit heeft bezocht. Ik moest hier wel heel erg om mezelf lachen.
Na een kleine drie uur hadden we het wel gezien en vonden het tijd om huiswaarts te keren. Maar niet voordat we een gebakken rijst met, jullie raden het al, een gebakken ei er bovenop hadden genuttigd. Ik had de laatste week zoveel eieren gegeten dat ik bang was dat ik veren zou krijgen.
De terugreis verliep helaas anders dan gepland. We kwamen door een omleiding wegens wegwerkzaamheden in het midden van het niets terecht en na een tweede omleiding bevonden we ons op een stoffige zandweg. Volgens mijn berekeningen waren we zeker nog dertig kilometer van onze bestemming verwijderd. Wat wel grappig was dat we door een klein dorpje reden waar zingende en dansende mensen bij een wegafzetting stonden te dansen. Het was een inzameling voor de lokale tempel. Een soort kleine kerstboom die bestond uit bamboestokjes met geld eraan stond langs de kant van de weg. Ik vond het wel gepast om twintig baht bij te dragen en de mensen waren erg dankbaar.
Twee uur met zijn tweeën op een oude brommer over een hobbelende zandweg. Mijn ogen trilden nog steeds in hun kassen toen we eindelijk weer op een effen asfaltweg kwamen. Onderweg had ik nagedacht wat ik verder ging doen. Hier was het dus op, morgen zou ik verder trekken naar Nong Khai.
De brommerzaak was al gesloten toen ik probeerde de brommer terug te brengen. “Morgen dan maar”, dacht ik bij mijzelf. We konden niet wachten om onder de douche te gaan. Het stof had zijn weg gevonden naar de meest intieme plaatsen. Heerlijk zo’n hete douche na een dag onderweg. Julie had ook van onze dag samen genoten en als dank gaf ze mij haar Laos taalgids tijdens onze maaltijd samen.
“Een hete douche is soms lekkerder dan sex”, merkte ze op.
Mijn kont deed enorm pijn. Het was best onaangenaam om op die harde stoelen te zitten. Na een paar grote “Beer Chang” namen we afscheid. We zouden elkaar waarschijnlijk nooit meer zien.

En dit is nu het moeilijkste van reizen. Je deelt ervaringen met nieuwe mensen die je onderweg ontmoet en je geniet van elk moment dat je samen bent. Daarna sterft er iets in je als je de realiteit onder ogen ziet dat je elkaar waarschijnlijk nooit meer zal ontmoeten. Ondanks alle beloften en het uitwisselen van emailadressen.
Blijf reizen Julie!!

zondag 14 februari 1999

Thailand, een Franse enclave

Si Chiang Mai, 14/02/1999

Vandaag ging de verplaatsing zonder problemen. Na het bekende ontbijt van witte rijst met twee gebakken eieren vertelde ik de eigenaar dat hij een sfeervol guesthouse had alleen zouden een paar klamboes en een warme douche het een stuk aangenamer maken. Met honderdvijftien kilo achterop de brommer bracht hij mij naar de busstop. Het was niet meer dan een muurtje aan de secundaire weg. Ik plaatste mijn rugzak tegen het muurtje.
“Wanneer komt de bus?”, vroeg ik aan mijn gastheer.
“Bus will come soon”, antwoordde hij vol overtuiging.
“What time?”, vroeg ik nogmaals.
“Sure come”, reageerde hij met de wetenschap dat de bus gisteren en eergisteren hier ook had gestopt. We namen afscheid en hij vertrok op zijn oude brommer in een dikke blauwe wolk van onverbrande olie uit zijn uitlaat. Een kleine twintig meter verderop stond een klein kraampje met groenten en fruit. De tros bananen zag er aantrekkelijk uit en was voldoende om de dag mee door te komen.
Niemand wist wanneer de bus zou komen maar ze waren er wel zeker van dat hij zou komen. Er zat dus niets anders op dan te wachten.
De bus was niet meer dan een grote Songthaew met als eindbestemming “Pak Chom Nam”. Hier deed de marktplaats tegelijkertijd dienst als busstation en een uur later was ik weer op weg naar “Si Chiang Mai”, in een echte bus welteverstaan.
De aankomst in het aangename plaatsje was halverwege de middag langs de drukke secundaire weg. Ik werd de bus uitgeknikkerd en wist nu dat ik linksaf moest richting de rivier. Waar ik precies uitkwam was me onbekend maar de tempel was snel gevonden en vanuit dit navigatiepunt liep ik binnen tien minuten naar het guesthouse wat ik van tevoren had gekozen.
Het “Tim guesthouse” was een vriendelijk klein guesthouse en ik had geluk, een mooie kamer met uitzicht op de rivier. Beneden in het restaurant werd er snel een gebakken rijst gegeten en tijdens de maaltijd ontrolde zich een vreemd schouwspel voor mijn ogen. Oude mannen speelden “Jeu de boule” en sipte uit glazen gevult met melkwitte “Pastis”, de spreektaal was Frans en als ik niet zeker had geweten dat ik in Thailand was dan had ik mij in de “Provence” gewaand. Het verhaal achter het guesthouse werd ook aan mij verteld.
Jaren geleden was hier een Zwitser uit het Franse gedeelte van Zwitserland met zijn vrouw neergestreken. Helaas had hij het niet lang meer gemaakt en vertrok voortijdig naar de schepper, zijn vrouw achterlatend met een goedlopend guesthouse. De korte tijd dat hij hier was geweest was lang genoeg geweest om een grote groep Fransen aan te trekken en die hebben de plaats nooit meer hebben verlaten.
Tijdens de middag liep ik wat rond langs de rivier en trof wat voorbereidingen voor morgen. Een brommer werd gereserveerd en een slechte kaart van de omgeving werd gekocht. Het was niet anders, ik moest roeien met de riemen die ik had.
Het luieren beviel me prima en het was heerlijk om een beetje te relaxen en uit te rusten. Ik begon de vermoeidheid nu wel te voelen.
Hoe lang zou ik zo nog door kunnen gaan?
Wanneer zou ik zo moe zijn dat ik wel een week rust moet nemen?
Wat zou mijn volgende bestemming zijn na “Nong Khai”?
Zou ik de oversteek naar Laos wagen?
Hoeveel kilometer had ik al afgelegd sinds ik mijn huis in Nederland had verlaten?
Vragen zonder antwoorden en de ene na de andere grote fles “Beer Chang”.
Ondertussen had een meisje haar intrek genomen in één van de goedkopere kamers aan de achterkant van het guesthouse. Julie kwam uit Wales en had al heel wat rondgereisd in Azië. Ze kwam uit Laos en raadde me aan om dit land zeker te gaan bezoeken. Ik twijfelde want dat ging een totaal andere kant uit dan ik mij had voorgenomen. Ik moest namelijk richting het zuiden.
Julie was aardig en onder het eten bespraken we veel uiteenlopende onderwerpen. Het was erg plezierig allemaal en zo kwam het tot een uitnodiging of ze zin had om morgen mee te gaan achterop de brommer. Ze durfde zelf namelijk niet te rijden.
Ik lag al om half negen op bed en had ondertussen uitgerekend dat ik ongeveer 14780 kilometer had afgelegd sinds mijn vertrek.

zaterdag 13 februari 1999

Thailand, precies een maand op pad

Chiang Khan, 13/02/1999

Ik was vandaag precies een maand op pad en had het idee dat ik voor meer dan een jaar ervaringen had opgedaan. Er waren nieuwe vrienden gemaakt en mijn sociale vaardigheden waren opgefrist en bijgevijld. Ik was een compleet ander persoon geworden met een andere kijk op het leven.
Vandaag had ik weer een brommerdag voor de boeg en eigenlijk stond mijn hoofd er niet naar. De hele nacht was ik aan het vechten geweest om die lastige mug van zijn leven te beroven. Jullie herkennen dit ongetwijfeld. Net als je weer in bed ligt hoor je het hoge zoemen van een mug. Het geluid zwelt langzaam aan en op een moment kan je zelfs zijn vleugelslag voelen aan de rand van je oor. Snel het bed uit en het licht aan. Verblind door de kale 100 watt lamp probeer je het minuscule kleine insect te vinden, zonder succes. Dan maar weer het bed in en het licht uit. De hele cirkel begint van voor af aan. En dat een keer of tien tot dat je het kreng eindelijk naar een andere wereld heb geholpen en een kleine bloedvlek heeft nagelaten op de muur.
Nu was ik dus niet zo fris en ik had niet eens er aan gedacht dat het ontbijt bij de kamer was inbegrepen. Waaruit zou dat ontbijt bestaan. Nieuwsgierig zat ik, met een blik cola voor mijn neus, te wachten wat er komen zou in het kleine restaurant. En daar was het ontbijt! Witte rijst met twee gebakken eieren er op. Het was wat nieuws maar ik stierf van de honger. Het smaakte niet eens zo slecht.
De afgesproken brommer kwam niet opdagen. Dat was een tegenslag die ik snel moest verwerken en oplossen. Ik kon natuurlijk terug naar bed gaan maar dan zou ik een dag verliezen met niets doen. Ik haalde de Lonely Planet te voorschijn en de eigenaar keek mij eigenaardig aan. “Friendship guesthouse” stond vermeld als verhuurder van brommertjes en dat was dus mijn eerste mogelijkheid.
Ik informeerde bij de eigenaar en hakkelde vreemd, “No have motobike, Sure!” Het leek mij vreemd en ik ging op pad.
Het “Friendship guesthouse” was snel gevonden en ook het antwoord op de vraag waarom de eigenaar zo vreemd had gereageerd werd beantwoord. Gisteren waren er drie mensen gekomen om een brommer te huren en die waren meteen van het “Chiang Khan guesthouse” naar het “Friendship guesthouse” verkast. Zelf zat ik daar goed en het was toch nog maar voor één nachtje.
De brommer was een stuk duurder dan de vorige keer, 250 baht per dag. Niet onoverkomelijk, ik zou toch minder gaan drinken en dan had ik geld over voor andere dingen. Ik haalde mijn spullen voor de dag op in het guesthouse en de eigenaar zat neergeslagen op de bank in de lobby. Hij keek op toen ik binnen stapte en verwachtte het ergste. Ik kwam terug uit mijn kamer en wenkte hem tot ziens. Hij had verwacht dat ik met mijn complete rugzak zou verschijnen en nu ik met een klein zakje met wat belangrijke spullen voor hem stond stemde hem gelukkig.
“See you tonight”, glimlachte hij van oor tot oor.
“Yeh, see you tonight”, lachte ik terug.
Een uur later dan gepland zat ik op de brommer richting het westen, de “Mae Khong” aan mijn rechterzijde. De rit was schitterend, door dalen en over heuvels. Steeds een rivier aan mijn rechterzijde. Het enige wat de rit steeds onderbrak waren de politieposten die controleerde op papieren en zo het illegaal binnenkomen van mensen en goederen probeerden te voorkomen. De rivier was hier op plaatsen niet meer dan een halve meter diep.
Net na de middag was ik weer terug in het dorp en de zus van de eigenaar bakte voor mij rijst, Kaow Pat. De Thaise versie van Nasi Goreng. Natuurlijk weer met een gebakken ei er boven op.
Nu werd het richting het oosten, de rivier steeds aan mijn linkerzijde. De middag was teleurstellend. Een Nationaal Park met watervallen en een stroomversnelling was niet meer dan een verzameling van lelijke betonnen dammen die op de rotsen waren gebouwd. Onderweg dacht ik na, natuurlijk was ik wel geconcentreerd want het rijden aan de linkerkant van de weg is heel vreemd. Tessa was steeds in mijn gedachten, ik zag haar zo voor me met die mooie glimlach. Helaas mocht het niet zijn tussen ons.
Om vijf uur werd de brommer ingeleverd en met een koud biertje in de hand genoot ik van de zonsondergang over de “Machtige Mae Khong”. Snel nog wat gegeten en om acht uur lag ik alweer in bed. Ik was kapot.
Morgen had ik weer een reisdag voor de boeg.

vrijdag 12 februari 1999

Thailand, de tweede vreemde avond op rij

Chiang Khan, 12/02/1999

Het zou een heel vreemde avond worden, het begon allemaal zo.
Nadat mijn eerste biertje op had kon ik nog wel een tweede gebruiken. Ik bestelde mijn tweede fles bier en zag de eigenaar op zijn brommer stappen en vertrekken. Ik was erg verbaasd dat hij mij zo alleen achterliet in het guesthouse, tenslotte was ik de enige gast. Nadat hij was teruggekeerd met een koude fles bier gingen we over tot de orde van de dag en begonnen met het inchecken. De gegevens uit mijn paspoort werden zo goed mogelijk overgeschreven en de overnachtingen moesten vooruit worden betaald.
“Een goed idee als je er zelf weinig bent”, dacht ik nog.
“Dat is dan honderdzestig baht voor twee nachten inclusief ontbijt”, zei de man nadat hij klaar was met de rekenmachine.
Ik krabde eens aan mijn oor want ik kon niet geloven wat hij net had gezegd. Voor de zekerheid herhaalde ik wat hij tegen mij had gezegd.
“Honderzestig baht voor twee nachten inclusief ontbijt?”
Hij knikte met een brede glimlach alsof hij net de 64000 dollar vraag goed had beantwoord. Het geld ging van hand op hand en ik was nog steeds bezig met het verzinnen van wat er achter zou kunnen zitten. Mijn hersenen draaiden op volle toeren terwijl ik mijn intrek nam in de kamer. De kamer had een prachtig uitzicht over de Mae Kong. Alleen de vloer liep zo sterk af dat wanneer je iets liet vallen je meteen naar de lager gelegen hoek kon lopen om het weer op te pakken.
Ik had wel trek in een derde fles maar ik wilde nu eerst wat eten. In het restaurant werd het menu tevoorschijn gehaald en na een korte blik in de lijst van de bij de toeristen populaire gerechten koos ik voor gebakken groenten met kip. De eigenaar schreef het op een stukje papier en stapte weer op de brommer en verdween pruttelend in de nacht.
“Afhaal Chinees?”, lachte ik in mezelf.
Na ongeveer tien minuten keerde hij terug met een vrouw achterop de brommer die later zijn zuster bleek te zijn. Ze verdween in de keuken om mijn eten te bereiden. Nu was het wel tijd voor mijn derde, en waarschijnlijk niet mijn laatste, biertje van de avond. En weer stapte hij op zijn brommer om even later met een koude fles bier in de zijtas terug te keren. Ik moest hier wel heel erg om lachen. Zou hij zelf niet op het idee komen om te vragen hoeveel flessen bier ik van plan was om te drinken? Ik verwachtte het niet.
Het eten en de fles bier smaakten mij uitstekend en ik was gevuld en voldaan én blij dat ik weer een dag van zwaar onderweg zijn tot een goed einde had gebracht. Een heel klein beetje aangeschoten zat ik onderuitgezakt na te genieten op de sofa in de receptie van het guesthouse.
“What you do tonight?”, waakte mij uit mijn droomwereld.
“Eh, excuse me?”
“What you do tonight?”, herhaalde de baas.
“Eh, drink one or two more beers and than go to sleep”, antwoordde ik.
“Tonight my family have big party, you want to come?” klonk het uitnodigend.
“Why not, as long as we do not come back to late”.
“I want to get up early to make a tour on a motorbike”, vertelde ik hem.
“OK, we will back before twelve o clock”, en opnieuw verscheen die brede glimlach op zijn gezicht.
Na snel per telefoon een brommer voor mij te hebben geregeld gingen we op pad. Eerst werd zijn zuster naar het feest gebracht en even later kwam hij mij ophalen. Ik had ondertussen alle waardevolle spullen bij me want het lege guesthouse vertrouwde ik niet zo.
Na een korte rit achterop de brommer kwamen we aan bij een open veld aan de andere kant van het dorp. Er stonden oneindig veel brommers en pick-uptrucks geparkeerd rond het veld en op de achtergrond klonk traditionele muziek. Ik was nu tenslotte in “de Isaan”, in het echte Thailand in het noordoosten aan de grens met Laos.
Ik zat amper en er werd al een klein glaasje met een doorzichtig goedje voor mij neergezet waarna de mannelijke helft van de groep mij met gebaren suggereerde dat ik het in één keer achterover moest slaan. Ik wierp het goedje in één keer achterover waarna ik hoestend en proestend overeind sprong. De smakeloze vloeistof brandde zich een weg naar mijn maag zoals gootsteenontstopper op zoek gaat naar de verstopping in de afvoerpijp. Ik wilde wel eens weten wat dit was! Niet om het zelf te kopen maar om in de toekomst het drinken ervan te vermijden. Het was “Lao Khao”, een zelfgestookt drank gemaakt van gefermenteerde kleefrijst. Spiritus van een blindmakende kwaliteit. Het duurde niet zo lang voordat mijn gastheer het begreep dat ik liever wat anders dronk. Een colaatje met een beetje Thaise Whisky. Een beetje zoet maar in ieder geval beter dan dat bocht dat ik eerder had geproefd.
De baas van het guesthouse tilde mij aan mijn arm op om mee te gaan naar de tafels waar het buffet op stond uitgestald. Isaan voedsel in de breedste zin van het woord. Het enige wat ik kon herkennen op de grote tafel was een pan met rijst. Natuurlijk kreeg ik uitleg over wat het allemaal was. Orgaanvlees, rauw in reepjes gesneden en vermengd met knoflook en chilipepers. Natuurlijk zal er ook wel vissaus en limoensap inzitten. Mijn verontschuldigingen dat ik net had gegeten werden geaccepteerd en zo kwam ik goed weg. Vooral de schaal met “Dog” vlees vond ik minder aantrekkelijk.
Ik was ondertussen wel nieuwsgierig geworden waarom dit feest werd gegeven. Bij navraag kreeg ik een brok in mijn keel en ik wist niet goed of ik nu moest lachen of huilen. De gelegenheid waarom dit feest werd gegeven was omdat zijn schoonmoeder honderd dagen dood was. Het klinkt bij ons als een oude belegen grap maar hier waren ze serieus. Later heb ik uitgevonden dat het allemaal om geld draait. Des te rijker je bent des te uitbundiger wordt dit honderd dagen feest gevierd, als je heel rijk bent hou je ook nog een tweehonderd dagen feest.
Ondertussen was de muziek een paar tandjes hoger gezet en iedereen aanwezig zat uit volle borst de Thaise smartlappen mee te zingen. De tekst was mij onbekend en verder dan een beetje meeneuriën kwam ik niet. Het was al laat en ik vertelde mijn gastheer dat ik het wel tijd vond om terug te gaan. Dat was geen probleem, maar niet voordat ik nog een liedje in het Nederlands had gezongen. Er werd een microfoon in mijn handen gedrukt en ik dacht even na wat ik zou gaan zingen. Daar zat ik dan naast het podium “Eenzame Kerst” van André Hazes te zingen. Ze vonden het prachtig, mijn stem klonk als van een hese ezel.
Lachend in mijzelf zat ik achterop de brommer op weg naar mijn bed. Morgen vroeg op om een hele dag van de brommer te kunnen genieten.

Thailand, mijn eerste blik op de machtige "Mae Kong"

Chiang Khan, 12/02/1999

Vandaag stond er een lange reisdag op het programma. Ik was om tien over zes al uit de veren om de bus van zeven uur te halen. Een banaan, die ik op de kamer als reservevoorraad had bewaard, was mijn ontbijt. Later zou ik wel zien of iets meer zou kunnen eten.
Op het busstation was het vrij rustig en toen ik aan dezelfde persoon als gisteren vroeg om een kaartje vroeg voor de bus van zeven uur kreeg ik de schrik van mijn leven. In tegenstelling tot wat hij gisteren zei bleken er alleen bussen te gaan om zes uur en half negen.
“Doe me dan maar een kaartje voor de bus van half negen”, fluisterde ik hem toe.
Met een glimlach van een minder begaafde overhandigde hij mij het handgeschreven plaatsbewijs. Er was ruim anderhalf uur te doden voordat mijn reis voor vandaag echt zou beginnen.
Natuurlijk had dit ook een positieve kant! Ik had voldoende tijd om te ontbijten. Nadat ik de stalletjes rond het busstation allemaal had geïnspecteerd kwam ik tot de conclusie dat er in deze godverlaten hoek van de wereld weinig te eten was waar ik mij aan kon optrekken. Een klein trosje overbetaalde banaantjes werd uiteindelijk mijn ontbijt, samen met een lauwe cola want het ijs vertrouwde ik hier niet.
Nadat de reis was begonnen ervoer ik die als lang en saai. Er speelde teveel in mijn gedachten en de eindeloze rijstvelden en dorre bossen zetten mij aan tot nadenken. Er speelde veel door mijn hoofd.
Gedachten over Tessa en Marieke, “waarom was ik nog steeds alleen?”
Gedachten over Dean, “wat was er fout gegaan tussen ons?”
Gedachten over wat er gisteravond was gebeurd, “zag ik eruit als een homo?”
Je hoort wel eens mensen zeggen dat homoseksuelen het aan elkaar kunnen zien. Ik voelde me een beetje gebruikt gisteren, vooral na die opvoering van al die meisjes en de jongens als dessert.
Het overstappen op het busstation in Phitsanulok, waar ik al eens eerder was geweest ging niet van een leien dakje. Er moest opnieuw een uur worden gewacht en dat stelde mij in de gelegenheid om mijn knorrende maag met een gebakken rijst en een gebakken ei te vullen. De laatste twee banaantjes er achteraan en ik voelde mij een stuk beter na de mierzoete “3 in 1” koffie. Deze “3 in 1” koffie is een voorgemengd poeder bestaande uit oploskoffie, melkpoeder en suiker. Het is vaak de enige koffie die er te krijgen is. Ik denk omdat het gewoon gemakkelijk en de verpakking vooral mieronvriendelijk is. Het probleem voor mij is echter dat het goedje veel te zoet is naar mijn zin. De hoeveelheid warm water, de grootte van het kopje, draagt er ook aan bij dat het bijna niet te overzien is hoe de koffie zal smaken. De persoonlijke smaak van de restauranthouder zal op het einde wel de doorslag geven.
Om iets over één uur reed het machtige monster van de weg het busstation uit. Mijn maag was gevuld en was voorbereid op de volgende etappe van ruim vier uur. Het landschap was veel van hetzelfde en ging langzaam bijna onmerkbaar over in heuvels. Ik luisterde naar mijn walkman en probeerde zo goed als mogelijk een beetje te lezen in mijn Lonely Planet. Een beetje vooruit kijken voor wat er zoal te doen is in de buurt. Loei was de volgende plaats waar ik moest overstappen en geloof het of niet het was kil bovenop de noordelijk hoogvlakte. De zon stond al redelijk laag aan de horizon en ik zou nog moeten haasten ook om voor het donker op mijn plaats van bestemming te zijn.
Buiten het busstation stonden er hele rijen Songthaew’s in alle kleuren en maten die zouden uitrijden naar alle uithoeken van de provincie. Voor mij was het belangrijk om de juiste en vooral de snelste te vinden, en dit zonder dat ik een woord Thai spreek. Het geluk was aan mijn zijde toen een goedgeklede Thaise man mij in perfect Engels vroeg ik hij mij kon helpen. Binnen een poep en een scheet stond ik achterop een Songthaew, met de rugzak tussen mijn benen, die mij naar “Chiang Kahn” zou brengen. In iets minder dan een uur stond ik op de plaats van bestemming. De kaart in de Lonely Planet wees mij naar de rivier en met de rugzak op mijn rug liep ik naar de dijk die langs de Mae Kong loopt. Er was wel wat bebouwing buitendijks maar desondanks wierp ik voor het eerst in mijn leven een blik op “de machtige Mae Kong”.
Veel tijd had ik niet meer want het donker kon op elk moment invallen, in de verte zag ik al het uithangbord van het “Chiang Khan Guesthouse”. Daar zou ik vannacht slapen, dat stond al vast. Met een grote koude “Beer Chang” in de hand genoot ik van de zonsondergang over de Mae Kong rivier.

donderdag 11 februari 1999

Thailand, echt onder de Thaise mensen

Phrae, 11/02/1999

Een avond minder gedronken en veel langer geslapen. Dat klinkt vreemd maar zo is het wel gegaan vandaag. Het was een geen reisdag maar ik noem het een transitdag, de trip was te kort om er een hele dag aan te besteden en zodoende kon ik in de middag mijn doel voor de dag bezoeken.
Het wordt vervelend maar al schuddend in de trein met de ramen open rij je door een schitterend landschap. Langs dorpen en rivieren en overal zie je het leven op het platteland van Thailand. Ondertussen heb ik nu wel door hoe het werkt met de Songthaew chauffeurs bij aankomst. Ze beginnen allemaal met 150 baht, je lacht en loopt gewoon weg. Er zit er altijd wel eentje bij die eieren kiest voor zijn geld. Na honderdvijftig meter is de prijs weer op het normale niveau van 20 baht. En zo ook deze keer.
Ik had al snel mijn intrek in een klein hotel genomen en om één uur stond ik alweer buiten om naar het “Phae Meuang Pii” park te gaan. Ik was zo snel klaar met het zoeken van een hotel omdat ik wist dat het toch maar voor één nachtje was. Het kwam dus allemaal niet zo nauw. De recensie over dit vreemde geologische verschijnsel had mij nieuwsgierig gemaakt en ik had tenslotte tijd genoeg om ergens te stoppen. Sinds het vertrek van Marieke was er geen overleg meer nodig en ook kwamen er geen andere ideeën van een reisgenoot. Een vreemde verandering in het beleven van mijn dagen.
“Hoe zou het haar in Laos vergaan?”
“Zou ze al een andere reisgenoot hebben?”
“Zou ze ook wel eens aan mij denken?”
Veel vragen zonder antwoorden!
Opnieuw die vloot Songthaew’s voor mijn neus en opnieuw die absurde bedragen. Het begon me een beetje te ergeren. Mijn reisgids gaf duidelijk aan vanwaar de bus vertrok en hoeveel die zou kosten. Na een halfuurtje rijden werd ik op een verlaten kruising de bus uitgeschopt. Het bruine verkeersbord wees in het Engels en het Thai de weg. Ik had geen idee hoe ver het nog was en lopen was sowieso de enige optie. Met een brandende zon op mijn hoofd en het zweet op mijn rug ging ik op pad. Er was al een flink stuk gelopen toen er achter mij werd getoeterd. Ik schrok me een hoedje, in gedachten verzonken werd ik wreed uit mijn trance gewekt.
Een pick-uptruck met een monnik als passagier en een burger achter het stuur stopte naast mij en de twee wezen naar de bak achterop. Ik klom er snel in en bedekte mijn mond om zoveel mogelijk stof buiten te houden. Maar het was in ieder geval veel beter dan lopen. Bij aankomst bedankte ik voor de lift en ging in mijn eentje het park in. En het was een vreemde verschijning. Verschillende lagen rots in een veelvoud van kleuren waren geërodeerd tot vormen die op grote paddestoelen leken. Het had wel wat weg van een vreemde verre planeet.
Natuurlijk was ik hier snel klaar en zette vol goede moed de terugweg in waarop ik opnieuw een lift kreeg. Deze was wel heel anders. Een soort kleine vrachtwagen met een luid ploffende Chinese diesel voorop. Aangedreven met een V-snaar, versnellingsbak onbekend en de koppeling was afwezig of dusdanig versleten dat hij nu afwezig was. Mijn reisgenoot in het kleine bakje had alle moeite om zich op zijn vier poten staande te houden. Deze melkkoe had maar een hele kleine uier en ik hoopte voor de eigenaar dat dit in de toekomst snel zou veranderen. We gingen niet viel sneller dan een stevig wandeltempo.
Alsof ik alle hulp van de goden kreeg stond er binnen vijf minuten weer een bus voor mijn neus die mij terug naar het slaperige stadje zou brengen. Na een late lunch liep ik nog wat door het kleine verlaten stadje. Tempels zijn overal en ze zijn wel betoverend. Tijdens deze wandeling werd ik later op de avond uitgenodigd om bij een gezin in een klein winkeltje wat te drinken. Ik kocht een paar flessen “Beer Chang”, wat nu mijn vaste biermerk was geworden, en een klein flesje Thaise Whisky voor de gastheren. Het was een plezierige avond met mijn Thaise reiswoordenboek als middelpunt. Het ging moeizaam maar we konden elkaar toch redelijk begrijpen.
Ik had het niet meteen door maar een kleine groep oudere vrouwen kwamen en keken rond om daarna weer achter een gordijn te verdwijnen. Het spektakel was begonnen nadat ik de opmerking had geplaatst dat ik nog vrijgezel was. De mededeling dat ik liever vrijgezel bleef werd met een glimlach geaccepteerd. En eindelijk viel het kwartje, ik bedankte het echtpaar voor hun gastvrijheid en maakte aanstalten om te verdwijnen. Maar dat ging niet zo eenvoudig als ik had gedacht. Ondertussen waren er ook twee mannen aangeschoven die wel enig Engels spraken.
“I can come with you to hotel”, glimlachte een Thai enigszins flirtend.
“I have real good sex, don’t worry”, met een nog bredere grijns.
Ik wuifde het weg en bedankte voor de eer. De sfeer sloeg om en werd voor mijn gevoel een beetje grimmig. Tijd om te vertrekken! De rekening werd betaald en de mensen aanwezig in het kleine winkeltje waren duidelijk niet zo blij met mijn besluit om zo plotseling te vertrekken. Op weg naar mijn hotel keek ik een paar keer over mijn schouder om er zeker van te zijn dat ik niet werd gevolgd en de adrenalinestoot had mij bijna weer nuchter gemaakt. Het bleek achteraf allemaal niet zo gevaarlijk als het op het eerste gezicht had geleken. Toch had ik een nare smaak in mijn mond na deze vervelende ervaring. Goed slapen, want morgen heb ik een paar honderd kilometer met de bus voor de boeg.
Copyright/Disclaimer