dinsdag 26 februari 2008

Sri Lanka: Alle wegen leiden naar Kandy

Kandy (Olde Empire Hotel), dinsdag 26 februari 2008

Kandy was en is nog steeds het religieuze centrum van Sri Lanka. Zelfs toen de Hollanders en Portugezen hier de baas waren ging hun invloed niet verder dan een kilometer of twintig landinwaarts. Zij waren de baas in de kustlijn maar de rest van het land werd geregeerd door de boeddhistische geestelijken in Kandy. Het is dan ook niet moeilijk om zich voor te stellen dat Kandy, als in het midden van een spinnenweb, het centrum is van het wegennet. Van zuid naar noord en van west naar oost lopen alle wegen en paden naar Kandy.
Na het avondeten ben ik gisterenavond vroeg naar bed gegaan. De beklimming had me gesloopt en ik was zeer vermoeid van de mooie, maar genereus beloonde, tocht naar de top van “Adam’s Peak of beter gezegd Sri Pada” voor de Srilankanen. Als een blok ben ik in slaap gevallen en heb, zonder ook maar een moment wakker te zijn geweest, in een keer doorgeslapen totdat de Chinese reiswekker me roept.
Untitled
Om iets voor half zeven wordt ik weer redelijk fris wakker, ik kan mijn benen goed voelen! Hoewel ik veel en vaak, ook langere afstanden, wandel is een beklimming tot 2.243 meter over betonnen trappen weer een heel andere discipline. Vandaag zal het geen vermoeiende dag worden, maar wel word waarschijnlijk wel een lange dag.
Het doel voor deze ochtend is om uiterlijk half elf in Hatton te zijn. Daar nemen we de aansluitende trein naar Kandy van drie minuten voor elf. De bus van half negen is spelen met het noodlot dus hebben we tijdens het avondeten besloten om de bus van acht uur op deze ochtend absoluut niet te missen.
Om zeven uur zit ik al gezakt en gepakt aan het ontbijt terwijl Graham nog bezig is met zijn rugzak in te pakken. Op het moment dat het eerste gedeelte van het ontbijt arriveert roep ik Graham en tegen de tijd dat hij aan tafel is aangeschoven staat het wel zeer uitgebreide ontbijt op tafel. Het is een lust voor het oog en het smaakt ons nog veel beter.
Untitled
Het “Green House” in Dalhousie is ten zeerste aan te bevelen voor een kort verblijf in de buurt van het pad naar “Sri Pada”! Mijmerend over de zware klim komen we samen tot de conclusie dat we uiteindelijk toch de beste optie hebben gekozen. Weer een zonsopkomst had ons hoogstwaarschijnlijk toch meer niet aangesproken en terugkijkend was onze plotselinge beslissing om de beklimming van “Adam’s Peak” ’s middags te doen goed uitgevallen.
Tijdens de korte wandeling van het “Green House” naar het pleintje waarvan de diverse bussen vertrekken sputteren mijn benen wat tegen maar het doet me goed om te zien dat de goed getrainde Graham ook niet helemaal okselfris is na die klim van gisteren. Op het plein staat het felgekleurde gezelschap, dat we nu wel gewend zijn, op de diverse bussen te wachten. Er zijn opvallend weinig toeristen en dat doet ons goed. De beklimming van “Adam’s Peak” zal niet in veel rondreizen van de OAD en de Kras worden opgenomen! Die toeristen uit Nederland zien we vanavond wel in Kandy!
Zoals verwacht vertrekt de bus van acht uur later, niet ècht veel later, maar toch genoeg reden om de chauffeur van de bus van half te instrueren om ook later te vertrekken. Wij hebben in ieder geval de tijdswinst al binnen. Toch zijn we er niet honderd procent zeker van dat wij wel op tijd in Hatton zullen arriveren. Openbaar vervoer in dit deel van de wereld beweegt zich nog steeds op gevoel en emotie, niet op een klok. De enige klokken die ze hier kennen zijn de zon en de roep van de maag.
Untitled
We zoeken een, veel te kleine, zitplaats in de overvolle bus en zoals we ook al gewend zijn zal er geen enkele Srilankaan zijn zitplaats opgeven zodat Graham en ik naar elkaar kunnen zitten. Normaal zou dat geen probleem zijn maar zodra de bus in beweging komt slapen alle passagiers die niet van Europese afkomst zijn. We geven het heen en weer geschreeuw al snel op en genieten onafhankelijk van elkaar van de geboden vergezichten en landschappen. Mensen en hun dagelijkse bezigheden trekken aan ons voorbij.
UntitledUntitled
We rijden en rijden maar “Adam’s Peak” blijft aan de horizon. Dat geeft goed aan wat voor een enorme granieten puist, dat bedoel ik niet oneerbiedig, we eigenlijk hebben beklommen. Zodra “Adam’s Peak” aan de horizon is verdwenen wordt ik onverwacht door de schommelende bus in slaap gewiegd. Graham maakt me snel wakker! Het is van belang om wakker te blijven want voordat je het weet stapt een Srilankaan uit met jouw rugzak op zijn rug en een half uur later ben je alles kwijt.
Hatton treinstation
Hatton treinstation
Op het station van “Hatton” aangekomen, gelukkig zijn we toch nog vroeger dan gedacht, hebben we twee plotseling de luxe om te kiezen uit twee mogelijkheden om onze reis naar Kandy te vervolgen:
1. Òf we nemen de trein van elf uur tot aan “Gampola” en dan reizen we verder met de bus naar Kandy.
2. Òf we wachten op het station op de trein die om twee uur vertrekt en die rechtstreeks naar Kandy gaat.
Untitled
Het wordt natuurlijk de eerste optie! Het kopen van plaatsbewijzen is altijd een avontuur op zich. Prijzen verdubbelen zich zo maar ter plaatse zonder een duidelijke reden. Het enige dat we ook nu weer kunnen bedenken is gewoonweg dat we twee blanken met blond haar zijn. Een heel donkere man met een enorme zwarte snor onder zijn neus kijkt ons met grote witte ogen doordringend aan.
Zijn balpen krast over de ouderwetse kartonnen treinkaartjes, zoals ik me die ook nog uit Nederland kan herinneren, en zegt: ‘Twee keer negen en veertig rupiah!’
Wij kijken elkaar aan maar zijn niet verbaasd. Waarom zouden we überhaupt ruzie gaan staan maken om een paar eurocent? De gedachte die hier achter steekt kan ons ook al lang niet meer boeien! Is het de politiek van de staats spoorwegen of verdwijnen die paar rupiah in zijn eigen diepe zakken? Wij gaan in ieder geval met een gerust gevoel op weg naar “Gampola”.
Op weg naar GampolaOp weg naar GampolaOp weg naar Gampola
De treinreis is minder boeiend dan die van gisteren. Het enige noemenswaardige moment is dat de trein op een heuvel zijn tractie verliest door een te lage snelheid. Slippende wielen met een vuurwerk van vonken van staal op staal zijn het spectaculaire gevolg. Daarna kakken we samen weer in door de vermoeidheid van de klim van gisteren die ons nog steeds parten speelt. Onze medereizigers zijn ook niet erg spraakzaam. Iedere keer wanneer we wakker schieten, om beurten of samen tegelijk controleren we onze rugzakken. Het dievengilde slaapt nu eenmaal nooit! Buiten het station van Gampola hebben we al snel de bus naar Kandy gevonden. Door de snelle aansluiting blijven we goed op het door ons voorgenomen tijdschema.
Kandy lijkt op het eerste gezicht een vriendelijke stad. Tijdens de korte wandeling naar het hotel dat we in gedachten hebben zijn we positief verrast door de enorme drukte op straat. We hebben in tijden niet zoveel mensen bij elkaar gezien. Het lijkt wel een mierenhoop, een erg welkome mierenhoop. Er zijn ook bakkerijen en cafés, er is zelfs een “Pizza Hut”, we hoeven hier niet eens over te praten. Elkaar aankijken is genoeg om tot een eenzijdig besluit te komen. Vanavond geen rijst met een vaag vleesgerecht maar PIZZA!
Olde Empire HotelOlde Empire Hotel
We nemen kamers in het “Olde Empire Hotel” net naast de tempel van de heilige tand. Het oude hotel, dat in vervlogen tijden zelfs statig moet zijn geweest, loopt over van de geschiedenis en nostalgie. Alleen de aanblik van de gevel al zet bij een doorgewinterde rugzak artiest zijn nekharen recht overeind. Wanneer je in Kandy bent geweest moet je een keer in dit hotel hebben geslapen. Het “Olde Empire Hotel” is niet het meest luxueuze hotel in Kandy maar wat kan je verwachten voor 575 Roepies (€ 3,50) per nacht? We nemen afscheid en splitsten ons op. We hebben tijd voor onszelf nodig en gaan ieder onze eigen weg in de middag. Graham heeft ook wat persoonlijke zaken te regelen en dan kan je beter alleen zijn.
Zelf rust ik wat uit op de heerlijke veranda van het hotel en geniet van het uitzicht over het kunstmatige meer in het midden van Kandy. Mijn benen zijn erg dankbaar voor de rust die ze eindelijk krijgen. Benen omhoog en de thee met koekjes wordt geserveerd door een in smetteloos wit geklede ober, inclusief de tulband, die zo uit het sprookje “Duizend en een nacht” is gestapt. Na de thee en de koekjes heb ik ook nog wat tijd over en een rondje om het meer lijkt de ideale wandeling om deze mooie dag tot een nog mooier einde te brengen.
World War I memorial cross at George E. de Silva Park
Ook hier in Kandy zijn er veel sporen van de engelse overheersing. Vanzelfsprekend moesten onderdanen uit het gehele Britse keizerrijk vechten in de vele oorlogen die het keizerrijk voerde. Een monument voor de gevallen soldaten uit Kandy die in de grote oorlog, wij noemen die “de eerste wereldoorlog”, zijn gesneuveld is dan ook niet verbazingwekkend.
Bogambara PrisonQueen's Bath
Een stukje verder passeer ik de dikke muren van de “Bogambara Prison”, die natuurlijk ook door de Britten is gebouwd om de opstandigen onder de bevolking op te sluiten. De wandeling langs het kunstmatige meer blijkt niet zo mooi als ik me had voorgesteld. Het verkeer raast onafgebroken langs je heen. Met een flinke pas loop ik mijn benen weer los totdat ik aan de andere oever op een verkeersvrij pads terecht kom. Het badhuis van de koninginnen van Kandy is een pareltje. Ik heb geen idee welke bouwstijl dit is maar het gebouw is ondanks de kleine afmetingen toch indrukwekkend.
Verlost van het vuil
De gemeenschappelijke douche is van een standaard die veel Nederlanders zouden afwijzen maar voor mij wordt het de hoogste tijd om me weer eens te wassen. Daartegenover staat dat de dikke witte badhanddoek heerlijk fris ruikt. Het water is warm genoeg en na twee nachten zonder douche is het weer heerlijk ontspannen onder het gemalen water. Met een hoopje vuile kleding onder de arm en de badhanddoek om mijn middel loop ik heerlijk fris terug naar mijn kamer. Na het afdrogen is mijn handdoek zo zwart dat het lijkt of ik de afgelopen twee dagen in een kolenmijn heb gewerkt!
Zoals eerder vermeld, Pizza als avondeten. Twee verschillende pizza’s om nauwkeuriger te zijn die Graham en ik met plezier delen. Deze franchise van de Pizza Hut is waarschijnlijk nog niet zo lang open. We zijn de enige gasten in het restaurant gedeelte. Op zich is dat niet zo vreemd gezien de prijs van een pizza. God weet hoe lang de naar binnen starende mensen die het restaurant passeren moeten werken voor een broodplaat met tomatensaus en kaas.
In de keuken gaat het ook nog niet helemaal naar wens. Er staan drie bezorgers nerveus te wachten op de bestellingen die ze moeten gaan afleveren. Het volautomatisch bakken van een pizza blijkt toch moeilijker te zijn dan ze hebben gedacht. Na veel te lang wachten verschijnen eindelijk de pizza’s op tafel, vergezeld met ontelbare verontschuldigingen. De pizza’s zijn in ieder geval heerlijk na een week van het slechte Sri Lankaanse voedsel. Het lange wachten wordt rijkelijk beloond. Het eten is tot nu toe in Sri Lanka heel slecht en het zal waarschijnlijk alleen nog maar slechter en duurder worden in dit toeristen metropool.
Twee flessen bier in de “Pub Royale” in het “Queen’s Hotel” maken de avond kompleet en het duurde niet lang voordat ik weer op bed lag. Morgen gaan we een dagje cultuur doen.

maandag 25 februari 2008

Sri Lanka, Sri Pada (Adam’s Peak)

Dalhousie, 25/02/2008

Het was opnieuw vroeg opstaan en het zag er niet naar uit dat ik zou kunnen uitslapen in de komende dagen. Ik ben moe, erg moe. De combinatie van een paar dagen erg vroeg opstaan, slecht eten en vijf keer naar de wc in een half uur vannacht had zijn tol geëist. Tel daar bij op dat een medewerker van het hotel om half twaalf als een bezetene de papieren verpakking voor de lunchpakketten begon te stempelen en het hebt een heel slechte nachtrust.
Om half zeven liep de wekker dus af en das was het voor “Haputale”, rustig de rugzak inpakken en een ontbijt nuttigen en daarna op weg naar de laatste van de grote wandelingen “Sri Pada” oftewel “Adam’s Peak”. De trein zou om twaalf voor acht vertrekken vanaf het station dat op nog geen honderdvijftig meter van mijn hotel lag. Ik ben lui van natuur en verblijf nu eenmaal graag in hotels die dichtbij bus en treinstations liggen. Ook al betekend dat vaak dat het niet de beste of mooiste locatie is.
Het afrekenen in Sri Lanka was tot nu toe altijd een verrassing geweest. In mijn kleine notitieboekje had ik bijgehouden was ik had gegeten en gedronken in de laatste drie dagen. Een ruime berekening bracht me op 6000 Roepies totaal, ongeveer € 40,-. De neef van de eigenaar deed zijn best om alles uit te rekenen en presenteerde mij de nota die volgens hem 5945 Roepies bedroeg. Ik kon daar goed mee leven en overhandigde hem de 6000 die ik al had klaargelegd. Dit hoofdstuk was nu beëindigd en ik was klaar om te vertrekken en aan een nieuw hoofdstuk van Sri Lanka te beginnen.
Met de rugzak op mijn rug stapte ik de frisse ochtendlucht in. De zon was al aardig warm en het weer leek nog het meest op een mooie herfstdag in Nederland. Het kaartloket in het station was net open toen ik de entree van het kleine station betrad. Ik hoorde mijn naam in koor roepen en keek verbaasd door de deur naar het perron waar Mohammed en Graham zij aan zij stonden. De twee wisten niet van elkaar dat ze beiden bekenden van mij waren. Ik stel het zeer op prijs dat Mohammed zelf nog een keer afscheid kwam nemen en het was leuk om Graham weer te zien en iemand in de trein te hebben om een praatje mee te maken.
De treinreis naar “Hatton” wordt gezien als één van de mooiste in de wereld, zij het dat je eigenlijk in “Ella” zou moeten beginnen. Mijn oorspronkelijke idee was om deze treinreis per stoomtrein te doen, maar deze treinservice is geschorst bij gebrek aan toeristen hier op Sri Lanka. We hadden goede plaatsen en genoten van het uitzicht dat ik onmogelijk kan beschrijven. Nadat het allemaal een beetje teveel van hetzelfde begon te worden hadden we tijd voor een gesprek en te informeren wat onze verdere plannen waren.
Graham was bijna in zijn laatste week en had een beetje haast om nog wat in het noorden te zien. Zelf had ik voldoende tijd maar geen trek om een dag rond te hangen in een klein dorpje aan de voet van een bedevaartsoord. Na wikken en wegen vonden een gemeenschappelijke oplossing. We zouden proberen om “Sri Pada (Adam’s Peak)” vanmiddag te beklimmen. Het had voor ons geen nut om de zonsopkomst op weer een andere berg of uitkijkpunt te zien.
We hadden geluk! De bus stond met draaiende motor voor het station te wachten om ons naar “Dalhousie” te brengen, het begin van de bedevaart. Ondertussen had het noodlot ook toegeslagen! Bij het verlaten van de trein was ik onder de voet gelopen door een horde Srilankanen die geen enkel respect toonden voor de mensen die de trein wilden verlaten. Ze wrongen zich aan beide zijden langs me heen geen rekening houdend met mijn rugzak en ledematen. Mij schouder werd op brutale, en pijnlijke, wijze uit zijn fatsoen gerukt. Het was geen goed gevoel.
De busreis ging natuurlijk door heuvels met theestruiken en een stuwmeer was de welkome afwisseling in het theelandschap. De lucht was staalblauw en het weer zag er goed uit. “Dalhousie” werd sneller bereikt dan we dachten, met open monden en vol ongeloof zaten we in de bus op een plein in Dalhousie. Er was een kleine twee uur voorbij gegaan zonder dat we het ons eigenlijk hadden gerealiseerd. “Green House” was volgens de LP een goede plaats om te slapen en zijn ligging maakte het een perfecte plaats om de klim naar de 2243 meter hoge “Sri Pada (Adam’s Peak)” te beginnen. Alles liep perfect en in een poep en een scheet stonden we om één uur klaar om aan de klim te beginnen.

Het begin van het pad was kinderlijk eenvoudig en liep door een kleine braderie waar alle in de wereld geproduceerde goedkope rotzooi aan de man werd gebracht. De eerste tempel verscheen op het hoornvlies en het werd rustiger. Een gestage stroom van bedevaartgangers op weg naar beneden passeerde links en rechts van ons. Graham was superfit en ik vocht na dertig minuten al tegen de pijn in mijn lichaam en de vermoeidheid.
“Ga maar alleen verder”, vertelde ik Graham.
“Maar je komt toch wel naar de top?, vroeg hij.
“Ik zie wel hoe hoog ik kom, mijn hele lichaam doet pijn”, antwoordde ik met een zure glimlach op mijn mond en een onwetende gelaatsuitdrukking.
Graham verdween als een schim in de verte en ik bleef vechtend tegen de vermoeidheid alleen achter. Het zweet liep uit mijn lichaam en er was na de diarreeaanval van vannacht weinig energie achter gebleven. Een paar snoepjes gaven me de brandstof die ik nodig had om verder te klimmen. De totale hoogteverschil van de klim is ongeveer duizend meter over een pad van viereneenhalve kilometer lang. Niet gemakkelijk dus! Een fles zoete limonade gevolgd door een banaan gaven me meer suiker om de tocht naar boven te voltooien. Op één punt in de klim krijg je de top van de berg goed in zicht. Waar het bos overgaat in de rots was mijn nieuwe richtpunt.
“Als ik die rots haal, dan haal ik ook de top!”, plantte ik in mijn hoofd.
Moeizaam ging ik naar boven omgeven door mensen die soms wel anderhalf keer mijn leeftijd hadden. Op een moment werd ik zelfs ingehaald door een drager met een zak rijst van zeker veertig kilo op zijn hoofd. Het was fascinerend om te zien dat alles in de leeftijd tussen pasgeboren en zeer oud de weg naar de top volgde. Meer bananen en zoete frisdrank als brandstof. Mijn dijen begonnen nu echt pijn te doen en dat terwijl het pad een beetje gemakkelijker werd. En daar was ik dan, aan de voet van de kale rots.

Nu zou ik ook helemaal naar boven gaan! Mijn GPS vertelde dat ik nog ongeveer 350 meter moest klimmen. Ik zou het halen! In stappen van twintig meter hoogteverschil begon ik aan de treden van de betonnen trap. De treden waren erg ongelijk, soms tien centimeter en soms wel vijftig centimeter. Ik sleepte me naar boven en het werd steeds moeilijker. De twintig meters werden tien meters en die gingen weer over in tien treden per keer. Het zingen van de monniken kondigde aan dat ik nu dicht bij de top kwam, er was zelfs al een stukje van het gebouw te zien. Het werd steeds moeilijker en het stijgen tussen twee rustpunten steeds korter.
Na drie uur en een kwartier stond ik voldaan op de top van “Sri Pada (Adam’s Peak)”. Graham stond lachend in een hoek met een paar andere bedevaartgangers te praten terwijl ik me op een plaatsje in zon en uit de wind nestelde om op te drogen en mijn adem te hervinden. Ik had het wel gehaald! En dat ondanks ik zou ziek was geweest vannacht. Ongeveer een uurtje heb ik op de top doorgebracht met bidden en rondkijken wat er zo allemaal rond ons heen gebeurde. Ik kreeg de zegening van de priester in de vorm van een gouden stip op mijn voorhoofd en dacht wat na over de zin van het bestaan. Het is een magische plek dat “Sri Pada (Adam’s Peak)”.
Alleen ging ik omhoog en alleen begon ik aan de afdaling. Graham zou me later wel inhalen en ik twijfelde daar geen moment aan. Omlaag was niet veel eenvoudiger dan de tocht omhoog. De knieën moesten de schokken van de ongeveer 8500 treden opvangen en bij elke stap naar beneden voelde ik de pijn in mijn schouder. Het was even doorbijten. Grote groepen kwamen mij tegemoet om de nacht op de top door te brengen. Zij zouden in alle vroegte afdalen na de zonopkomst te hebben aanschouwd. Nadat Graham zich bij mij had aangesloten veranderde het afdalen. Ons gesprek leidde de aandacht wat af en het lopen werd gemakkelijker.
Om half acht melden we ons bij het “Green House” voor het avondeten en dat was het einde van de dag. Een heerlijke combinatie van rijst en verschillende kerriegerechten , en dat voor de pakketprijs van 1430 Roepies voor slapen, avondeten en ontbijt. Ik wilde nu slapen. Voldaan zocht ik mijn bed op en viel meteen als een blok in slaap, trots op wat vandaag had gedaan. Het actieve gedeelte zit er nu op, morgen naar “Kandy” waar we aan het religieuze gedeelte beginnen. Welterusten.

zondag 24 februari 2008

Sri Lanka, naar het andere einde van de wereld

Haputale, 24/02/2008

Om kwart voor vijf strompelde ik door het donker, na een goede nacht slapen, naar de badkamer en probeerde zo snel als mogelijk gereed te zijn om naar buiten te gaan. Er was een nieuwe chauffeur gevonden en die was nog goedkoper ook, maar daar ging het me niet om. Er waren nu duidelijke afspraken gemaakt over de prijs en wat we zouden doen vandaag. Als alles naar wens ging dan hou hij zeker nog een fooi krijgen ook. Mijn ontbijtpakketje hing weer aan de deurklink en binnen tien minuten stond ik weer in de garage van het hotel op mijn vervoer te wachten.
Deze bus was wel verwarmd en in stilte gingen we op pad door de nacht naar “Lipton’s Seat”. Een andere berg waarvan ik al van had gehoord dat hij beter zou zijn dan “World’s End”. De reden voor de stilte was eenvoudig, de man sprak heel beperkt engels. Vijf uur in de ochtend had hem ook verrast als tijdstip voor de start van de dag. Natuurlijk was de reden voor dit vroege uur de zonsopkomst vanaf “Lipton’s Seat”. Afstanden zijn beperkt in Sri Lanka maar het wegennet door de bergen laat geen hoge snelheden toe, twintig kilometer per uur is al een goed gemiddelde.
Het was nog pikkedonker toen we bij “Lipton’s Seat “ aankwamen, in de verte vochten de eerste zonnestralen tegen het donker en we weten allemaal wie uiteindelijk zou winnen. Donker ging over in schemer en onthulde de laaghangende bewolking in de vallei. Een beetje pech dus! De zon kroop langzaam omhoog en de camera stond klaar om deze zonsopkomst te vereeuwigen in nullen en enen. Om de paar minuten schoot ik een foto en toen ik klaar was ging ik even rustig zitten genieten van het uitzicht. De zon warmde me op en ik bedacht dat het veel beter was dan gisteren.

De theefabriek was gepland als de volgend stop maar dat viel af omdat ik het tijdschema had veranderd. Normaal pikte de chauffeur je om zeven uur op maar de twee uur verschil maakte wel dat de theefabriek pas over anderhalf uur open ging.
Wachten was gekheid en dus gingen we meteen verder naar “Bandurawella”, mijn kleine ontbijtpakketje was al opgenomen in mijn spijsverteringskanaal en ik had door de kou alweer trek in wat te eten en een kop thee. In een klein moslim theehuis zocht ik wat brood uit en bestelde een kop thee zonder melk en met een beetje suiker. Dampend werd het vocht in een glazen pul zoals we kennen van de mosterd geserveerd. Met melk en véél suiker, en maar vriendelijk knikken als je het niet verstaat. Na de helft te hebben op gedronken kreeg ik het niet meer door mijn keel en liet de rest staan.
“Laten we maar verder gaan”, zei ik tegen de chauffeur.
Zijn hoofd zat met één bout vast en hij draaide met één hand een lamp in. M.a.w. ik ben het er mee eens ook al versta ik er geen moer van.
“Dowa Tempel?”, vroeg ik.
Zijn ogen begonnen te glimmen bij het horen van de woorden “Dowa Tempel”. Hij werd nu ook wat spraakzamer en ik moet mijn woorden terug nemen. Hij verstond het engels prima maar had angst om het te spreken. Hij sprak ook wat binnensmonds wat het voor mijn teruglopende gehoor een beetje moeilijker maakte.

De “Dowa tempel” is niet echt oud maar wel de moeite waard en bestaat uit een grottempel en een vier meter hoge Boeddha die in de bergwand is uitgehouwen. Bij aankomst was er een drukte vanjewelste, jongens en meisjes gekleed in smetteloos wit voerden een ritueel uit dat misschien wel eeuwenlang van generatie op generatie was overgeleverd. Sprakeloos stonden we samen op blote voeten te kijken wat er zou gaan gebeuren. Er werd gedanst en gezongen , een stoet kruiste dansend zigzag door de stilstaande rijen jongens en meisjes. De chauffeur was hiervan ook zichtbaar onder de indruk en ik wist haast zeker dat hij dit ook voor de eerste keer zag. Nadat we gebruikelijke ronde over het tempelcomplex hadden gemaakt was het tijd om alweer naar de laatste activiteit van de dag te gaan.

De schoonheid van het berglandschap in Sri Lanka is moeilijk te beschrijven en fotograferen lukt al helemaal niet, maar ik zal het toch zo goed mogelijk proberen. We reden over smalle bergwegen omringt door velden met theestruiken op hoge steile hellingen. Ruige pieken op de bergen met hier en daar het smaragdgroen onderbroken door kale rotsen. We waren nu op weg naar “Ella Gap”, een kloof tussen twee flinke bergen. Één van die pieken zouden we beklimmen. “Little Adam’s Peak” zoals de naam al doet geloven is een solitaire rots in een berglandschap van onbeschrijfelijke schoonheid. De wandeling naar de top is niet echt zwaar maar zeer de moeite waard. Op de top kijk je uit over de vallei waarin “Ella” zelf ligt en aan de andere kant ligt de diepte van een hoogvlakte die naar “Badulla” loopt. Recht tegenover ligt een andere bergtop,”Ella Rock “ met een veel zwaardere klim naar de top. Onder me vocht een felrode bus zich omhoog terwijl een witte bus wachtte op de rand van de afgrond, klein als “Dinky Toys”. Het was een schitterend uitzicht en het weer was me nog steeds goed gezind.
Na een half uur was het rijd om de terugweg aan te gaan. Het was zeker nog wel een kleine twee uur rijden voordat we terug zouden zijn in “Haputale”. Onder weg ging ik het gesprek aan met de chauffeur of we alsnog de theefabriek konden bezichtigen. Het was geen probleem maar hij moest wel helemaal terugrijden. Een extra dertig kilometer, voor duizend Roepies meer zou hij het kunnen doen. Dit was een eerlijk en open gesprek over een zakelijke transactie en ik wilde de theefabriek zien voordat ik verder zou gaan. Na vandaag was het berglandschap voorbij en zou ik aan een ander bedrijf beginnen van mijn reis door Sri Lanka.
“OK, vijfendertighonderd Roepies totaal voor de dag”, zei ik terwijl ik hem op de schouder klopte.
“OK, we go tea factory”, lachte hij luid terug.
De radio ging aan en met Srilankaanse popmuziek op de achtergrond waren we op weg naar de theefabriek. De chauffeur is kind aan huis bij de theefabriek en dat was goed te merken. Bij aankomst schreeuwde hij wat naar een medewerker van de fabriek die in de tuin aan het werk was. Hij liet meteen al zijn gereedschap vallen en kwam op een draf aangerend om de poort voor me te openen. De zware ketting gleed uit de grote stalen ogen en de deur ging piepend open.
De grote witte theefabriek van “Dambatenne” lag voor me.

De tuinman ging me voor en samen betraden we de fabriek waar de lichte verse theegeur het eerste was wat me opviel. Niet uitzonderlijk die geur in een theefabriek maar het was een frissere theegeur als van pas gemaaid gras. Een lange man met een grote snor zat in een kantoor waar ik naar binnen werd geleid en vanaf dit punt verdween de tuinman weer om zijn werk af te maken. Het was niet druk in de fabriek, beter gezegd, ik was de enige gast op dit tijdstip. Een paar korte opmerkingen werden in een groot indrukwekkend logboek geschreven en de manager van de fabriek was klaar om me rond te leiden. Wel eerst even tweehonderd Roepies aftellen want niets is voor niets in de wereld.
Als eerste gingen we naar de eerste verdieping van de fabriek. Het liep tegen het middaguur en de eerste vrachtwagens met pas geplukte theebladeren arriveerde bij het losstation. De zakken werden gelost en na het wegen doorgestuurd naar de droogbakken.

Warme lucht wordt vanonder door grove roosters door de bladeren geblazen. In de droogbakken verliezen de bladeren (en steeltjes) ongeveer 35% van hun vocht. Afhankelijk van het weer, zeg maar de externe vochtigheid van de bladeren, duurt dit proces tussen te twaalf en zestien uur. Één droogbak bevat 1500 kilo vers geplukte bladeren.

Nadat de bladeren voldoende zijn ingedroogd gaan ze via een gat in de vloer naar de maalmachines die met langzame horizontaal rondgaande bewegingen als molenstenen de vochtige bladeren klein maken. Op dit moment zien de , nog groene, theebladeren er uit als verse paardenmest. De doordringende geur van vochtige gemalen theebladeren verspreid zich van hier door de gehele fabriek.

De volgende stap is het snijproces, in vier stappen door wormsnijders met steeds kleiner wordende messen wordt het groene theemengsel tot een heel fijn bruin gruis. In deze wormen wordt door de warmte de thee geoxideerd en krijgt zijn unieke smaak.

De thee heeft nu zijn uiteindelijke structuur en gaat van hier naar de, door enorme door oliegestookte branders verwarmde, droogtunnels. De vochtige zachte bruine thee verlaat de computergestuurde tunnels als harde zwarte thee. De thee is nu klaar met het bereidingsproces en begint aan het sorteerproces.

In negen stappen van zeven en sorteren wordt de thee op zijn uiteindelijke kwaliteit gebracht. Acht verschillende kwaliteiten zijn er, uit de partij die door de vrachtwagens zijn aangeleverd, over. Van hele dure tot het kaf gemaakt uit de steeltjes. 375 kilo is er uiteindelijk overgebleven van de 1500 kilo die zijn reis in de droogbakken is begonnen.

Nu begint het belangrijkste gedeelte van het proces, het proeven en verpakken. De thee wordt verpakt in zakken van 65 kilo, een lot thee bevat 20 zakken en weegt 1300 kilo. Stalen van een kilo worden afgenomen en gaan naar Colombo voor de theeveiling. De rest is transport en mengen voordat het verkwikkende vocht ’s ochtends in ons kopje bij het ontbijt verschijnt.
Copyright/Disclaimer