donderdag 13 februari 2014

Thailand: Met de trein naar Bangkok

Bangkok (Merry V guesthouse (D5)


We hebben ons prima vermaakt in de jungle en de gastvrijheid die we hebben genoten bij John en Yu is bedankt met een afsluitend diner bij de “Pink Elephant”. Hoe verzin je zo’n naam voor een restaurant? En dan ook nog met een verlichting in de hoofdkleuren rood en blauw! Precies die twee kleuren die het eten dat geserveerd wordt er uit laat zien of het in een verre toekomst zo uit een machine is gekomen. Het lijkt niet eens meer op eten maar op klodders boetseerklei in vreemde kleuren. Maar de smaak was prima en Lightroom5 doet de rest om de foto’s weer toonbaar te maken.

Na enkele dagen bij John en Yu in de jungle wordt het voor ons de hoogste tijd om weer verder te gaan. We hebben nu nog maar twee bestemmingen te gaan voordat we weer naar huis gaan. De eerste is een weekend in Bangkok en daarna nog ruim een week in Pattaya. De motor blijft achter bij John in Bua Yai dus moeten we op eigen gelegenheid weer verder.
Het openbaar vervoer is op het eerste gezicht prima geregeld in Thailand maar het is ook niet zonder gevaren! Voor de langere afstanden, we praten in Thailand over uren en niet over kilometers, heb je de keuze uit
mini-busjes (zeer gevoelig voor ernstige ongelukken met meerdere doden elke dag)
touringcars (goed te doen, stoppen regelmatig maar verongelukken af en toe, vooral nachtbussen)
de trein (gevoelig voor storingen maar sinds een paar jaar een prima alternatief, iets duurder dan de bus maar wel langzamer en veiliger)
het vliegtuig (langere reistijden dan verwacht door b.v. het wachten op de luchthaven en hogere kosten)
De kaartjes voor de trein zijn gisteren al gekocht omdat ik me geen beeld meer kan vormen over de drukte in de Thaise treinen. De stoelen zijn genummerd dus “vol is vol!” Mijn gevoel zegt dat steeds meer mensen voor de trein kiezen. Zeker wanneer in de niet al te verre toekomst het aantal treinen op de belangrijkste routes verdubbeld of verdrievoudigt worden.

John moet twee keer de tien kilometer heen en weer rijden om ons allebei op het station te krijgen. We nemen afscheid en zoeken een plaatsje op het perron waar het opvallend druk is. Veel mensen staan te wachten op een lokaal boemeltreintje dat ze voor een paar baht naar Khorat, honderdtwintig kilometer verderop, zal brengen.
De blanke met het witte haar valt meteen op en het duurt niet lang voordat de assistent stationschef me komt vertellen vanaf welk perron de trein naar Bangkok zal vertrekken. Niet dat dat nodig is want hier vertrek er een trein elke twee uur en dan zal ik me toch niet zo snel in de trein vergissen? Maar het is goed bedoelt dus bedank ik hem uitbundig waarbij de Thai die om ons heen staan zich met open monden verbazen.
“Het spoor ligt er prima bij”, een tik die ik heb overgehouden aan mijn vier jaar bij de Struckton, een onderaannemer van de Nederlandse Spoorwegen aan het begin van de jaren tachtig.
Er is al veel over de slechte kwaliteit van het spoor en rollend materieel geschreven in de krant en ze hebben hier in Thailand nu eindelijk werk gemaakt van het spoor. Er is veel geld geïnvesteerd in verbeterde rails en dwarsliggers, ook is er “nieuw” tweedehands rollend materieel gekocht in Japan.

Zodra de express-trein van Nong Khai naar Bangkok in zicht komt realiseer ik me dat ook hier de romantiek van de oude treinen hier haast voorbij is. De oude General Electric diesel-elektrische locomotief met een dozijn rammelende houten wagons erachter is vervangen door een diesel-elektrische personentrein die zo uit het Japanse landschap is geplukt.
De tweede klasse kaartjes blijken geen succes! De airconditioning in de wagon staat op de stand poolwind en op de stoelen liggen klappertandende Thai onder katoenen dekens weggedoken. De ramen zijn aan de binnenkant beplakt met een zonwerende folie die het verzengende zonlicht buiten moet houden. Met als indirect gevolg dat het zeer weinige uitzicht dat overblijft, de ramen zijn ook heel smerig, haast volledig wordt weggenomen. Dat maakt voor de Thai niets uit want die slapen zodra ze in een bewegend voertuig zitten.
Dat gebrek aan uitzicht ben ik dus snel zat en met goedkeuring van Lyka ga ik even naar de derde klasse kijken waar ik, net zoals vroeger in de oude treinwagons, op een bank naast een omlaag geschoven raam plaatsneem. Leunend met mijn kin op mijn armen in het raam zie ik het dorre landschap van het platteland langzaam aan me voorbij glijden.
Over de eerste honderd kilometer hebben we ruim twee uur gedaan! Het zal een lange maar ook een heel rustige dag worden. Af en toe staan we tien minuten stil op een passeer eiland in het midden van niets. Het meeste spoor is hier nog steeds enkelspoor wat betekend dat er altijd wel een trein op een andere staat te wachten met grote vertragingen als gevolg. Toch gaat het soms sneller! Op mijn GPS zie ik snelheden tot wel 80 Km/u, en dat was tien jaar geleden nog ondenkbaar.
De uren kruipen voorbij en het is haast half een wanneer ik trek krijg. Gelukkig is er in deze treinen altijd voldoende te eten en te drinken aan boort. Dus we hoeven niet om te komen van de honger en de dorst. Ik zal eerst eens even gaan vragen wat mijn vrouw van het idee om te lunchen vindt.
Zodra ik me in de zachte kunstleren zitting laat vallen, in de derde klasse zijn het harde kunststof banken, vraagt ze: ‘Wanneer eten we kul?’
Die vraag is dus meteen beantwoord en zodra de dranken en voedselverkoper de wagon passeert kunnen we kiezen tussen gebakken rijst met een ei of pad krapow moo met een ei. Het wordt twee maal die laatste en Lyka kijkt me na de eerste hap met een verbaasd gezicht aan.

‘Het eten is koud!’, zegt ze verontwaardigt.
‘Wat had je dan verwacht? Dat ze een keukenwagon aan het einde van de trein hebben hangen?’
Met lange tanden schuift ze lepel voor lepel in het gat onder haar neus. Het smaakt haar duidelijk niet al te best. Mijn trek is uitstekend en ik heb geen enkele moeite om het bakje koude rijst geheel leeg te eten. Het is niet anders en je moet nu eenmaal eten! Nog een slok cola en snel weer naar de aangename warmte van de derde klasse.

Het landschap wisselt steeds en ik ben blij dat ik voor de trein heb gekozen. Het was een mooie reis en slechts tien minuten te laat arriveren we in Bangkok. Maar we verlaten de trein al voordat we op het eindpunt zijn. Op het “Huamlampong Train Station” stappen teveel mensen uit en mijn gevoel verteld me dat een taxi daar wel eens problemen zou kunnen geven. Er zijn namelijk grote demonstraties tegen de corrupte regering aan de gang in Bangkok en die protesteerders hebben grote doorgaande wegen geblokkeerd.
Naast het station van Samsen nemen we de eerste taxi die de meter wil aanzetten. We weten dat het verkeer door alle versperringen van de actievoerders problematisch is maar vanaf dit station zou het niet al teveel problemen moeten geven.

Een uur vroeger dan verwacht stappen we het Merry V guesthouse binnen. Hetzelfde guesthouse waar ik ruim vijftien jaar geleden met Jan en Marieke arriveerde. Het lijkt alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Van mijn reservering die ik vanochtend telefonisch heb gemaakt schijnen ze niets af te weten en we hebben alle geluk van de wereld dat we toch nog een kamer kunnen krijgen. Voor de 240 baht per nacht (€ 5,35) kunnen we niet klagen! De douche en wc zijn op de gang en het matras is zo hard als een betonnen vloer. Ook het polyester laken geeft weinig comfort.
Klagend komt Lyka terug op de kamer omdat er alleen maar koud water is. Ik probeer haar wat op te fleuren omdat het maar voor een nachtje is. Morgen sta ik vroeg op en de eerste kamer in het andere gebouw is voor ons. Laten we maar wat gaan eten, klagen helpt toch niet!

We eten een heerlijk visje en drinken een koud biertje. We zijn in Bangkok en Lyka verheugd zich op de komende dagen. We weten nog niet hoelang we hier zullen blijven, we zien wel!

woensdag 12 februari 2014

Thailand: Op het Thaise platteland

Bua Yai (Yu en John)


Hier in de jungle, zoals ik het altijd respectloos noem, begint de dag al voordat de zon aan de horizon omhoog is geklommen. Indonesië en Maleisië hebben hun moskeeën die de omwonenden vroeg wekken, hier op het Thaise platteland hebben ze de hanen. Duizenden hanen, waarvan verreweg het grootste gedeelte alleen maar wordt gehouden om in de ring te sterven.
Hoewel gokken in het algemeen en hanengevechten bij de wet verboden zijn wordt het toch overal gedaan. Het is vanzelfsprekend niet te controleren door enige instantie of bevoegdheid. Daarnaast is Bangkok, zeker in het gevoel van de mensen op het platte land, zover weg dat ze zich niet aan die vele, en vaak in hun beleving, onzinnige wetten hoeven te houden. Hier rijdt ook iedereen, inclusief mezelf, zonder helm en veel motoren zijn onverzekerd, betalen geen wegenbelasting of hebben zelfs geen kenteken of papieren. Het leven hier kruipt net zo langzaam voorbij als de drie seizoenen zich steeds ombeurten en oneindig herhalen.
Na de hanen beginnen de honden bij het eerste daglicht hun territorium te controleren en opnieuw af te bakenen indien dat nodig blijkt. Nieuwe zwerfhonden hebben zich bij de gemeenschap aangesloten en de eerste schermutselingen, met veel gegrom en geblaf, zijn door de openstaande ramen duidelijk hoorbaar.
Terwijl ik me, in de halfduisternis, nog maar een keer omdraai proef ik de smaak van het platteland in mijn mond. Een zware rooksmaak, de smaak van de duizenden kleine vuurtjes die elke nacht op evenzoveel erven naast de bamboe, houten en stenen huisjes tussen de rijstvelden branden. Zelfs die kleine smeulende vuurtjes hebben een taak. Het gaat niet alleen om het gevallen blad en de verdroogde takken te verbranden. Nee, het is een eeuwenoude manier om de lastige insecten uit het dorp te houden. De doordringende rook legt de gevoelige geur van de insecten lam die op hun beurt zich zo ver als mogelijk van de smeulende hoopjes houden.
De zon komt op en de eerste scherpe zonnestraal brand zich als een laserstraal over je gezicht. Meestal kun je je wel een paar keer verplaatsen om de gloeiend hete lichtbundel te ontwijken maar uiteindelijk leg je het toch af. Je moet, zoals Lyka, wel in de tropen geboren zijn om door dit ongemak heen te slapen.
Om ongeveer half zeven laat de onderburgemeester zijn speeltje horen. Nog uit een tijd dat overal in Thailand, om klokslag zes uur ‘s avonds, het volkslied werd gespeeld dateert de omroepinstallatie die door de volksvertegenwoordiger goed wordt onderhouden. Eerst krijgen we een handvol Thaise country en western liedjes te horen. Ongetwijfeld de persoonlijke smaak van de onderburgemeester waar geen democratische besluitvorming aan te pas is gekomen. Elke westerling is dan meteen wakker! Een wekker hebben wij hier in het dorp op het platteland dus niet nodig. En ook hier geldt dat de helft van de lokale bevolking, inclusief de Filippijnse Lyka, er dwars doorheen slaapt. Deze mensen zouden met gemak naast een startbaan op een internationale luchthaven, waar elke drie minuten een vliegtuig vertrekt, kunnen slapen zonder ook maar een minuut slaap te verliezen.
Na de muziek, de ene ochtend klinkt die wat vrolijker dan de andere ochtend maar dat is een persoonlijke smaak, komt de toespraak van de onderburgemeester. Die toespraak is in het Thais dus de strekking van het hele verhaal ontgaat me. Zijn het de berichten voor de oogst? De tijden dat de zon opkomt en ondergaat of misschien de weersverwachting? Familieberichten over geboortes en het verschijnen van de dood in het dorp? Het vreemdste is echter dat ook niemand van de Thai me kan, of misschien wel niet wil, vertellen waar het over gaat. Luisteren ze gewoon niet? Zijn ze te beschaamd om te vertellen waar het over gaat? Is het politieke propaganda?
Mijn gevoel nijgt naar het laatste. De fanatieke retoriek van de stem laat me denken aan de partijleden die tachtig jaar geleden naar een groot Europees rijk streefden met een puur ras als leiders en een ondergeschikt ras als arbeiders. Een ouderwetse klik zoals ik me herinner van de oude, door gloeiende lampen aangedreven, radio’s kondigt het einde van de toespraak van deze dag aan.
Het is tegen zeven uur en buiten in de voorzichtig klevende ochtendwarmte komen de mensen tot leven. Potten en pannen rammelen, houtskool vuurtjes worden ontstoken en pannen vol met rijst worden langzaam gekookt voor het ontbijt, de lunch en het avondeten. Het gloeien van het houtskool voor het vuur wordt zo goed mogelijk gebruikt. Je kunt het namelijk niet regelen of uitzetten, dus kook je voedsel totdat het laatste stukje houtskool is uitgegloeid en veranderd in een klein hoopje witte as dat straks onzichtbaar op de wind naar de rijstvelden wordt vervoerd. De zware rook van de nacht maakt plaats voor de geur van gegrilde kip vermengd met knoflook en vele andere kruiden.
Het gezin schuift aan gezeten op de vloer en lepels en vorken kletteren in de maat op de plastic borden. De dag begint en om zoveel mogelijk gebruik te maken van de relatieve koelte van de ochtend vertrekken mensen om de dagelijkse werkzaamheden op het land te verrichten. De rijstvelden worden gecontroleerd, de fuiken geleegd en waar nodig de dijken gerepareerd. Het water op de rijstvelden aangevuld of afgevoerd zodat het langzaam naar een lager gelegen rijstveld stroomt.
Maar het is vandaag een dag in februari, er staat geen rijst op het veld dus is er maar weinig werk. Na het ontbijt begint het lange en haast oneindige wachten. Het grote wachten op de tropische regens die elk jaar rond eind april, begin mei worden verwacht. De rijstboeren hebben nog twee maanden de tijd om de velden in orde te maken dus van enige haast is er geen sprake.
De stilte die na het ontbijt ontstaat is haast spookachtig. Geen enkel geluid is te horen. Verder is er niets! Geen vogels, geen insecten, geen mensen, geen hanen en geen honden, niets maakt geluid en alleen de hete lucht beweegt in de verte boven de droge rijstvelden. Een groot blad van de gouden teak boom valt met een klap op de grond als de uitzondering die de regel wil bevestigen.
Een korte wandeling, zonder een doel, door het dorp leert me dat bijna iedereen op een bamboe bed zonder een matras in de schaduw van een boom of een afdak ligt te slapen. Of lijkt te soezen. Een eenzame man gehuld in lompen doet zich te goed aan de inhoud van een fles “Lao Khao”, een goedkope blind makende vorm van rijstwijn. Erg goedkoop en haast onbelast door de regering uit Bangkok zodat ook de armsten van de armsten zich een stuk in hun kraag kunnen drinken om alle alledaagse ellende voor een moment te vergeten. Het lange wachten wordt door de vrouwen zonder morren geaccepteerd. Zelf zou ik er gek van worden wanneer ik zo enkele maanden zinloos achter mijn huis zou moeten liggen.
Na drie bakken koffie en twee hard gekookte eendeneieren op toast met mayonaise maakt John in zijn hoofd de boodschappenlijst voor vandaag. Ook wanneer er niets nodig is stapt John rond elf uur op de motor om naar de supermarkt, die zes kilometer verderop staat, te rijden. Het bezoek is eigenlijk een uitje, een welkome onderbreking van de monotone dagen voorafgaand aan het planten van de rijst. Dat schema van het planten en oogsten van de rijst is eigenlijk het enige vaste schema dat de mensen op het platte land kennen. Ze eten wanneer ze trek hebben en slapen wanneer ze vermoeid zijn of niets beters te doen hebben.
Bij terugkomst controleert John de aluminium pannen op het aanrecht en komt net zoals gisteren, eergisteren en de dagen daarvoor dat er niets van zijn gading onder de aluminium deksels te vinden is. Het halve witbrood en de twaalf plakjes smeltkaas in zijn zadeltas is onze lunch. Lyka eet met Yu mee en geniet van de rijst met de nog half rauwe gekookte groente met een stukje kip. Ik realiseer me dat niets, en dan ook werkelijk niets, van hun lunch uit de supermarkt is gekomen. De vader van Yu, met zijn een en negentig jaar, is nog een opmerkelijk sterke man. Hij verschijnt in de keuken met bossen onbekende groenten uit eigen tuin onder zijn armen. Ook het avondeten lijkt verzorgd.
De verstikkende en klevende warmte van de middag verdrijft mijn eetlust en verder dan de vijfde kop koffie van de dag kom ik niet. Ik zweet zo erg dat ik er problemen mee heb om mijn lichaamsvocht aan te vullen. Het is pas half een en er ligt nog zes uur daglicht voor ons. Daglicht waarmee ik, net als de Thaise bevolking, niets kan doen. Een middag waarmee ik niets kan doen. Het is ook te warm om wat te doen! Dus vlij ik me naast een slapende Lyka neer en haal mijn eboek tevoorschijn. In de verkoelende straal wind van de ventilator slapen we en lezen we totdat buiten het gekraai van de hanen en het rammelen van potten en pannen de komst van de verkoelende avond aankondigt.
Ik drink graag een biertje maar bij voorkeur niet wanneer het buiten nog licht is. De bedrijvigheid om me heen is voor mij hèt teken om naar de kleine dorpswinkel te lopen en mijn rantsoen van vier grote flessen Leo bier te halen. De 220 baht (€ 5,-) is voor veel dorpelingen meer geld dan een gezin die dag voor het eten heeft uitgegeven. Toch is het geen probleem want afgunst kennen ze hier op het platteland niet. Hier helpen ze elkaar nog! Wanneer bij de ene de rijstschuur te vroeg in het jaar leeg is helpt het hele dorp met een paar kilo per gezin om de anderen te helpen.
Afgunst en haast wonen in de grote stad! En dat is wat de jongeren uit het dorp aantrekt. Snel geld, dure telefoons en aanzien. Slechts weinigen slagen er in dat te bereiken wat ze voor ogen hebben. Voor veel dorpelingen eindigt hun ontdekkingsreis van het snelle en grote geld in de gevangenis. Het aanzien van het geld verblind hun voor de gevaren van drugs.
Terwijl de zon achter de wuivende kokospalmen verdwijnt ontkurk ik mijn eerste koude fles bier van de avond. Ik fantaseer dat ik honderd jaar geleden in Nederlands Indië op de veranda voor mijn plantage woning zit. Omgeven door kleine taaie gebruinde werkers die voor me lokale Javaanse heerlijkheden bereiden. Ik weet haast zeker dat het niet zo romantisch kan zijn geweest. Toch moet het een beter leven zijn geweest dan de crisis en de oorlog in het verre koude Europa. Anders waren er niet zoveel mensen vertrokken naar dat onbekende exotische oord.
Lyka doet zich opnieuw tegoed aan de rijst met groenten en een stuk geroosterde kip. Een kip die gisteren nog eieren legde en door grootvader op professionele wijze is geslacht en ontleed. Net zoals honderden jaren geleden en waarschijnlijk ook in de honderden jaren die nog in de toekomst liggen.
John kookt voor ons een traditioneel engelse maaltijd. Kip uit de oven met patat op witte bonen in tomatensaus. Het bittere bier uit de eerste fles heeft mijn eetlust opgewekt en de sobere maaltijd smaakt me prima. Ik ontkurk de tweede fles en neem plaats op een kleine plastic stoel achter het huis. De geluiden van de Thaise soap opera’s fluisteren door de vroege avond. Hoe armoedig het hier ook lijkt, elk huis heeft een tv. Het statussymbool van de moderne tijd. Gevoerd met de ellende van de rijken in de soap opera’s zoeken de meesten voldaan hun slaapplaats voor de nacht op. Een slaapplaats is niet vanzelfsprekend een bed.
Na de tweede fles bier beginnen John en ik te brainstormen over zijn auto die hij aan het bouwen is. Het frame staat op blokken achter het huis en de twee witte velgen kijken ons, als ogen van een enorm monster, vanuit de duisternis aan. In stilte zitten we in de koelte van de avond terwijl de stilte en de doordringende rook langzaam sterker worden.
Om iets over negen is de laatste fles bier leeg. Ik zou er nog wel een paar lusten maar ik heb me vier als limiet gesteld. De winkel is toch al gesloten! Drinken in de eenzaamheid en de stilte van het platteland is gemakkelijk. John en ik kijken elkaar in stilte begrijpelijk aan. John drinkt sinds hij hier woont niet meer en dat is een goede beslissing.
Het staat als een paal boven water dat er op dit moment duizenden Europeanen zo dronken als een lor in de eenzaamheid van het Thaise platte land voor het huis liggen te lallen en na te denken hoe het ooit zo ver heeft kunnen komen. De eenzaamheid, het monster waar ik al zo vaak over heb geschreven, maakt oude mensen kapot. Maar velen hebben alle schepen achter hun verbrand en kunnen niet meer terug. Het enige dat hun rest is het wachten op de verlossende dood.
Ik zoek mijn bed op waar Lyka al zachtjes licht te snurken. De dag is om en de slaap werkt verlossend, ook wanneer ik weet dat ik waarschijnlijk morgen weer zo’n dag voor de boeg heb. Het leven in de Isaan kabbelt rustig verder. Welterusten!

maandag 10 februari 2014

Thailand: Pech onderweg

Bua Yai (Yu en John)

De vijf dagen rust in Pattaya gingen naadloos in elkaar over. We deden ons tegoed aan lekker eten en troffen de eerste voorbereidingen voor de reis naar huis. De eerste dozen zijn bij vrienden onderzocht en uitgezocht. Ons huis in Zaltbommel dat ruim een week geleden nog zo ver weg leek komt nu wel heel snel dichterbij. Wanneer ik dit verhaal schrijf zitten we over twee weken alweer in Nederland en midden in de voorbereidingen voor het carnaval.

Maar eerst nog even Thailand! Op deze maandag hebben we samen de motortocht naar Bua Yai gemaakt om de Honda Phantom weer naar zijn vertrouwde stal te brengen. Het zal wel een aardig tijdje duren voordat we weer in Thailand komen. De motor alleen achterlaten in Pattaya is natuurlijk gekkenwerk en daarom reden we de 416 kilometer naar het huis van Yu en John in Bua Yai.
Het was overigens niet de enige reden. We wilden ook afscheid nemen van onze vrienden waar we altijd een open deur vinden en welkom zijn. Ook werkt een paar dagen op het platteland van de Isaan in Thailand erg verfrissend. Heel veel toeristen komen nooit verder dan de toeristenattracties en de grote steden van Thailand. Een kort verblijf in een dorp op het platteland geeft je een heel ander beeld van dit fascinerende land.

De rit verliep zonder problemen tot ongeveer vijf kilometer voor onze bestemming. Tosti’s voor het ontbijt en een Pad Krapow Moo als lunch. Tijdens de 411 kilometer heb ik ook nog goed kunnen nadenken over van alles en nog wat. Ook de vier weken in de Filippijnen passeerden opnieuw de revue en wanneer ik dan zo om me heen keek viel het ontbreken van duizenden kilometers prikkeldraad me meteen op. Er schijnt ook veel armoede in Thailand te zijn maar zo op het eerste gezicht kun je dat niet zien.

De GPS stuurde ons via alleen lelijke snelwegen richting Khorat en daarna via een alternatieve route, door het binnenland, naar onze bestemming. Op zich niets mis mee maar we waren eigenlijk te laat uit Pattaya vertrokken en de avondschemering was niet zo ver meer weg. Ook de aanblik van een zandweg kon me niet verontrusten. Tijdens de lange rit in november en december had ik tientallen kilometers zo gereden. Maar na ruim elfduizend kilometer in het zadel ging het dan toch, ongeveer vijf kilometer voor ons doel, nog mis!
Tijdens het ontwijken van een van de diepe kuilen verliet de slap hangende versleten ketting het tandwiel aan de achterkant en verloren we alle aandrijving. Na enkele meters stonden we op het zandpad tussen eindeloze rijstvelden stil. Enkele seconden tevoren  had ik tegen, een voorzichtig tegenstribbelende, Lyka nog gezegd dat onze reizen echte avonturen waren. En daar stonden we dan in het midden van niets. Tenminste op het eerste gezicht!

Een roedel schurftige honden kwam al snel, waarschuwend blaffend en grommend, dichterbij gevolgd door een man en vrouw. Verweerde gebruinde gezichten en brede glimlachen waar een handvol tanden ontbraken maar die wel vriendelijkheid en oprechte gastvrijheid uitstraalden. Met mijn kolenthais kom ik in deze hoek van het land niet ver want ook hier wordt een van de duizenden dialecten die Thailand rijk is gesproken.
Met wijd zwaaiende armgebaren en wederzijdse brede glimlachen probeerden we te communiceren terwijl het met het tikken van de klok steeds donkerder werd en mijn hersenen op volle toeren draaiden. Een eerste poging om de ketting er opnieuw op te leggen en langzaam verder te rijden mislukte omdat een van de schakels zo krom was gebogen dat die de ketting er weer meten afleidde.
Dan maar bellen voor hulp! Het eerste telefoongesprek met John lukte meteen en enkele seconden later had de Thaise boerenvrouw aan Yu, in het locale dialect, uitgelegd waar we stonden. John bevestigde dat hij het nu ook wist en dat hij over een kwartier wel bij ons  zou zijn.
In het donker van de Isaan is alles anders anders. Er is geen lichtje in de wijde omtrek te zien! Het is er aardedonker de wereld wordt heel erg groot, of heel erg klein, het is maar hoe je het ervaart. Gelukkig was er in het hutje wel elektriciteit en we kregen tijdens het wachten een klein gekoeld flesje drinkwater aangeboden. De dop zat los en tegen alle ongeschreven wetten van wereldreizigers in dronken we het verfrissende vocht. Mochten we de komende dagen ziek worden dan weten we in ieder geval waar het van is lachten we van de zenuwen en opwinding tegen elkaar.
De tijd gaat tergend langzaam wanneer je staat te wachten en steeds wanneer we in de verte een licht, hopelijk een koplamp van een voertuig, zagen bewegen dachten we dat de verlossing dichtbij was. Helaas, steeds verdween dat kleine lichtje van hoop, zonder dat er enig geluid te bespeuren was, uit het zicht.
Lyka kwam nog met beste idee! Laten we de motor naar de hoofdweg, hopelijk verharde hoofdweg, duwen. Er is meer kans dat iemand ons daar kan helpen dan hier in het midden van de rijstvelden op een zandweg. Een prima idee met uitzondering van dat duwen! Met een flinke golf benzine uit de benzineslang waste ik mijn handen om het meeste vet en vuil van de kromme ketting te verwijderen. Met behulp van een grote zaklantaarn zocht ik de sleepkabel op die ik een paar jaar geleden van Kevin had gekregen. Jaren heeft die kabel in mijn zadeltas gezeten en nu gebruik ik hem voor de tweede keer in evenzoveel maanden.
Een telefoontje van John verontrustte me. Hij kon ons namelijk niet vinden! En dan worden de mogelijkheden snel minder. Het zweet brak me uit bij alleen al de gedachte om de bepakte motor met Lyka als bestuurder vijf kilometer naar het huis van John te duwen. Ik keek eens goed om ons heen of ik niets in de duisternis kon ontdekken dat voor John een aanwijzing voor onze lokatie zou kunnen zijn.
De weg voor ons verdween in de duisternis van de Thaise nacht richting een brandend rijstveld. Ik keek nog een keer voor de zekerheid om me heen om er echt zeker van te zijn dat dit het enige brandende rijstveld was. Gelukkig voor ons was dat vanavond ook zo. John wist meteen waar ik het over had en had het brandende rijstveld zelfs twee keer op zijn motor gepasseerd. Hulp was dus niet ver weg meer!
Een groter publiek had zich intussen om de twee vreemdelingen met pech verzamelt. Onbegrijpelijk waar die mensen allemaal vandaan zijn gekomen, er was onderweg geen huis tussen de rijstvelden te bespeuren. Toch voelden we ons op geen enkel moment ongemakkelijk. Dat zou in de Filippijnen zeker anders zijn geweest! Mijn kabel werd bevestigt aan een motor van een dikke breed grijnzende man en Lyka ging weer bij een ander man achterop.
Langzaam en duidelijk gaf ik de instructies en wat ik verwachtte van de chauffeur die me ging slepen naar de hoofdweg. Mijn kolenthais werkte nu iets beter en iedereen die deel uitmaakte van deze reddingsoperatie wist wat hem te doen stond. Na een uitgebreid bedanken van de mensen die ons het eerst hadden geholpen kwam de colonne op gang.
Eerst wat schokkerig maar na mijn aansporingen in het thai, ‘lauew lauew’, sneller sneller, ging het steeds beter. Lyka glunderde in het weinige licht van de koplampen van de kleine motoren. We waren al met zijn zessen en iedereen probeerde zijn deel van de reddingsoperatie op te eisen zodat ze de komende weken, tijdens de slaperige warme middagen en de lange donkere avonduren, zeker wat te vertellen zouden hebben.
Zelf had ik het veel te druk en mijn handen te vol, met een hand aan het stuur en in de ander het handvat van de sleepkabel, om de berijders van de tegemoet komende motoren te herkennen. Door alle inspanningen zag ik alleen maar de lichten ons tegemoet komen en grommende motoren ons passeren. Het bleken John en zijn stiefzoon te zijn. Op de hoofdweg kwamen we eindelijk tot stilstand.
De sleepkabel werd losgemaakt en ik bedankte de mensen die ons zo goed hadden geholpen. John lachte als altijd en begroette ons alsof we ons in een doodnormale situatie bevonden.
Nadat ik John de instructies had gegeven en Lyka bij zijn stiefzoon achterop was gestapt scheurden we als een groep motoren over het beton naar het huis van Yu en John. Terwijl ik de kilometers op mijn GPS zag verminderen nam de opluchting in me toe. Yu zat al buiten achter het huis te wachten en begroette ons uitbundig. We konden ons niet meer welkom voelen als op deze donkere winteravond in de Isaan. Eind goed al goed!

Snel een paar koude bieren in de dorpswinkel gehaald en een snelle maaltijd! Op zijn engels natuurlijk, Fish and Chips, dus met niet al teveel groenten. Desondanks smaakte het me prima en Lyka zat me ook duidelijk opgelucht van boven een dampende kom rijst met groenten toe te lachen. We hadden genoeg te vertellen en die motor kan wel tot morgen wachten. Eerst een douche en dan slapen. De vier grote Leo smaakten prima en terwijl Lyka en Yu al in dromenland waren bespraken John en ik zijn laatste project. Hij is namelijk een auto aan het bouwen!
Copyright/Disclaimer