dinsdag 13 mei 2008

Indonesië: Kawa Ijen

Lovina Beach (Hotel Rini)

Een kwartier voordat de wekker, om half zes, afliep werd er op de deur geklopt. Ik had redelijk goed geslapen en was meteen aan de deurklink. Toen ik de deur opende klonk het door een smalle kier.
'Goodmorning Misterrrrrr, not forget my tip?', het was onze chauffeur.
Ik sloeg de deur snel weer dicht en keek Tettje, die ook al rechtop in zijn bed zat, het slaapzand uit zijn ogen wrijvend, verbaasd aan.
'Ik wil alles met je verwedden dat de gekookte eieren die we straks bij het ontbijt geserveerd krijgen, hardgekookte koude eieren zijn!', borrelde spontaan uit mijn gedachten op en nu keek Tettje op zijn beurt mij verbaasd aan.
Het duurde even dat het tot hem doordrong waar ik het over had. We hoefden niet al teveel in onze rugzakken te pakken en we maakten van dat korte moment dat tot onze beschikking stond gebruik om twee kopjes instant koffie te maken. Dat pakken ze ons in ieder geval niet meer af! Tettje verbaasde zich en piekerde nog steeds over mijn voorspelling van het ontbijt dat we waarschijnlijk geserveerd zouden krijgen. Het is allemaal bekend terrein voor me en ik weet hoe deze mensen denken. De eerste indrukken in een situatie zijn altijd heel belangrijk en krijgen vaak een vervolg. Goede indrukken krijgen heel vaak een vervolg, zo ook slechte indrukken.

De bus, inclusief de glimlachende en opnieuw om een goede fooi vragende chauffeur, stond al voor de deur van de slaapvertrekken op ons te wachten. De rugzakken gingen weer naar de middenbank en wij struinden door het met dauw bedekte gras naar het ongezellige restaurant. Het is best fris op deze hoogte zo vroeg in de ochtend!
Eenmaal op het buitenterras gezeten werden al mijn voorspellingen bewaarheid. Per kamer staat er een bord met, in ons geval zes kleine witte harde droge boterhammen, overtrokken met cellofaam, klaar. Een kleine goedlachse Javaan, die we gisteren niet hadden gezien, leidt ons onvriendelijk en bijna hardhandig naar de gereedstaande tafel. Er is geen ruimte om van tafel te wisselen want dan komt heel het schema in de war! Een treurig schoteltje met chocolade hagelslag of een vreemde roodkleurige substantie, die op soldeerpasta leek, en voor aardbeienjam moest doorgaan staan in het midden op de tafel op ins te wachten. Zelfs de altijd rijkelijk aanwezige insecten in de tropen laten deze lekkernijen links liggen. De eieren zijn treurig koud, precies zoals ik voorspeld heb en combineren niet erg best met de lauwe slappe thee en harde oude boterhammen. We zijn blij dat we de Arabika Homestay na een nacht kunnen verlaten en op weg gaan naar het tweede hoogtepunt van onze reis.
Met slechts een beetje brandstof in mijn maag voor de beklimming naar de krater van de Kawa Ijen stappen we in het busje waar de Belgen, ook zichtbaar teleurgesteld over het ontbijt, al op ons zitten te wachten. Binnen enkele minuten wordt de wereld voor ons veel kleiner door het beslaan van de ramen in de bus. Het vocht uit de adem van de zes passagiers plus de bestuurder van het busje condenseert op het koude glas van de ruiten. De chauffeur begint nerveus met een vettige lap katoen kleine cirkels op de ruit voor hem te maken om zo een kijkgaatje voor hem alleen te forceren. Tevergeefs! Hij kijkt me verontschuldigend aan en ik probeer hem met mijn ogen naar de de verwarmingshendels op het dashboard te leiden.
‘Auto’s in Indonesië hebben geen verwarming!’, lacht hij me toe, hij maakt dit waarschijnlijk wel vaker mee.
Ik ben verbaasd dat hij niet van het moment gebruik maakt om weer over zijn fooi te beginnen. Geen verwarming in de auto? Ik weet het, het klinkt gek maar wel logisch. Wat moet een auto in de tropen met een verwarming? Ik open het zijraam aan mijn kant om de koude lucht binnen te laten en de warme vochtige lucht naar buiten te dringen. Onze chauffeur is onder het rijden nog steeds druk bezig om met die oude vette katoenen boendoek de ramen zo doorzichtig mogelijk te houden. Met in zijn ene hand de boendoek, afgewisseld door een sigaret, en in zijn andere hand het stuurwiel rijden we langzaam en in alle stilte over de koffieplantage richting het startpunt van onze trek naar het kratermeer van Kawah Ijen.
De ramen van het busje worden langzaam weer transparant en met elke meter die we dalen wordt de buitenlucht warmer. De weg naar het startpunt van de trek naar de krater van de Kawa Ijen is geen gemakkelijke! Het eerste stuk over de plantage is een drama, het tweede deel over de openbare weg is niet veel beter. Indonesië is een land rijk aan grondstoffen maar de corrupte regeringen gebruiken het geld liever voor zichzelf dan voor het verbeteren van de infrastructuur. Na een onoverzichtelijke bocht, met veel te hoge snelheid, moet de chauffeur plotseling met veel kracht op de remmen. Zonder enige waarschuwing vliegen de passagiers door het kleine busje.

De chauffeur kijkt verontschuldigend over zijn schouder, ‘Een klein probleempje!’
Voor een moment schiet er door mijn hoofd dat we het slachtoffer zijn geworden van een geplande roofoverval. Er ligt een omgevallen, of omgehakte, boom over de weg. Aan de andere van de omgevallen boom kant staat een auto stil. Twee kleine Javanen doen hun best om de boom te verplaatsen. Tevergeefs, dus is onze verschijning voor hun een geschenk uit de hemel. Zes grote sterke Europeanen hebben de klus zo geklaard en kan iedereen zijn weg weer vervolgen.
Daar staan we dan op de parkeerplaats vanwaar de trek naar het kratermeer begint. 15.000 Rupiah entree, het wachthuisje met daarin de kassa gevestigd is, èn blijft, gesloten. Met onze jassen aan en voldoende water beginnen Tettje en ik meteen aan de beklimming naar de kraterrand van de Kawa Ijen. Wachten om je geld kwijt te kunnen heeft geen zin. Het duurt niet lang of Tettje heeft zijn eerste vijf minuten rust nodig. Hij is overmand door twijfel. Hij twijfelt of hij de trek naar 2380 meter hoogte wel aan kan. Zo’n trek zit voor het grootste gedeelte tussen je oren. Je moet je gedachten gewoon uitschakelen door jezelf, met behulp van het monotone stappen, in een trance te brengen. De rest gaat dan vanzelf. Al coachend en positief denkend neem ik hem mee richting de top. De zes Belgische jongens halen ons al snel in en Tettje volgt bedenkend hun soepele tred totdat ze uit het oog zijn verdwenen. Hij twijfelt zichtbaar en kijkt naar het pad voor ons omhoog. Hij vraagt zich af of hij het wel zal halen.
'Ik haal het wel maar op mijn eigen tempo!', klinkt het geruststellend uit zijn mond.
'Oké, doe maar rustig aan, we halen het wel', antwoord ik op mijn beurt.

We slepen onszelf met een gestadige, maar niet al te snelle pas naar boven. We stoppen wanneer het nodig is en nemen uitgebreid de tijd om te rusten en te drinken. Het is niet druk hier maar we worden desondanks toch enkele malen ingehaald door wandelaars die soms zelfs duidelijk ouder zijn dan wij. Dat zet ons aan het denken! Zijn wij dan niet fit? De inhaalbeweging van een ouder stel gestoken in kleurige trainingspakken werkt als een rode lap op een stier. De pauzes worden minder en de snelheid gaat omhoog. De zak roltabak blijft bij Tettje in zijn jaszak.

De eerste zwavelverzamelaars komen ons op het smalle pad tegemoet en zijn al met hun volle manden ruwe zwavel op weg naar beneden. Deze zwaveldragers gaan bij het verschijnen van de eerste zonnestralen het pad op omhoog om zo van elke seconde daglicht te kunnen profiteren. Ze verdienen voor Indonesische begrippen een stevig salaris. Maar het is zwaar werk! Ongezond werk zou ik het niet direct willen noemen want ze zien er allemaal topfit uit!
In verschillende reisgidsen hebben we gelezen dat de dragers er een hekel aan hebben om steeds te moeten stoppen om met de toeristen op de foto te gaan. Begrijpelijk wanneer je elke keer je wandeling, met een zware last op je schouder, moet onderbreken om te poseren met een rijke toerist. Ze vragen zonder ook maar een moment te twijfelen om contant geld, maar een sigaret slaan ze ook nooit af! Dus hebben wij in Surabaya twee pakjes kretek, sigaretten met kruidnagel aroma, gekocht om zo de zwaveldragers te kunnen belonen. Geld geven staat voor mij gelijk aan een bedelaar geld geven, en daar ben ik uit principe op tegen.
De grote brokken zwavel lijken, waarschijnlijk door zijn lichtgele kleur, vederlicht. De overvolle manden dagen je uit om het zelf eens te proberen. En ik kan jullie verzekeren dat ze zwaar zijn, gemiddeld zestig kilo, en soms zelfs meer dan tachtig kilo. Dat is bijna twee keer het gewicht van de drager!

Ik zet mijn schouder er onder en er gebeurt niets, de manden met de bamboesteel ertussen komen niet eens van de plaats. Nee serieus! Tettje staat me aan te kijken met een uitdrukking op zijn gezicht dat ik de zaak in de maling sta te nemen. Ik schud ontkennend met mijn hoofd en probeer het nog een keer. Nu met meer overtuiging dan de eerste keer en de manden komen weliswaar een beetje omhoog maar door het buigen van de bamboe drager verlaat de bodem van de manden de rotsen langs het pad nooit.

We klimmen en klimmen steeds hoger. De wolken komen langzaam dichterbij! Voordat we door de wolken heen gaan passeren we een weegstation. Hier gaan de manden van de schouders en worden gewogen. De dragers controleren het gewicht van hun manden. Er wordt niets opgeschreven? Dat is vreemd. Ik denk dat ze het gewicht voor zichzelf controleren om zo de motivatie voor de lange tocht naar beneden op te krikken. Het weegapparaat, een unster met een enorm contragewicht dat over een dikke ijzeren staaf wordt geschoven, verteld keer na keer de grote van de beloning die de drager onder aan het pad staat te wachten.
De periodes van wandelen tussen de ruststops worden, na de korte onderbreking bij het weegstation, steeds korter totdat we gezelschap krijgen van een oudere dame uit Zwitserland. Al pratend lopen we in een goed tempo naar boven en met Tettje in onze kielzog bereiken we sneller dan verwacht de kraterrand. Zelfs Tettje is er verbaasd over dat het laatste stuk vanzelf is gegaan en dat hij geen één keer heeft moeten te rusten.

Met open monden kijken we naar het lichtblauwe water in de dampende krater. Het is onmogelijk om te beschrijven hoe het is om in Indonesië op een actieve vulkaan te staan op ruim 2300 meter hoogte. Ver boven de wolken ben ik gewoon op de rotsen gaan zitten en heb geprobeerd om alles zo goed mogelijk in me op te nemen.

Het is nog vroeg maar tegelijk al te laat om naar de bodem, het kratermeer, af te dalen en met een gerust hart neem ik de raad van een passerende parkwachter aan. Ik weet namelijk zeker dat ik hier nog wel een keer zal terugkomen. De zon verwarmt mijn vermoeide lichaam terwijl ik geniet van het uitzicht. Een heel mooie beloning na een heerlijke inspanning.
De grootsheid en uitgestrektheid van deze natuurlijke fenomenen zijn onbevattelijk! Ver onder ons, vlak bij de oevers van het kratermeer, lijkt het dat er een mierenkolonie aan het werk is. Wij weten dat het mensen zijn, kleine sterke getaande Javanen, die mand na mand, dag in dag uit, jaar in jaar uit, het zwavel de krater uit en de vulkaan af slepen om hun dagelijks brood te verdienen.
De wolken beginnen zich weer op te bouwen en hoewel het nog erg vroeg is is het voor ons toch de hoogste tijd om aan de tocht naar beneden te beginnen. We werpen een laatste blik naar het lichtblauwe meer met zijn dampende krater en beginnen aan de tocht naar beneden. Tettje is duidelijk onder de indruk van de beloning na de vermoeiende klim. Het is nu eenmaal zo dat je een beetje moet lijden om deze mooie plaatsen te kunnen zien. De vulkanen van Indonesië zitten er voorlopig voor ons op en we zijn nu op weg naar Bali!

Tijdens de afdaling passeren we nog enkele groepen dragers met hun volle manden. Dat levert nog mooie plaatjes op!

Onder aan het pad aangekomen hangt de Indonesische vlag van het wachthuisje slap langs de mast. De wolken hebben ons bijna ingehaald en van de zon is er weinig meer te zien. Net als van het minibusje met onze rugzakken. Voor de tweede keer vandaag zie ik ons in een klein kantoortje van een politiebureau aangifte doen terwijl we hard worden uitgelachen door de diensthebbende agenten. Ben ik depressief?
Tettje stelt me gerust en wijst naar een zwaaiende parkwachter op de veranda van het wachthuisje. Dit is waarschijnlijk een van de weinige plaatsen waar je toegang moet betalen bij het verlaten van het park? Alsof de parkwachter onze onrust van onze gezichten kan aflezen verteld hij dat de chauffeur over een uurtje weer terug is.


Opgelucht gaan we de buurt verkennen en volgen enkele dragers naar hun doel. Om de hoek, achter een hoge aarden wal, zien we de andere kant van het pittoreske plaatje van de vulkaan met hun iconische zwaveldragers. Hier worden de zaken afgehandeld. Het zwavel gewogen en achter de naam van de drager wordt de hoeveelheid genoteerd. Niet ver van de weegschaal staat een grote container waar de zwavel in wordt opgeslagen totdat hij word afgevoerd.  De meeste dragers horen gelaten aan hoeveel ze van de berg af hebben gesjouwd en aan hun gelaatsuitdrukking valt af te lezen dat het meestal tegenvalt. Nog een sigaret en dan voor de laatste keer de berg op en neer om nog een lading zwavel te halen.
Ondertussen is het busje met onze bagage ook weer gearriveerd en de chauffeur herinnerd ons er direct aan dat we zijn fooi voor vanmiddag niet mogen vergeten. Het is voor hem zelfs geen probleem wanneer we hem nu al zijn fooi geven. De Belgen hebben het gesprek ook aangehoord en kijken ons verbaasd aan. Zonder een woord te zeggen nemen we onze plaatsen weer in en gaan op weg naar de veerboot steigers van Banyuwangi.
Mochten jullie hier ooit terecht komen koop dan van tevoren een paar pakjes van die kretek sigaretten, bijvoorbeeld Gunang Garam. De dragers van de zwavel vragen de sigaretten als tegenprestatie voor het nemen van foto’s. Kretek sigaretten zijn nu eenmaal heel gewild in Indonesië.
In Surabaya hadden we dus besloten om een korte zijsprong te maken naar het eiland Bali. Dit Indonesische eiland met haar bijzondere cultuur spreekt tenslotte tot ieder zijn verbeelding. De rit naar de veerboot was niet meer dan een saaie verplaatsing waarbij de vulkaan steeds op de achtergrond te zien was. Na aankomst wisselen we de laatste ervaringen uit met de Belgische jongens en zijn blij dat we eindelijk bij de poort van de ferryterminal staan.

Met vragende ogen als van een trouwe waakhond staat onze chauffeur naast zijn busje te wachten. 60.000 Rupiah fooi valt hem ten deel, we zijn het zo onderling overeen gekomen. Hij heeft goed zijn best gedaan maar de poging tot oplichting van gisteren aan de poort van de plantage heeft hem wel de helft van zijn fooi gekost. Nadat ik hem dat aan zijn verstand heb gebracht staat hij beteuterd te kijken. Ik denk dat hij die streek de volgende keer misschien niet meer uithaalt.
Alsof de fooi nog niet genoeg voor hem is gaat hij meteen aan de slag om ons in de armen van de sjacheraars te drijven die de buskaartjes naar verschillende bestemmingen op Bali verkopen. Hij zwaait met zijn armen en roept wat naar de andere kant van de straat. In een flits zijn we omringt door een groep oncontroleerbare Javanen en Balinezen die aan ons staan te plukken en te trekken als een troep leeuwen om hun net gedode buit. Een onverstaanbaar kabaal. Alleen Misterrrr, met zijn karakteristieke rollende R is te onderschijden. Als boomstammen op een kolkende rivier laten we ons in de menigte meedrijven richting de veerboten. Er wordt niet eens geluisterd naar wat we zeggen! Zo komt het dat we in een grote autobus terecht komen waar we snel en vakkundig door een van de sjacheraars in een stoel worden gedrukt.
'60.000 rupiah per persoon!', schreeuwt er één in mijn oor.
'Mag ik ook weten waarvoor?', antwoord ik hem.
'Ja, 60.000 rupiah per persoon voor de expresbus naar Denpasar!', snauwt hij.
'Dan gaan wij weer, want wij willen helemaal niet naar Denpasar!', lach ik hem toe.
En zo verlaten wij de bus weer aan de achterzijde terwijl we snel afscheid nemen van onze Belgische reisgenoten. Gevolgd door een leger van andere sjacheraars lopen we samen onder een brandende tropische zon de veerboot op.

Aan de andere kant van het water, na een korte overtocht, staat ons weer een andere verrassing te wachten. Wegens het tekort aan passagiers wordt het vertrek van de bus naar Singaraya vanaf half twee steeds met een half uur uitgesteld. Zoals door een voorbijganger voorspeld verlaat onze bus pas om vier uur het busstation naast de ferryterminal van Gilimanuk.

Onderweg wordt er ook nog eens om de honderd meter gestopt en zo komt het dat we in het donker rond half zeven bij een verkeerslicht in Lovina Beach uit de bus worden gezet. Tijdens het wegrijden van de bus roept de kaartjes verkoper ons nog wat na en wijst in de richting van een kleine zijstraat. Daar moet het dus zijn, het “Rini Hotel”.
Na een paar honderd meter door een slecht verlichte en verlaten straat staan we voor de gepantserde stalen poorten van het Rini Hotel. Het blijkt een soort resort te zijn met bungalows en een paar gebouwen van twee verdiepingen die waarschijnlijk de goedkoopste kamers bevatten. Het lijkt een vriendelijke en mooi hotel, maar de duisternis kan bedriegen. De late aankomst zal ongetwijfeld de prijzen omhoog hebben gedreven maar daar laat ik me niet door verrassen.

Een kort gesprek van slechts enkele zinnen is voldoende om een bungalow voor twee nachten te boeken. Wel eerst even gaan kijken waar we slapen voordat we betalen! Onze bungalow is ongelofelijk mooi voor de 200.000 Rupiah die ik heb afgedongen.
'Hello Johnnie', klinkt het bij terugkomst aan de receptie.
Ik kijk verbaasd om me heen en realiseer me niet meteen dat een jongen die ik drie maanden geleden in Sri Lanka heb ontmoet hier met zijn ouders voor me staat. Is dat te geloven? Drie maanden en een handvol bestemmingen later staan we weer naast elkaar in een hotel op Bali, en het is niet eens mijn plan geweest om hier naar toe te gaan! Er gebeuren onderweg nu eenmaal vreemde dingen! We spreken kort met elkaar en stelt zijn ouders voor die hem zijn komen opzoeken tijdens zijn wereldreis, morgen aan het zwembad kunnen we in alle rust bijpraten.
Na een heerlijke maaltijd en een paar flessen bier liggen we alweer voor tien uur op bed. Morgen opnieuw om half zes op om dolfijnen te gaan kijken. Daarna gaan we een heerlijke rustige dag aan het zwembad tegemoet.

maandag 12 mei 2008

Indonesië: De tweede vulkaan op rij

Sempol (Arabika Homestay en niet de beloofde Catimore Homestay)

Zelfs wij kunnen niet altijd voorzien wat ons staat te gebeuren en zo snel als het plan voor Bali gesmeed was word het ook weer, voor een korte tijd, aan de kant geschoven. We gaan vandaag niet naar Bali maar we gaan alsnog de vulkaan genaamd Kawah Ijen bezoeken.
Tijdens het ontbijt worden we aangesproken door één van de medewerkers van het hotel!
'Hebben jullie misschien interesse om naar de Kawah Ijen vulkaan te gaan?', vraagt hij aan mij.
Verbaasd kijk ik van mijn bananenpannenkoek op en kijk naar Tett die de vraag maar half begrijpt!
'Ik heb vier passagiers en als jullie meegaan dan is de bus vol', vervolgt hij.
'Voor 300.000 rupiah per persoon zijn jullie de man', lachte hij ons toe alsof het om een koopje gaat.
Dat klinkt mij als muziek in de oren. Mr. Anton had ons eergisteren 400.000 rupiah per persoon gevraagd voor precies dezelfde trip. Tettje wordt uitgebreid ingelicht over het aanbod van deze mogelijkheid en in onderling overleg veranderen wij onze plannen voor de tweede keer in twee dagen. Zo gemakkelijk gaat dat nu eenmaal wanneer je onderweg bent en zich onverwachte mogelijkheden voordoen!

We nemen afscheid van Phil, die een andere kant op gaat, en even later scheuren we met z’n achten in een oude minibus, in de vroege ochtend, de vulkaan af. We hebben geen idee waar we heen gaan maar we gaan er eerst twee lozen en met z’n zessen stappen we over op een andere minibus die ons in twee dagen via de Kawah Ijen vulkaan naar Banyuwangi brengt waar we de veerboot naar Bali nemen.
De andere vier passagiers komen uit België en zijn al bijna een jaar met elkaar onderweg, drie uit Marokko en één donkere jongen, uit Kongo denk ik. Ze zijn klaar met hun universitaire studie en willen nog even wat van de wereld zien voordat ze aan hun carrière beginnen.
We stoppen bij mr. Anton voor de deur die helemaal niet blij is wanneer hij ons weer ziet. Hij is door het genereuze aanbod in het hotel aan de rand van de krater toch even 200.000 rupiah misgelopen, een dagloon voor veel mensen! Met een chagrijnig gezicht komt hij zijn kleine kantoor uit en groet ons met veel moeite, 'Hallo. Selamat pagi'.
'Selamat pagi', antwoorden we in koor met een brede grijns.
'Val dood', denk ik bij mezelf wanneer mr. Anton zonder een woord te zeggen, en met vuur spuwende ogen, ons twee vouchers voor de busrit en overnachting overhandigt.

Wanneer er niets meer aan je te verdienen valt ben je binnen in het kleine koele kantoortje ook niet meer welkom. In de nog frisse, maar wel snel opwarmende, ochtendlucht wachten we zonder verdere instructies op wat ons te wachten staat.
De klok tikt heel langzaam de seconden weg in de lome hitte van het tropische Indonesië, en wij maar wachten. Zonder een slok te drinken en enig idee wat ons te wachten staat. Wat moet het hier honderd jaar geleden toch een paradijs zijn geweest! De anderen nemen het gelaten en laten het maar over zich heen komen terwijl wij duidelijk meer haast hebben. Zij hebben duidelijk die rust in zich die een reiziger moet ontwikkelen in de eerste maanden wanneer hij op reis is. Na de eerste ronde verfrissingen komt er een tweede ronde en de tijd gaat al richting het middaguur wanneer er een kleine Suzuki MPV, met een piepjonge chauffeur, voor het kantoortje van mr. Anton stopt.
Wij komen niet eens meer in beweging want tijdens het wachten zijn er wel meer busjes gekomen en weer gegaan. Steeds stonden we daar onverrichter zaken zwetend naast het minibusje en werden met snelle handbewegingen van de chauffeur gemaand om weer op het bankje plaats te nemen. Maar deze keer verschijnt Mr. Anton voor een kort moment buiten en gebaart dat dit het busje is dat ons naar het “Catimore Homestay”, op één of andere koffieplantage, aan de voet van het Ijen plateau zal brengen.
De chauffeur begroet ons met een vriendschap alsof we al maanden met elkaar onderweg zijn. Verbaasd kijken we elkaar aan want zoveel vriendelijkheid hadden we niet verwacht en ook nog niet gevoeld tijdens onze eerste dagen in Indonesië, en maakt ons anderzijds voorzichtig. Nog voordat wij de stadsgrens hebben verlaten begint hij te zeuren over de hoogte van de fooi die we hem zouden moeten geven aan het einde van de reis. Dat is morgenmiddag dus!
Ik zit voorin naast de jonge chauffeur die zich duidelijk, in ons gezelschap, niet op zijn gemak voelt. De meeste tijd is hij stil, af en toe spreekt hij een Indonesisch woord en vraagt mij dan om de Engelse vertaling voor dat woord, al wijzend naar planten en dieren langs de weg. Met mijn beperkte kennis van het Bahasa Indonesia is het gesprek gedoemd een vroege dood te sterven. Jammer genoeg is ook de radio kapot, dus moet ik uit beleefdheid het spel meespelen tot aan het einde.
We zijn nog geen kwartier onderweg en er wordt langs de weg gestopt.
‘Makan!’, roept de chauffeur over zijn schouder terwijl hij een scheppende beweging met zijn rechterhand richting zijn mond maakt.
Verbaasd, vol ongeloof en afkeurend schuddend met onze hoofden, kijken we elkaar aan terwijl hij uit het busje springt en onder een rieten afdak verdwijnt. Zitten we bij mr. Anton voor de deur al die tijd in ontwetendheid te wachten met angst om wat te eten te halen en na een kwartier te hebben gereden staan we alweer stil voor het middageten! Met een half oor luister ik naar het Frans van onze zuiderburen die in een felle discussie verwikkeld zijn of ze hier wel of niet gaan eten.
Ze zouden toch beter moeten weten! Een ongeschreven wet voor reizigers zegt: “Eet wanneer je kan eten want je weet nooit wanneer je de volgende maaltijd kan nuttigen!”
Zonder een moment te twijfelen verlaten Tettje en ik het busje en laten de vier voor wat ze zijn. Het gaat ook over geld heb ik begrepen. Misschien is het eten te duur in dit wegrestaurant?
Voordat we wat te eten bestellen, de kaart is in het Indonesisch en zonder prijzen, wil ik eerst weten wat het kost! Dit om onaangename verrassingen te voorkomen. Het komt in Azië wel vaker voor dat je een menukaart zonder prijzen voor je neus krijgt. Dit is niet om een nietsvermoedende buitenlander op te lichten maar omdat er veel ingrediënten zijn met dagprijzen en vaak ook door de enorme inflatie zou je soms wel elke maand een nieuwe menukaart moeten laten printen en plastificeren. En dat is ook in deze landen ook niet goedkoop.
Voor de prijs die we van de ober te horen krijgen hoeven we het niet te laten dus bestellen we twee “bakmie”, zoals dat in oost-Java heet.

Na een slechte maaltijd in een door de chauffeur gekozen leeg wegrestaurant is er weinig te vermelden over de reis naar de plantage. Eindeloze kilometers over slecht onderhouden provinciale wegen. Een moordende verkeersdrukte met deelnemers van wie er velen ‘s avonds niet meer thuis komen. Geen radio en achter ons een eindeloos geroezemoes van Frans en Arabisch door elkaar. We hunkeren naar het einde van de dag. Een hopelijk betere maaltijd en een bed.

Eenmaal aangekomen bij het toegangshek van de plantage aangekomen moeten we uitstappen en worden als een kudde naar een wachthuisje geleid om onze namen en paspoortnummers in een groot dik boekhoudboek schrijven. Dunne blauwe en rode lijnen lopen bladzijde na bladzijde eindeloos door elkaar. Ik laat mijn ogen over de gegevens van de bezoekers voor ons glijden.

Date:   Passport Nr:   Name:   Age:   Country:   Sex:   From:   Destination:   Signature:

Aan het aantal ingevulde reiziger gegevens te zien van de afgelopen weken valt het aantal bezoekers van deze koffieplantage wel heel erg tegen. Is het hier zo rustig of hebben we een slechte boeking gedaan? De toekomst zal het leren.
Zodra iedereen zijn gegevens in het grote boek van de Indonesische Sinterklaas, met een kleine zwarte sik, heeft geschreven worden we met z’n allen op een rij voor het wachthuisje gezet. Als een peloton soldaten staan we naast elkaar af te wachten wat er gaat gebeuren.
‘Eh, 25.000 rupiah entree voor het nationale park van de Kawah Ijen', hapert de man zachtjes met het sikje in zijn olijfgroene uniform.
We kijken elkaar verbaasd aan en lachen wat ongemakkelijk. De zuiderburen beginnen in het Frans tegen elkaar te ratelen en dat maakt dat de bemanning van het wachthuisje elkaar verbaasd aankijkt. Tettje en ik wachten af totdat de Belgen de kastanjes voor ons uit het vuur hebben gehaald. Ik heb meteen door dat hier iets niet snor zit en vraag beleefd of ik de toegangskaartjes of de betalingsbewijzen even mag zien. Nu gaan de ogen van de vijf Javanen in het wachthuisje wijd open en na een vurige discussie in het Javaans staan ze alle vijf schaapachtig naar ons te lachen. Ze proberen ons onder druk te zetten en het is duidelijk dat het afhandig maken van twee euro per bezoeker normaal gesproken geen problemen voor deze nep boswachters geeft.
'Ja, jullie horen het goed!'
'Geen kaartje of betalingsbewijs, dan ook geen geld!', spreek ik op luide toon rechtopstaand, met de schouders achteruit, om mezelf zo groot mogelijk te maken, en met mijn hoed een beetje achterover.
Er wordt opnieuw door de vier boswachters en onze chauffeur, nu met bezorgde gezichten, overlegd en het is aan hun houding te zien dat het nieuw voor ze is dat er bij ons niets te halen valt. Zonder verder tegen te stribbelen kunnen we weer in de minibus stappen en rijden we, na een halfuur vertraging, verder naar het station op de plantage.
Het is ons dus nu wel duidelijk dat het hier om een professioneel stukje oplichting gaat dat in ieder geval niet bij ons heeft gewerkt. In mijn beste Frans probeer ik aan de nog steeds verbaasde medereizigers uit te leggen wat er precies is gebeurd en we moeten er natuurlijk allemaal hard om lachen.
Dat lachen is ons snel vergaan! wanneer de bus stopt bij de “Catimore Homestay” hangt er buiten een groot afgebladderd uithangbord “Arabika Homestay”. We kijken elkaar verbaasd aan en vragen de chauffeur wat er aan de hand is, we zitten hier verkeerd.
'Nee, dit is de Catimore Homestay', hakkelt hij.
Hij is waarschijnlijk pas begonnen als chauffeur/gids en hij is nog niet echt bekwaam in het misleiden en oplichten van goedgelovige onvermoedende reizigers. Hij krijgt al snel hulp van de manager van de Arabika Homestay.
'Wij zijn dezelfde mensen en dezelfde Homestay', liegt hij hardop, en met een ontwapende glimlach op zijn gezicht, mee.
De vier Belgen zijn iets minder strijdbaar dan ik en volgen zonder te morren een bediende richting de slaapvertrekken. Ik probeer het nog een laatste keer.
Ik haal een briefje van 100.000 en een briefje van 10.000 uit mijn agenda tevoorschijn en vraag aan de Javaanse toeschouwers of die misschien ook hetzelfde zijn. Schaapachtig, zoals de vier Javaanse boswachters een half uur geleden, staan ze ons zonder een woord te zeggen aan te kijken. Nu de ruggesteun van de andere vier is weggevallen geef ik ook maar op. De manager en chauffeur hebben gewonnen.
We volgen in alle stilte met de rugzakken op de rug een, in een grauw wit pak gestoken, bediende naar onze kamer en die is niet slecht, de hete douche werkt gelukkig ook en omdat we al 100.000 Rupiah goedkoper uit waren kan het ons ook eigenlijk weinig schelen.
Het is ondertussen, door het vele onverwachte oponthoud, al wel zo laat geworden dat de rondleiding over de  plantage wordt afgezegd. Niet dat dat erg jammer is want we hebben onderweg al genoeg koffiestruiken gezien. We douchen snel en gaan op zoek naar een koude fles Bintang bier, mits de prijs goed is vanzelfsprekend.
Bij aankomst op de veranda met een uitzicht over de plantage bevinden we ons onverwacht in een wel heel vreemd ritueel! We moeten om half vijf het avondeten bestellen en dat zal dan om ongeveer zeven uur worden geserveerd. Twee en een half uur wachten op je avondeten? Het moet niet gekker worden! Gaan ze soms dat eten met de minibus in Banyuwangi halen? Wat kan het ons ook schelen? We zijn hier maar voor een nacht.

Tettje zijn nieuwe hobby is het leren roken en rollen van een sjekkie aan de lokale bevolking. En dat geeft op veel plaatsen lachwekkende situaties. Zelf geniet ik van een koud biertje en schrijf wat verhalen. Foto’s zijn er weinig vandaag, we hebben maar weinig gezien.
Nog een tweede, en derde biertje en we zijn blij dat eindelijk het bestelde eten op tafel komt. En dat eten is slecht! Mijn Bami Goreng is een pakje instant noedels van 550 Rupiah gebakken in veel olie met een stukje groente en daarna verheven tot de vorstelijke prijs van 18.000 Rupiah. Tettje zijn Nasi Goreng is een kom gekookte rijst gebakken met een stukje gesnipperde ui, wat blokjes wortel, en chilisaus. Daarna was het volgens de menukaart 16.000 Rupiah waard. De acht kipkluifjes die op de markt 3.000 rupiah per portie kosten moeten vanavond gewoon 20.000 rupiah opbrengen. Het eten is koud of lauw en zonder al teveel smaak, het is dan ook geen verrassing dat de borden half vol weer terug naar de keuken gaan. We hadden wel wat meer van de veel geprezen Indonesische keuken verwacht! De ober die afruimt kijkt ons niet eens verbaasd aan. Hij had het waarschijnlijk al verwacht.

Om acht uur sluit het restaurant, èn de bar, en wordt zonder enige schroom de rekening aan ons gepresenteerd. 237.500 rupiah voor ruim twee en een half uur treurige ellende. Jullie begrijpen nu wel dat ik deze plaats niet kan aanraden en jullie adviseer om zelf een paar schalen instant noedels mee te nemen. Net als die Belgen? Wij hebben ze de hele middag/avond niet meer gezien.
Het enige voordeel van deze plaats op de glooiende hellingen rond de vulkaan is dat het op ongeveer elfhonderd meter hoogte ligt en zodoende de temperatuur om in te slapen zeer aangenaam is. Met de slechte maaltijd in gedachten probeerde ik in slaap te vallen. Het is nog geen acht uur! Het licht op de hele plantage gaat uit! Met de zaklantaarn in de hand zoek ik nog een keer het toilet op. Ik hou mijn hart vast voor het ontbijt dat we morgenvroeg geserveerd krijgen.

zondag 11 mei 2008

Indonesië: Gunung Bromo

Cemoro Lawang (Cemara Indah Hotel)

Vroeg, kwart voor vijf in de ochtend is heel vroeg! Zeker na een hoogst onverwachte slechte en heel koude nacht met zeer weinig slaap in het tropische Indonesië. Ondanks dat we met onze kleren aan en een wollen muts op hebben geprobeerd enige slaap te pakken. Het opstarten op deze zondagochtend gaat wel wat moeilijker dan normaal. Wanneer we ervoor hadden gekozen om met de grote groep mee de berg op te gaan dan hadden we nog vroeger moeten opstaan. Pffff. Alleen de gedachte geeft me van binnen een onaangenaam gevoel.

Aankleden hoeft gelukkig niet meer maar het vocht in mijn katoenen kleding, dat de afgelopen nacht door mijn lichaam is afgescheiden, versterkt de koude. We hebben geen tijd meer voor een verwarmend kopje koffie want we zijn al aan de late kant. Zonder een woord tegen elkaar te zeggen stappen we de laatste restjes van de afgelopen koude nacht  aan de rand van een vulkaan binnen.
We zijn eigenlijk net te laat voor de zonsopkomst, een fel oranje en purperen rand is al als een aura boven de bergen aan de horizon verschenen. De gebouwen die tegen de rand van de vulkaan zijn gebouwd zijn gehuld in een opkomende mist. De mist die deze magische omgeving misschien zo geschikt maakt voor land en tuinbouw. De mist die de verhalen en legende voedde met geesten, mythisch wezens en fabeldieren.
Een sterke zwavellucht snijdt onverwacht mijn adem af en geeft me een heel slechte smaak in de mond. Die magische mist is niet wat ze op het eerste gezicht leek! Een gelige deken van zwavelig gifgas, als tijdens de veldslagen in de eerste wereldoorlog, ligt over de berghellingen. Het benadrukt dat het bezoeken van actieve vulkanen niet zonder gevaar is! Het is zeker schitterend om te zien maar ook niet geheel zonder gevaar. Er is heel weinig wind op dit tijdstip in de vroege ochtend, dus uit die hoek hoeven we geen verlichting te verwachten. Nog steeds zonder een woord tegen elkaar te hebben gezegd kijken we elkaar aan. Een blik is voldoende! We begrijpen elkaar feilloos en halen snel onze digitale camera’s tevoorschijn.

Als een haas achtervolgt door een hongerige vos ren ik in de schemer over de rand van de oude krater met Tettje, in de rol van jagende vos, in mijn kielzog. De eerste foto’s van de zonsopkomst bij Gunung Bromo lijken op het kleine beeldscherm meteen goed. Terwijl ik sta uit te hijgen van deze inspanning ontnemen de zware zwaveldampen langzaam mijn adem. De zuurstof in de ijle lucht wordt verdrongen door andere gassen dan de zuurstof die mijn lichaam zo hard nodig heeft en mijn longen moeten dubbel zo hard werken.
Mijn neus en keel beginnen nu ook te prikken en na een eerste kleine korte hoestbui kan ik niet meer stoppen. Heel onverwacht en zeer onaangenaam! Hoestend en proestend, tot tegen het kokhalzen aan, probeer ik zoveel mogelijk zuurstof uit de giftige lucht te filteren. Achter ons, hoog boven ons, zien we de vele kleine digitale camera’s flitsen van de mensen die wel de 150.000 Rupiah per persoon hebben betaald.
Gisteren na het avondeten kwamen de gidsen in het restaurant langs om deze excursie aan te bieden. Met een 4x4 naar een hoger gelegen uitzichtpunt om daar de zon te zien opkomen. Vertrek rond vier uur in de ochtend! Na een kort overleg hadden we besloten om het niet te doen. Het fikse bedrag staat volgens ons in geen enkele verhouding tot wat we ervoor terug krijgen! En dan ook nog bijboeken om op de rug van een paard naar de rand van de Bromo te klimmen. Vanzelfsprekend tegen een extra vergoeding.
Omgerekend naar de sterke Euro is het misschien niet ècht veel geld maar het bedrag is wel gelijk aan een overnachting in het Cemara Indah Hotel. We kunnen er ook geen van beiden de extra waarde van in zien om met een enorme groep toeristen een paar honderd meter hoger te gaan staan om de zon te zien opkomen en daarna samen met dezelfde grote groep de Gunung Bromo te beklimmen. Dan hebben we liever dat “alleen op de wereld” gevoel.
Met brandende ogen en nog steeds licht hoestend slenteren we terug naar het hotel om te zien of we het afgesproken ontbijt kunnen nuttigen. Gelukkig voor ons heeft de kok zijn woord gehouden, voor het slapen gaan had ik hem verteld dat wij al ongewoonlijk vroeg zouden komen ontbijten. Hij keek ons heel vreemd aan! Hij moet toch ook al het een en ander hebben meegemaakt. Maar hij stemde er toch mee in en beloofde vroeger dan normaal in de keuken aanwezig te zijn. Zo zitten wij om iets voor half zeven met zijn tweeën in het grote koude en nog lege restaurant aan de bananenpannenkoeken met sterke kokendhete Javaanse koffie.
Mijn lichaam schreeuwt na de vroege ochtendwandeling om brandstof. Nadat ik de restjes van Tett zijn overgebleven bananenpannenkoek heb weggewerkt bestel ik er nog maar ééntje extra. Tettje kijkt me zwijgend en vol verbazing aan. Hij is wel gewend dat ik van eten hou maar hij heeft me nog nooit ‘s morgens vroeg zo zien schransen. Even volstouwen! Brandstof bunkeren! Want het kan vandaag wel eens een hele lange dag worden.
Vanuit het restaurant kunnen we zien hoe een afgebakend stuk grond aan de voet van de trappen naar de krater in een grote parkeerplaats veranderd. Dat is de groep die net van de berg is gekomen en nu met zijn allen naar de rand van de active Gunung Bromo gaan. Phil voegt zich bij ons en heeft volgens zijn zeggen wel redelijk geslapen. We halen onze wenkbrauwen op en nemen nog een slok van de heerlijke sterke koffie.
Nog voordat wijzelf op pad gaan komen de eerste bezoekers terug in het restaurant van het hotel. Voor hen zit het er op en voor ons gaat het nu pas beginnen. Deze mensen gaan ontbijten, hun bagage pakken en vertrekken rond negen uur. Ik zet er hardop een vraagteken bij. Is dit de juiste manier om de schoonheid van de Gunung Bromo te ervaren? ‘s morgens heel vroeg opstaan om de zon te zien opkomen, een bliksembezoek aan de rand van de krater, een ontbijt en dan slapen in de minibus op weg naar Probolinggo?

Terwijl Phil van zijn ontbijt geniet zoeken wij de buitenlucht weer op. De zon en de wind hebben de zwavelwolk opgelost en weggewaaid, een waterig zonnetje probeert door de sluierbewolking te prikken. Het wordt een mooie dag vandaag, dat is het enige dat op dit moment zeker is. Phil passeert ons om zijn spullen voor de tocht naar de krater op te halen en om iets na acht uur laten we het volle restaurant achter ons.
Vanochtend gaan we met, een hopelijk heel kleine toeristenstroom, richting de rand van de actieve krater. Het uitzicht is onbeschrijfelijk mooi en het beeld van een paar actieve vulkanen achter elkaar zal ik niet snel vergeten. Met de windvanger aan en de broekspijpen aangeritst dalen we langs de steile wand af naar de zandvlakte op de bodem van de oude krater. In deze krater zijn er in de loop van de tijd enkele nieuwe vulkanen ontstaan waaronder de Gunung Bromo, de enige die nog actief is. Het hoogteverschil is groter dan verwacht en het mulle donkergrijze zand maakt de afdaling een hachelijke onderneming. Met elke stap is het weer met de armen wijd gespreid balanceren terwijl een  van je ogen steeds waakzaam die diepe afgrond in de gaten houdt. Waar zijn we aan begonnen? Denk ik voor een moment. Maar met Phil en Tettje voor me laat ik niets van mijn onzekerheid merken.
Onderaan de steile wand aangekomen kijk ik omhoog om me te realiseren dat het haast onmogelijk is om de hoogte te schatten. 200 meter? 300 meter? Ik probeer in mijn gedachten Bommelse torens op elkaar te stapelen, zonder succes. Ik weet het niet! Wat ik wel weet is dat het vanaf de bodem van de krater omhoog veel hoger lijkt dan van de rand naar beneden. En we moeten straks toch echt weer omhoog!
Met zijn drieën maken we een strijdplan hoe we het beste naar de vulkaan kunnen lopen. We vinden enkele goede vaste oriëntatie punten zodat we in een bijna rechte lijn de enorme vlakte kunnen oversteken. Via een groep bomen aan de linkerkant van de vallei, vanwaar we waarschijnlijk een goede hoek hebben om foto’s van de vulkaan te maken, zullen we recht op de Hindoe tempel aflopen. Op de GPS is het maar een kleine drie kilometer maar hier in het mulle donkere zand lijkt het veel verder.
Phil is een goede reisgenoot en pratend over de verschillende bestemmingen die we hebben bezocht struinen we met zijn drieën over de verlaten zandvlakte. Het heeft iets surrealistisch als uit een science fiction cultfilm. “Mad Max” en “The Planet of the Apes” schieten door mijn hoofd. Het lijkt zelfs een beetje op een scène uit de klassieke “Star Trek” serie, uit de jaren zestig, zoals we met zijn drieën door het mulle zand ploegen. Met als doel een tempel, van een onbekende beschaving, op een verre planeet.
‘It’s life Jim, but not as we know it’, hoor ik Spock achter me zeggen.

Het is echt een maanlandschap waardoor we ons verplaatsen en het is heel moeilijk om afstanden in te schatten. De bodem van de krater heeft meer hoogteverschillen dan we vanaf boven hadden kunnen bedenken. In de dalen verliezen we soms de groep bomen uit het oog. Het maakt eigenlijk weinig uit want we kunnen altijd de spitsen van de gebouwen van de tempel boven de zandheuvels zien. Op weg naar de tempel passeren we enkele kleine heiligdommen die naast of om enorme brokken uitgespuwde lava zijn gebouwd.

Na een stevig inspannende wandeling arriveren we eindelijk bij de “Pura Luhur Poten”, de hindoe tempel naast de Gunung Bromo. Het wordt tijd om te rusten en wat te drinken! Later, wanneer ik dit verhaal zit te schrijven vraag ik me af waarom alleen de Gunung Bromo een naam heeft. De kegel van de uitgedoofde vulkaan direct naast de Bromo is zeker zo indrukwekkend! Toch heb ik geen naam voor deze vulkaan op het internet kunnen ontdekken.

Onderaan de krater, aan het begin van het voetpad naar de top, is er natuurlijk weer de bekende derde wereld braderie opgebouwd met mensen die van alles, wat je echt niet kan gebruiken, verkopen. Maar het zijn toch vooral flesjes frisdrank voor de dorstige toeristen en kleine boeketten droogbloemen, om te offeren aan de goden die diep in de aarde wonen en via de krater ons soms komen bezoeken, die gretig aftrek vinden. Wij zijn hoofdzakelijk geïnteresseerd in de flessen water en frisdrank die de opkomende dorst zullen lessen. We worden omsingeld door, in kleurige gewaden gestoken, verkopers die alles aanbieden waar een vermoeide of nieuwsgierige toerist misschien interesse in zou kunnen hebben. Ik kom ogen en oren te kort maar laat het ook maar over me heen komen.
Totdat er een van de verkopers aan me begint te trekken! Na een eerste voorzichtige hand op mijn arm die me probeert een stukje om te draaien om zo mijn aandacht op hem te vestigen komen de handen steeds sneller. Ik voel me als een speelbal op een stroomversnelling! Nog voordat ik duizelig wordt van al dat getrek en gedraai slaak ik een oerkreet die de grip van de, nu haast agressieve verkopers, voor een moment laat verslappen. Afwachtend en verrast kijken ze me aan. Met de blik als van een roofdier op zoek naar een prooi gaan mijn ogen langs de groep verkopers. De verlossing duurt niet lang! De drang om je iets aan te smeren is groter dan de angst voor de blanke met de grote hoed. Deze verkopers zijn gepokt en gemazeld en gebruiken nu het allerlaatste midden om aan ons geld te komen. “Het gevoel van de verlossing!” Ze weten nu dat medelijden bij ons niet werkt dus wordt er zwaarder geschut in stelling gebracht.
Ik voel dat ze ons niet laten gaan voordat we wat hebben gekocht. Toch laten we ons niet intimideren! We worstelen ons door de groep naar de buitenkant van de ring die ons omsluit. Eindelijk geven ze het op en zijn we verlost van deze plaag. Een eindje verderop heeft een groep Javanen, met de paarden om je naar de rand van de vulkaan te brengen, het hele spektakel met interesse gevolgd. Langzaam, maar zelfverzekerd, lopen we op de groep gidsen met de paarden af. Er is wel een voorzichtige vraag of we misschien op een paard naar de rand willen maar daar blijft het bij. Het heeft alle schijn dat ze uit ons eerdere optreden hebben opgemaakt dat we geen interesse hebben in deze kermis en dat we hier zijn om de Gunung Bromo op onze eigen manier te ervaren. Ik lach ze vriendelijk toe en breng mijn hand, als teken van groet, naar de brede rand van mijn hoed.
Langzaam lopen over de harde vulkaanas naar het begin van de trap die naar de rand van de krater ging.
“285 treden omhoog”, meld Tettje.
Zonder een woord te wisselen beginnen we aan de beklimming terwijl er slechts een handjevol mensen op dit vroege tijdstip bezig zijn met de afdaling. Normaal loop ik de 271 treden van de Batu Caves in Kuala Lumpur in een ruk naar boven maar hier speelt de hoogte van ruim 2000 meter mij duidelijk parten. Natuurlijk is Phil met zijn eenentwintig jaar oud de snelste, zelf ben ik als tweede op de top en Tettje volgt ons in zijn eigen tempo. We worden boven aan de top van de trap ontvangen door een lelijk, met graffiti beklad, betonnen hek. Dom! Hoe kan men zo’n mooie plaats met zo’n ondoordacht idee verpesten?

De krater van de Gunung Bromo is van dichtbij minder indrukwekkend als van een afstand. Een vreemd gevoel van lichte teleurstelling overvalt me terwijl ik in de krater naar enkele mensen kijk die de in de krater geworpen boeketten droogbloemen verzamelen. Met gevaar voor eigen leven veronderstel ik! Een wolk van giftig gas uit de diepten van de aarde en je bent op weg naar de goden in de hemel! Toch blijft de beleving van de Gunung Bromo minder dan ik had verwacht. Het beeld van het overzicht van de vulkanen is mooier dan de details.
Vanzelfsprekend overwegen we om een rondje over de rand van de krater te lopen maar de zwaveldampen en het slechte zicht belemmerden ons zo dat we maar, tot grote opluchting voor Tettje, voor een wandeling over de zandvlakte kiezen. Het is nog geen tien uur! De minibusjes naar Probolinggo zijn allemaal vertrokken dus we moeten de dag hier volmaken.

Onderaan de vulkaankegel nemen we de moeilijkste weg naar het oosten om met een omtrekkende beweging richting de vallei te lopen. Het is een vreemde plaats. De ondergrond klinkt hol en het lijkt dat je elk moment door de harde toplaag heen kan zakken. Af en toe raap ik een steen op om te kijken hoe die is gevormd. Je kan duidelijk aan de ruwe vorm zien dat ze gloeiend heet zijn uitgespuwd door een vulkaan en tijdens de vlucht zijn afgekoeld en gestold, ze hebben de meest vreemde vormen. Sommige stenen zijn zelfs zo groot als een koelkast!

Nadat ik een paar stenen heb opgepakt en laten vallen gooi ik er één zo groot als een tennisbal, uit pure verveling, voor mij uit. Wanneer de steen, na een paar gestuiterd te hebben, tot stilstand is gekomen, kijken wij elkaar verbaasd aan. We bukken alle drie tegelijk, rapen een steen op en gooien die voor ons uit. Het geluid lijkt op een steen die op een stalen dek van een schip word gegooid of het zingen van een ijslaag op een vijver waar een steen overheen stuitert. Vreemd? Daar staan we dan met zijn drieën in het midden van een verlaten vulkanische zandvlakte en maken een paar minuten buitenaardse muziek.
De zon staat nu hoog aan de hemel en het is nog steeds te vroeg om terug te keren. Phil komt met het idee om de bergrug achter de Gunung Bromo te beklimmen. Misschien hebben we daar een beter uitzicht op de hyperactieve Gunung Semeru en kunnen we daar mooie foto’s maken. Klinkt niet slecht. En een beetje avontuur kan geen kwaad. Helaas kiezen we de verkeerde weg omhoog en word onze weg versperd door hoge en zeer scherpe graspollen. Tettje is wel een beetje blij dat het niet doorgaat. Hij zou het wel kunnen maar heeft nog te weinig zelfvertrouwen om zo’n onderneming te starten.
We kijken eens goed om ons heen naar andere mogelijkheden die we hebben. Er staan na een kort beraad maar drie opties open! Dezelfde weg terug, een onduidelijk zigzag pad over de kale vlakte, en een langzaam oplopend pad aan de meest oostelijke kant van de oude krater. Het wordt de laatste. Tettje is nu moe en begint zwaarder en moeilijker te lopen. Zijn snelheid gaat omhoog en dat is juist fout! Een instinct diep in de mens zegt dat je zo snel mogelijk bij je doel moet aankomen terwijl je rustig en in een gelijkmatig tempo naar je doel moet gaan.

‘Rustig aan Tettje’, roep ik hem na terwijl hij voor ons uit richting het langzaam oplopend pad aan de horizon loopt.
Tijdens de klim moeten we een paar keer rusten omdat Tettje nu ècht aan het einde van zijn krachten komt. Het afdalen naar de “Sea of Sand” was al zwaar maar de beklimming over de paden, van soms gladde vulkanische grond en dan weer los zand, is ook niet gemakkelijk. In zo’n geval weet je dat klagen niet helpt en dat je gewoon de marteling moet ondergaan. Zelfkastijding met als beloning het gevoel van euforie. De rand van de oude krater is het doel en daar moeten we naar toe! De periodes dat we bewegen worden korter en de periodes van rust steeds langer.
Elke keer wanneer we weer opstaan en beginnen met het klimmen voel ik me slechter. Zodra het ritme van de kleine stappen omhoog mijn knie en heupgewrichten weer hebben gesmeerd, en mijn geest zich weer heeft ingesteld op de zware beklimming hoor ik achter me roepen: ‘Vijf minuten rust?’
Ik laat me dan weer op de helling zakken en voel nog een keer aan mijn lege drinkfles. Demonstratief hou ik voor mezelf, zoals het beeld in een film van een verdwaalde man in een woestijn, mijn drinkfles op de kop. Een verdwaalde druppel vormt zich, als een glanzende edelsteen, aan de rand van het mondstuk. Het moet nu niet te lang meer duren want we hebben vocht nodig ondanks dat het hier boven de tweeduizend meter niet zo warm is.

Boven aan de rand van de krater staat hem een nog onaangenamere verrassing te wachten. In plaats van de door ons verwachtte verharde weg loopt het pad de bergrug op en verdwijnt uit het zicht. We kijken elkaar verbaasd aan. Ik kan ook geen antwoord geven op de vraag waar het pad naar toe loopt. Tettje zit er nu doorheen en het is duidelijk dat we hem het laatste stukje goed moeten coachen. We gaan in een slakkengang verder zodat we niet meer hoeven te rusten nu we zo dicht bij ons doel zijn.
Bij een onverwachte splitsing van het pad gaan Phil en ik ieder een andere richting op. Met korte kreten houden we elkaar in de gaten en proberen zo de gemakkelijkste weg voor Tettje te vinden. Het blijkt niet nodig te zijn geweest wanneer Tett achter me en Phil voor me opduiken. Het pad wordt beter begaanbaar, in de verte kunnen we Cemoro Lawang weer zien liggen en Tettje is zeer opgelucht dat we er bijna zijn.
We zijn niet onopgemerkt gebleven want een Javaan met een paard heeft ons al van verre zien aankomen. Waarschijnlijk heeft hij ons, vanaf de rug van zijn paard, over de zandvlakte gevolgd en geduldig afgewacht waar en wanneer we boven aan de rand van de krater zouden verschijnen. Tettje is het glunderende meest vermoeide slachtoffer en voor 50.000 Rupiah hoeft hij niet meer te lopen. Nu is Tettje zijn eer belangrijker dan de vermoeidheid, ook het verlaagde bod van 30.000 Rupiah blijft voor de vermoeide wandelaar onaanvaardbaar. Met de stallen in zicht geven we niet meer op.
Het is net na twee uur wanneer we op het terras naast het hotel neerstrijken, erg moe maar voldaan. Onze dag en ontmoeting met de Gunung Bromo zit er op. Voordat de minibusjes met de nieuwe toeristen verschijnen gaan we snel op zoek naar warm water om te douchen en ons op te frissen. Het is ook nog te vroeg voor een koud biertje!
Dat warme water kunnen we wel vergeten. De kamer mag dan zijn verhuurd met warm water maar waarschijnlijk alleen maar op papier. Ook deze middag blijft het water na tien minuten koud, ijskoud. Zodra we op de bedden liggen vallen onze ogen dicht en we genieten van een korte maar welverdiende rust.
Onder het genot van een Javaanse Koffie bespreken Tettje en ik het vervolg van onze reis. We hebben wel een ruim plan maar daar kunnen we elk gewenst moment van afwijken. Als verrassende wending komen we overeen om morgen voor een dag of twee naar Bali te gaan. We zijn er tenslotte nu zo dichtbij!
Na het saaie avondeten zoeken we meteen onze bedden op. De opwinding die zich gisteren na aankomst van ons meester had gemaakt is helemaal verdwenen. Een nieuwe groep toeristen boekt de excursie met de 4x4 naar de hoger gelegen berg om de zon te zien opkomen. We hebben hier weinig meer te doen en Phil ligt ook al op een oor. We kunnen terugkijken op een schitterende dag en iedereen aanraden om de Gunung Bromo te bezoeken, wanneer die niet is afgesloten wegens vulkanische activiteit! Morgen gaan we dus verder op weg  naar Bali.
Copyright/Disclaimer