zaterdag 10 mei 2008

Indonesië: boven de tweeduizend meter

Cemoro Lawang (Cemara Indah Hotel)

Een impressie van de trein in Indonesië 

We zijn blij dat we na twee saaie dagen Surabaya eindelijk kunnen verlaten, de kans dat ik hier ooit nog een keer terug kom is erg klein, we vertrekken naar Thailand weer vanuit Surabaya maar we zullen hier zeker niet overnachten. Heel misschien nog een keer op doorreis maar dan ook alleen als het niet anders kan. Na drie nachten en twee dagen kunnen we met een gerust hart zeggen dat het geen plezierige stad is en dat er ’s avonds voor ons ook zeer weinig te doen is.
We verlaten het hotel al vroeg en ik weet niet goed wat ik op het gezicht van de manager aflees. Is hij teleurgesteld of opgelucht dat we het hotel verlaten? We hadden een valse start bij aankomst in Surabaya maar ondanks de joviale oplossing blijf ik van mening dat we zijn misleid. Wanneer ik een Big Mac bestel verwacht ik ook geen Whopper omdat de MacDonald’s tijdelijk gesloten is! We nemen na het vandaag wat karige en eentonige ontbijt en een laatste kop koffie bij de McDonalds onze strategische posities in op het perron van het Gubeng station.

We gaan er logischer wijs van uit dat wagon nummer één vooraan de trein zal zijn. Na het binnenrijden van de lange rammelende trein blijkt onze wagon dus achteraan te zijn. De snelle wandeling over een volgepakt perron is een lange hindernisbaan! Overal staan mensen in de weg! Mensen met enorme dozen, goederen in jute zakken, het enige dat ontbreekt aan dit haast romantisch schouwspel is levend vee. Maar dat zullen we hoogstwaarschijnlijk ook niet op deze trein zien. Onze trein is de duurste van de drie verschillende soorten treinen, ekonimi, busines, eksekutif, die over de meer dan honderd jaar oude rails richting Banyuwangi rijden. Het klinkt moderner dan het is!
De oude afgetrapte trein is niet slecht van binnen maar ook niet precies wat we van de Eksekutif (1e klasse) verwacht hebben. Hier en daar steekt een veer door de voering en het is ons meteen duidelijk dat de Kereta Api, de trein, het uiteindelijk van het goedkope vliegen met budget maatschappijen zal verliezen. Prijs, reistijd en comfort worden ook hier op prijs gesteld. De trein blijft er nog wel een tijdje voor de hele arme Indonesiërs en voor de romantische gekken die voldoende tijd hebben en genieten van het ritmische schokken van de wagon en het monotone geluid van de stalen wielen die de gekoppelde spoorstaven passeren. Kadoeng kadoeng, kadoeng kadoeng, kadoeng kadoeng.
De zitplaatsen die we gisteren hebben gekregen zijn uiterst belabberd. Onze zitbank staat precies tussen twee ramen in en we hebben een uitzicht van nul komma nul. Leuk voor de Indonesiërs, want die slapen meteen als de bus of trein beweegt, maar dramatisch voor twee Hollandse polderzonen op reis door het land van “de stille kracht”.

De trein komt schokkend op gang en ik kijk door de haast lege wagon. Ik twijfel niet lang en verplaats mezelf naar een van de lege stoelen voor ons. Tettje volgt zwijgent mijn optreden en neemt mijn idee goedkeurend en zonder een woord te zeggen over. Hij gaat naar de linkerkant van de wagon en bemachtigt zo ook een zitplaats aan het raam. Wanneer het drukker wordt in onze wagon kunnen we altijd nog terug gaan naar onze eigen plaatsen.
Na een comfortabele treinreis van een kleine drie uur, ongeveer 100 Km, staan we gepakt en gezakt op het perron van Probolinggo. Deze stad heeft  in de Lonely Planet een slechte naam omdat er veel sjacheraars in en rond het station opereren die de toeristen aan de lopende band extra dure busreizen proberen te verkopen. Wij zien er met zijn drieën aan het einde van het zonovergoten perron uit als gemakkelijke slachtoffers! Wij zijn nu de prooi en het is wachten op de jagers die ongetwijfeld in grote hordes op ons af zullen komen met hun “Hello Misterrrrrrrrrrr”.
Samen met ons is er nog een blanke uit de trein gestapt en na een kort informatief gesprek proberen we met zijn drieën uit te vinden hoe we bij het busstation buiten de stad kunnen komen. Nog voordat de eerste sjacheraar zich op ons stort staat ons noodplan vast en kunnen we meteen in de verdediging gaan. We lopen, alsof Probolinggo onze geboortegrond is, vastberaden langs de grote rij sjacheraars die niet goed weten wat hun nu weer overkomt.
Net buiten het kleine station van Probolinggo slaan we onze Lonely Planets open en dat is meteen het teken voor de groep sjacheraars om zich weer op hun prooien te storten. We gaan het gesprek met ze aan en voorzichtig proberen we wat nuttige informatie bij ze los te weken. Helaas zonder enig resultaat! Ze schakelen het onderwerp meteen over op hun taxi’s, minibusjes van goede vrienden, goedkoop, lang wachten op het busstation op een hele gevaarlijke bus en nog veel meer argumenten om ons te doen besluiten om toch maar met hun in zee te gaan. Van de sjacheraars kunnen we dus weinig hulp verwachten maar een toevallige voorbijganger wijst ons in de juiste weg.
'Neem die bus maar', wijst hij in de richting van een kleine gele minibus die een eindje verder in de straat staat en aanstalten maakt om weg te rijden. Wij rennen met z’n drieën al zwaaiend met onze armen naar de andere kant van de straat richting het kleine gele busje. De korte sprint met de rugzak op mijn rug is een explosie van angstige energie met als direct gevolg dat het zweet uit al mijn poriën loopt. Ik voel het water in dunne straaltjes over mijn rug lopen en mijn shirt kletsnat worden. Reizen in de tropen!
Bij het instappen in de kleine minibus stoot ik, door de vermoeidheid en de drukkende warmte, verschrikkelijk mijn hoofd aan de dakrand. Een beetje versuft en met sterren voor mijn ogen help ik de anderen om, met de rugzakken nog op de rug, de veel te kleine bus in te kruipen. Bezorgd kijkt de kleine Javaanse chauffeur achterom, met drie van die enorme buitenlanders en vier rugzakken in totaal is zijn bus helemaal vol. Mijn geruststellende woorden over een tip en een briefje van 10.000 Rupiah toveren een brede glimlach op zijn gezicht die zijn twee overgebleven bananen gele snijtanden toont.
Het busstation van Probolinggo hebben we nooit van dichtbij gezien! De chauffeur van de kleine minibus lijkt een slimme val voor ons te hebben gezet en wij zijn er met open ogen in gelopen. We worden recht voor de deur afgezet bij een reisbureau waar een overijverige eigenaar, Mr. Anton, ons meteen excursies voor de komende drie weken wil verkopen. Terwijl mijn twee reisgenoten nog verbaasd zijn over het gebeurde heb ik er direct zo mijn bedenkingen bij!
400.000 roepia ( € 35,-) per persoon lijkt me een hoop geld om zomaar bij een vreemde achter te laten in ruil voor een handvol waardeloze stukjes papier met een stempel van een obscure reisbureau en een handtekening. Nee, de minibus naar de rand van de krater van de Gunung Bromo is vandaag voldoende voor ons! We nemen met z’n drieën plaats op een veel te kleine gammele hardhouten bankje dat tegen een muur van het kleine kantoortje staat. Ik kijk eens goed om me heen terwijl mijn reisgenoten zenuwachtig door de inhoud van hun rugzak roeren. Grote kleurige posters aan de muur, de bekende posters! Bali, Bromo, Burudodur, Garuda Indonesia, Selamat Makan en mooie, in traditionele kleding gestoken, dansende Javaanse meisjes! Op zijn bevel wachten we op het verschijnen van onze minibus. We ervaren de koelte van de airconditioning in het kleine kantoortje als heel aangenaam. En veel beter dan de drukkende warmte buiten.
Mr. Anton is de hele tijd met de telefoon bezig en zijn gesprekken zijn luid en soms interessant. Het Bahasa heeft toch wel enkele woorden die een Nederlands oor er zo uit kan filteren. Af en toe kijkt hij naar ons op en wuift dan met zijn vrije hand een geruststellend gebaar dat we moeten blijven zitten. Wij zitten dus op dat bestelde busje te wachten terwijl ik nu het idee krijg dat hij dat busje voor de rit naar Cemoro Lawang nog aan het zoeken is. Ons geld zit al in de lade en dat komt er natuurlijk nooit meer uit.

Uiteindelijk blijkt hij best wel te vertrouwen en we zijn binnen een half uur op weg naar onze bestemming voor vandaag, Cemoro Lawang aan het einde van de weg die slingerend omhoog kruipt, aan de rand van de oude vulkaankrater. Bij het zien van het busje, dat ons ruim veertig kilometer verderop moet brengen, gaan de haren me  op mijn hele lichaam recht overeind staan! Ik ben na al die jaren in Azië al heel wat gewend maar dit exemplaar zou in Nederland waarschijnlijk nog op de autosloperij worden geweigerd.
Het busje is met staalplamuur aan elkaar geplakt en daarna in de meest lelijke groene kleur gespoten die ze konden vinden. De aanblik van de banden, die nog uit de periode stamden dat de “Formule Een” op profielloze banden reed, laat al het vertrouwen in de technische staat van het voertuig in mijn schoenen zakken. We hebben betaald en we kunnen alleen maar hopen, en bidden, dat we veilig aankomen in Cemoro Lawang.

Ongeveer halverwege op weg naar Cemoro Lawang komt het busje onverwacht schokkend tot stilstand op een gelukkig niet al te steile helling. We kijken elkaar verbaasd aan en wachten af wat er gaat gebeuren. We hebben dus panne! Dat is dan niet geheel onverwacht! Na een moeizaam gesprek begrijpen we dat de chauffeur wacht op een collega die straks over dezelfde weg, en tevens ook de enige weg naar Cemoro Lawang, voorbij komt. “Straks”, een heel erg bekend maar nooit ècht gedefinieerd fenomeen om tijd uit te drukken in geheel zuid-oost Azië. Het kan alles tussen vijf minuten en vijf uur betekenen. Maar de mensen hier hebben de tijd en geen stress, dat is ook veel waard.

Maar gelukkig voor ons valt het mee. Binnen enkele minuten is er een collega chauffeur, in ook zo’n lelijk groene busje, gearriveerd en nadat ze samen wat aan de motor hebben gefriemeld gaan we in konvooi verder de bergen in. De motor maakt nog steeds ongezonde geluiden maar elke meter die we rijden hoeven we niet te lopen. Overstappen in het andere busje is ook niet mogelijk omdat elke zitplaats gevuld is. Met elke kilometer die we dichterbij Cemoro Lawang komen wordt het landschap mooier en Tettje en ik hebben zeer sterk het idee dat we een juiste beslissing hebben genomen om juist deze vulkaan als eerste te bezoeken.
Toevallig hebben Phil en wij ook nog hetzelfde hotel voor vanavond op het oog en we worden daar dan ook voor de deur afgezet. Bij aankomst regelen we een kamer, met twee aparte bedden, voor twee nachten en dat is gelukkig geen probleem. Het is net geen twee uur in de middag, ik heb het idee dat het hier nog erg rustig is en dat de drukte nog moet komen.

’Even afrekenen? Dat is dan 20.000 per persoon voor het nationale park en 300.000 roepia voor de twee overnachtingen.’
Ongeveer vijftien euro per persoon, dat valt dus nog wel mee voor twee nachten slapen? Samen bespreken we voor het eerst deze reis voorzichtig het budget. Ik hoef niet voor een dubbeltje op de eerste rij te zitten maar ik wil het geld ook niet met bakken uit het raam gooien. We zijn het al snel eens. Tettje en ik hebben gelukkig dezelfde ideeën en dat maakt de besluitvorming stuk gemakkelijker.

Zoals ik verwachtte wordt het later op de middag veel drukker zonder dat er al teveel toeristen arriveren. Het zijn bijna alleen jonge Indonesiërs die in groepen arriveren. Drie blanke toeristen bij elkaar oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit! Iedereen wil ombeurten een gesprek met je beginnen om zo hun niveau in de engels taal te testen. Na de mededeling dat we Belanda zijn gebeurt er vreemd genoeg niets. Er valt zelfs geen korte stilte. Ik vindt dat een beetje vreemd. Hoewel er enkele meisjes een hoofddoekje dragen en aan de jongens niet te zien is welk geloof ze aanhangen voel ik toch niets van die, misschien ongegronde, haat tegen de Hollanders waar ik in de reisboeken voor gewaarschuwd ben.
Ik heb alleen maar jonge mensen om me heen die zeer geïnteresseerd zijn in onze moderne westerse wereld. Wij kunnen ze natuurlijk nog maar weinig vertellen over onze ervaringen in Indonesië na drie dagen. Ook over west-Europa kan ik ze maar weinig vertellen. Maar de verhalen over Thailand en Maleisië vinden ze ook erg interessant omdat ze deze landen in niet al te verre toekomst willen gaan bezoeken. Die twee landen zijn voor hun gevoel moderne vooruitstrevende landen terwijl het met onze kennis tweede- en derdewereldlanden zijn.

Het “Cemara Indah Hotel” is een redelijke plaats om te slapen maar de ligging en het restaurant maken het toch ècht de moeite waard. Mooie vergezichten over de laaggelegen zandvlakte en de vulkanen aan de horizon maken het een genot om op het terras te zitten. De steeds wisselende vergezichten en de rook spuwende Gunung Semeru (Grote berg) of ook wel Marameru genoemd. Deze in het oog springende vulkaan is met zijn 3676 meter hoogte de hoogste berg op het Indonesische eiland Java. Zoals de meeste bergen in de omgeving is het een stratovulkaan.

Het is in de namiddag zon aangenaam vertoeven op het terras van ons hotel en aan de rand van de enorme krater waar de Gunung Bromo in ligt. Totdat de zon langzaam achter de bergrug naar beneden zakt en dreigt om achter de horizon te verdwijnen.
Koud!!!!
Koel is niet het woord, nee, het wordt ècht koud! Dat het geen verrassing is dat het met het vallen van de avond de koude neerdaalt over het hooggebergte blijkt uit het feit dat net voordat het helemaal donker is de wollen mutsen verkoper is gearriveerd. We moeten alle drie hard lachen om dit ingestudeerde toneelstukje! De Indonesische jongeren kijken ook verbaasd toe.
Zodra de mutsen verkoper op het toneel is verschenen halen de lokale gidsen, die naast hun paard of brommer staan en op zoek zijn naar een klus voor morgen, hun mutsen tevoorschijn en trekken die demonstratief ver over hun oren. Alleen dat beeld laat bij ons de gevoelstemperatuur al met tien graden dalen. Binnen enkele minuten gaan er tientallen mutsen van hand op hand. Twee wollen mutsen worden aangeschaft om samen met de jassen de ergste kou te verdrijven, en dat lukt aardig.Voor ruim een euro kun je je niet bekopen! En ik heb mijn souvenir voor deze reis ook meteen gekocht. De zaken zijn gedaan en de mutsen verkoper verdwijnt, na een laatste keer om zich heen te hebben gekeken of hij niemand over het hoofd heeft gezien, weer in de duisternis.
Het is wel weer om half zes donker en ik moet daar steeds weer aan wennen. Duisternis zoals dat alleen maar in verre vreemde arme landen kan zijn. Er is helemaal geen lichtvervuiling en miljoenen sterren schitteren als prijsloze diamanten aan de diep zwarte hemel van oost-Java.

’s Avonds zijn we met een leuke groep mensen aan tafel en we drinken een paar biertjes en eten meerdere gerechten, van gemiddelde kwaliteit. De menukaart is hier, op ruim zevenentwintig honderd meter hoogte, ook beperkt en alle voor rasechte Nederlanders bekende Indonesische gerechten staan in een rijtje op een wat sobere menukaart. We overleven nu al vier dagen op nasi en bami goreng! Het smaakt me prima maar ik hoop wel dat deze eenvoud aan gerechten in de toekomst gaat veranderen.
Waar ik ook zoek in het restaurant er is geen kachel te vinden! Veel gasten zitten met de jas aan en de muts op te eten. Het pittige eten verwarmt ons van binnen en het te koude biertje smaakt me niet zoals het me zou moeten smaken.

Buiten hebben de gidsen een klein houtvuurtje gemaakt waar ze in een kring omheen staan om wat van de aangename warmte op te vangen. Dat is voor ons een uitnodigend beeld en zonder een moment na te denken sluiten we ons aan rond het knetterende houtvuurtje. De rookontwikkeling zal wel een paar dagen in onze kleding blijven hangen maar dat nemen we voor lief.
Het was een heel gezellige avond die helaas al vroeg moet eindigden. Maar dat wisten we van tevoren dus komt het niet als een verrassing. Morgen gaan we namelijk om kwart voor vijf opstaan om de zonsopkomst te bekijken.
Nadat we het water in de douche tien minuten hebben laten lopen is er nog geen spoor van warm water te bekennen.
‘Het zal wel een zonneboiler zijn met een kleine capaciteit die al lang leeg is!’, denk ik hardop terwijl Tettje mijn idee meteen bijvalt.

Dan duiken we maar ongewassen onder de dekens. Het is ondertussen ook in onze kamer zo koud geworden dat ik besluit om met al mijn kleren aan en  mijn muts op naar bed te gaan. Het is echt stervenskoud hier! Het zal een korte en onaangename nacht worden maar wie wat moois wil zien of meemaken moet nu eenmaal lijden.

vrijdag 9 mei 2008

Indonesië: Surabaya een dode stad

Surabaya (Garden Hotel)

We worden op deze tweede ochtend in Indonesië wakker in een stad waar een bezoek van drie uur voldoende zou zijn geweest en heb ik drie nachten in Surabaya geboekt! Twee nachten was slimmer geweest en door mijn enthousiasme om drie nachten te boeken in Surabaya moesten we een saaie laatste dag zien door te komen. Wat te doen in deze lelijke stad?
Tettje had zijn Nederlandstalige reisgids zorgvuldig bestudeerd en was niet verder gekomen dan de plaatselijke dierentuin “De Surabaya Zoo”, misschien aangevuld met een oude onderzeeër die we ergens onderweg langs de rivier hadden gezien, te bezoeken. De “Kibun Binatang Surabaya” was op de GPS gevonden en een roze streep wees ons op het beeldscherm de kortste weg voor een voetganger. Ruim vijf kilometer wandelen in de drukkende warmte van de tropen, daar draaien we onze hand niet voor om en er zou meteen ook een uur van deze lange dag wachten voorbij zijn.
De weg naar de dierentuin toe was onaantrekkelijk door een mix van een woon- en zakenwijk, kaarsrecht en oneffen. Regelmatig struikelden we over opstekende tegels terwijl we om dikke bomen zigzagden die in het midden van het trottoir ons de weg versperden en stapten we over grote gaten. Na een tijdje zijn we maar op de rijweg gaan  wandelen omdat het gemotoriseerd verkeer het enige is waar men hier, net zoals in bijna alle Aziatische ontwikkelingslanden, rekening mee houd.

De dierentuin ligt een eind verder van de binnenstad dan het reisboek van Tettje beschrijft. Bezweet, en duizelig van de dorst, sluiten we achter aan in de korte rij Indonesiërs voor de loketten. We hebben trouwens nog geen enkele westerling in Surabaya gezien de afgelopen twee dagen. Het zal hier wel geen toeristische storm lopen.
Het eerste probleem van de dag duikt hier meteen op! Ze kunnen niet teruggeven van onze 50.000 roepia (ongeveer € 3,-). We kunnen praten wat willen maar ik zie uiteindelijk toch wel in dat ze dit waarschijnlijk niet met opzet doen en dat ze het zelf ook een beetje ongemakkelijk vinden. Er is hier ook een dubbel prijzen systeem! Als buitenlanders betaal je meer dan een Indonesiër. Wel zo vriendelijk en je voelt je ook meteen welkom.
Dus kunnen we uit de twee voorgestelde opties kiezen:
a. Gepast betalen en op deze manier meteen van al ons klein papiergeld af zijn, of
b: genoegen nemen met 25.000 en zo 5.000 roepia verliezen.

Een bespottende glimlach op het gelaat van een vrouw zodra ze ons ziet, zonder hoofddoekje die uit het niets de kassa betreed, geeft me een onaangenaam gevoel. De andere vrouw achter de kassa valt opvallend uit haar serieuze rol en begint zachtes mee te giechelen. De stortvloed van bahasa tussen de twee lolbroeken geeft me het gevoel dat we worden uitgelachen en dat ze met veel plezier de 5000 roepia uit onze zakken willen kloppen.
Ik ben en blijf nu eenmaal een terpentijnzeiker. Als ze die truc een paar keer per dag kunnen uitvoeren, wat ik betwijfel, dan is er snel een extra dagloon verdiend. Zonder één klein bankbiljet over in onze portemonnee betreden we de dierentuin. Mochten we later nog wat nodig hebben dan is het probleem gewoon voor ons uit geschoven.
Bij een klein kraampje net achter de ingang van de dierentuin wordt het tijd om wat te drinken. Ik voel me als een uitgeperste steen! Twee flesjes gekoeld drinkwater. Met een beetje angst in mijn lichaam overhandig ik het gewraakte 50.000 roepia biljet aan de kleine gebruinde vrouw. Zonder een woord te zeggen en met een brede glimlach overhandigt ze ons het wisselgeld. Ik tel het voor de zekerheid nog even na want met deze astronomische bedragen heb je snel een fout gemaakt! Met een opgelucht gevoel pers ik de dikke stapel vieze en vuile veelgebruikte bankbiljetten in mijn agenda. Wel heeft mijn vertrouwen in de eerlijkheid van de Indonesische bevolking een knik opgelopen. We moeten attent blijven! Hoe vriendelijk de mensen ook lijken.
De dierentuin is niet hopeloos of nutteloos te noemen want daarvoor hebben we teveel gelukkige en opgewonden Indonesische kinderen gezien. Voor ons zelf bleven de hoogtepunten echter beperkt en een groep luie Indonesiërs die een paar boomstammen over een smalle gracht probeerde te slepen was eigenlijk het leukste moment voor ons.
Met een goed getimed Satu, Dua, Tiga (een, twee, drie) wordt de boomstam door de kleine slanke mannen alle kanten opgesleurd behalve de goede. Het is een passend tafereel dat duidelijk de werkmentaliteit van de doorsnee Indonesiërs toont. Tettje en ik kunnen uren naar werken kijken en met een flesje koud water in de hand aanschouwden wij het hele spektakel. Het duurt voor ons ook te lang en we gaan weer verder de dierentuin in.
Tijdens de wandeling zinken mijn gedachten weg in de geschiedenis van Indonesië. Waren die Hollanders ècht zo slecht? Hebben we de bevolking ècht uitgebuit? Of hebben we misschien toch nog wat achtergelaten waar de Indonesiërs nu nog profijt van hebben? Waarom hebben we op school zo weinig geleerd over onze koloniën? Waarom ligt dit hoofdstuk uit de vaderlandse geschiedenis zo gevoelig? Deze reis zal waarschijnlijk de vele vragen in mijn hoofd wel beantwoorden.

De vogels, zoogdieren en andere variëteiten doen niet onder voor elkaar. De drukkende warmte van de late ochtend maakt alles en iedereen loom en slaperig. Het is niet voor niets dat het oerwoud pas na zonsondergang tot leven komt.
Voor 3.000 roepia extra kunnen we ook het aquarium en het nachtdierenverblijf bezoeken en de 23 eurocent was niet teveel om ons te beletten om ook deze attractie te betreden. Een half uur de drukkende warmte ontvluchten en omruilen voor de relatieve koelte van het aquarium en de adem afsnijdende stank van het nachtdierenverblijf. Aardig! Maar meer ook niet, en zo waren we een uurtje of twee later klaar op de hoofdattractie van de dierentuin na.

De Komodo Varanen! De grootste hagedissen op de planeet, het zijn bijna levensgrote draken of Dinosauriërs. Een overlevende van lang vervlogen tijden die op een afgelegen eiland van de Indonesische archipel de ondergang van de andere grote reptielen hebben overleefd. De zon heeft ze helaas zo loom gemaakt dat ze opgezet, of zelfs van kunststof, hadden kunnen zijn.
Het bord aan de muur om het verblijf van de Varanen vermeld dat ze net een paar dagen ervoor zijn gevoerd. Ze krijgen twee keer in de maand te eten dus ze zullen wel een paar dagen loom zijn na hun tweewekelijkse maaltijd. En zo zit onze laatste dag in Surabaya er al vroeg op.
Op de terugweg naar het gaan we nog even langs het station om de vertrektijden van de trein te bekijken. Er zijn tenslotte maar vier treinen per dag. Natuurlijk kunnen we met de bus gaan maar we houden allebei van reizen met de trein. En de “Kereta Api” die door de Hollanders is aangelegd blijft toch de mooiste manier om door het groene landschap van Indonesië te reizen.
We kiezen een andere route naar het station! Lelijker dan de heenweg is haast niet mogelijk maar ook de andere route richting het station komt er dicht bij. Over steden heb ik nu wel een slecht gevoel! Hoe lelijk zouden Surakarta en Yogyakarta wel niet kunnen zijn? Ik had beelden van oude mooie koloniale huizen langs groene lanen. Het is hier allemaal staal, glas en beton dat zonder enige vorm van regulering of bouwplanning langs de wegen en straten is neergezet.
Ons hotel is maar tien minuten lopen van het treinstation, dus het is goed dat we precies weten wanneer de trein vertrekt. Dan hoeven we niet uren op de volgende te wachten. Bij navraag aan het loket worden we prima geholpen. Natuurlijk krijgen we de aanbeveling om de duurdere “Eksekutif” trein te nemen. Maar voor deze prijzen is dat geen probleem! De stoelen in de trein zijn genummerd. Dat klinkt vreemd maar mijn ervaringen zijn dat het reizen in de trein zonder een genummerde stoel minder voorkomt dan het reizen met een genummerde stoel.

Een snelle blik op het perron om te zien wat we morgen kunnen verwachten en we gaan weer verder. De onderzeeboot wordt wegens de opkomende trek overgeslagen. Op naar de vierde verdieping van het winkelcentrum en een Nasi en Bami Goreng. Maar dat is niet genoeg! Een tweede maaltijd bij Pizza Hut ,voor de eerste keer fastfood in Indonesië, we nemen het er maar van want je weet nooit wanneer er weer een einde aan de ogenschijnlijke reeks maaltijden van Nasi of Bami Goreng komt.

donderdag 8 mei 2008

Indonesië, donkere wolken boven Surabaya

Surabaja (Garden Hotel)

Na de zware regenbuien van gisteravond en de onweersbuien die Surabaya teisterden in het midden van de nacht waren de donkere koppen aan de wolken deze ochtend geen verrassing. Om zes uur liep de wekker af en als eerste keek ik, met het slaapzand nog in de ogen, van de 10de of 12de verdieping over de grauwe daken van een nat Surabaya onder ons. Het verkeer komt langzaam op gang maar er is nog geen sprake van enige drukte.
Het is geen opwekkend beeld! Het is het troosteloze beeld van een Aziatische miljoenenstad die te snel en te ongecontroleerd gegroeid is tijdens de jacht op het grote geld. Ontelbare schreeuwende reclames onderbreken de grijze massa. Ik vraag me voor het eerst hardop af wat we hier eigenlijk komen doen.
Maar het is pas de eerste dag van wat een mooie en onvergetelijke reis moet worden. Depressieve gedachten kunnen we nu niet gebruiken dus stop ik die diep in mijn emoties weg. We lummelden een beetje ongemakkelijk rond in de kamer om wakker te worden. Het is wel weer even wennen om met iemand de kamer te delen. Niet dat het met mijn oude vriend Tettje een probleem is maar het is wel een grote verandering aan mijn eigen routines. Het delen en overleggen, daar moet ik even aan wennen.
Het hoofdkussen op mijn bed is veel te dun, er was vannacht ook geen extra exemplaar te vinden in een van de groezelige kasten dus moet ik daar later maar eens naar vragen. Het smalle eenpersoonsbed is ook erg onwennig waardoor ik een slechte nacht achter de rug heb, ook het zware snurken van mijn kamergenoot heeft me wat slaap gekost. Ik weet uit de mond van anderen dat ik zelf ook ‘s nachts flink tekeer kan gaan dus hoor je mij hier nooit meer over klagen.
Surabaya ligt, na een licht ontbijt van wat geroosterd brood met een gekookt ei, aan onze voeten klaar om ontdekt te worden. Na een vijftal minuten in het daglicht is het richtingsgevoel in mijn hoofd en de GPS in mijn hand gekalibreerd en kunnen we op pad naar een van de weinige bezienswaardigheden in deze miljoenenstad.
’s Avonds ziet de wereld er heel anders uit! Daglicht is je vriend in een vreemde en nieuwe omgeving. Overdag kan je je tenminste oriënteren. Al wandelend praten we samen over onze ervaringen van vorig jaar, de reis naar Saba, Brunei en Sarawak op Borneo.
Hoe moet je jezelf Surabaya voorstellen? Wel, neem een flinke schep Maleisië en voeg het verkeer van Saigon (Ho Chi Minh City) toe en stop het in de blender. Wat eruit komt is Surabaya, een drukke maar op het eerste gezicht toch een vriendelijke stad met enorm veel toeterend verkeer.

Bij de eerste stappen in Surabaya had ik meteen een goed gevoel. Mijn eerste indruk liegt er meestal niet om en die is meteen goed voor het stukje Indonesië waar we zijn gearriveerd. Langs het water van een smalle rivier, die zich als een slang door Surabaya slingert en een belangrijk oriëntatiepunt voor ons is, lopen we richting de Jembatan Merah, oftewel de Rooie brug.
De brug met een toepasselijke naam die het strijdtoneel was geweest voor heftige gevechten voor de onafhankelijkheid. Bloed kleurde de straten rood met het bloed van een Britse officier die werd vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders die door je verslagen vijand, de Japanners, op het laatste moment waren bewapend. Voor de Nederlandse onderdanen, die de verschrikkelijke jappenkampen ternauwernood hadden overleefd, braken opnieuw gevaarlijke en onzekere tijden aan! De vrijheidsstrijd voor de republiek Indonesië.

Onderweg was het al snel duidelijk dat de mensen in Indonesië overwegend arm zijn. Ondanks die relatieve armoede, zoals in veel ontwikkelingslanden, blijven ze wel opgewekt en heel vriendelijk. Ze krijgen het met de week beter en die langzame verandering en uitzicht op een betere toekomst geeft hoop. En hoop doet leven. Ondanks deze verbetering in levensomstandigheden wordt er toch regelmatig een arm naar je uitgestrekt om te bedelen, oude gewoontes blijken ook moeilijk uit te bannen. In de ogen van de minder bedeelden lijken wij westerlingen toch nog steeds heel rijk! Ik denk kort en diep na over al de corruptie die, de afgelopen zestig jaar na de onafhankelijkheid, het land financieel heeft leeggezogen. Het vertrek van de Nederlanders en de onafhankelijkheid onder Soekarno en Hatta heeft veel Indonesiërs niet gebracht waar ze op gehoopt of verwacht hadden.

Wat maakt Indonesië nu precies Indonesisch? Met deze vraag in mijn achterhoofd struinen we door de straten van Surabaya. Zijn het de fietstaxi’s? Nee, die heb ik ook in Maleisië gezien en ik geloof zelf dat ze met de rondtrekkende Chinezen zijn mee gekomen. Het bevreemd me dat ik niets ècht Indonesisch zie. Wat ik wel duidelijk zie zijn de symptomen van een arm land. Recycling uit noodzaak! Niet uit financieel bejag of moreel besef. Nee, hier wordt alles gerecycled omdat het een synoniem is voor overleven.

En daar staat dan zomaar langs de weg een kraampje waar ze saté verkopen. Saté! Een van mijn meest favoriete voedsel en ècht Indonesisch, eigenlijk alleen door de pindasaus! Saté, Loek Stehman in Bar ‘t Torentje. Saté, met Bapao in de cafetaria van Henkie Patat in de Boschstraat. Herinneringen uit een ver verleden borrelen in me op. Ik ben zo gek op die pindasaus dat Gado-gado ook tot mijn favoriete voedsel behoort.
Als een kat op jacht naar een oplettende prooi sluipen we langzaam dichterbij en snuiven de slingers van rook op. Een dikke zware rook, de geur is een mix van kruiden en specerijen vermengd met de laatste restjes hout van de houtskool, bereikt onze neuzen en het water loopt me in de mond. Mijn gezond verstand verteld me meteen dat het niet zo’n goed idee is om die heerlijk ruikende bamboestokjes met gegrilde kip te proberen terwijl mijn reukorgaan me aanspoort om enkele van die stokjes met geroosterd vlees te bestellen. Mijn gezond verstand wint uiteindelijk en we vertrekken weer onverrichter zaken richting ons hotel. Een kans om van die geroosterde saté te proeven komt later deze reis zeker nog wel een keer voor.

Door smalle straatjes, onverzorgde perken en parken, en over onverharde paden belandden we op de Pasar Pabean, een overdekte markt waar de adembenemende geur van de dood hangt. Kokhalzend kijk ik om me heen terwijl ik de stank probeer te ontkennen en uit mijn hoofd te verbannen. Kippen, runderen en geiten werden hier geslacht. Het bloed wordt opgevangen en de andere lichaamseigen vloeistoffen stromen langzaam door een goot richting het riool. Een rioolsysteem dat nog door die slechte Belanda (Hollanders) is aangelegd. De stank overweldigd me en voordat ik over mijn nek ga verlaten we de hal van de dood. We hebben zelfs geen foto’s gemaakt omdat we onze neuzen en monden met de handen bedekten.
Er wordt maar weinig opgeslagen of gekoeld, de meeste geslachte dieren worden direct uit elkaar genomen. Alles wordt gebruikt! Buiten de slachterij kijk ik naar een grote kunststof teil gevuld met kippenvoeten, de nagels er nog aan. Trossen vlees hangen als vreemde vruchten aan haken hoog in de kramen. Fotografie wordt hier niet echt op prijs gesteld. Zodra de camera tevoorschijn komt verdwijnen de verkopers als kakkerlakken die door het zonlicht worden verrast.

Hier wordt op het eerste gezicht niets per kilo verkocht maar meer per reep, of per stuk, ik zie tenminste maar heel weinig weegschalen. Een fascinerend beeld waar ik niet snel genoeg van kan krijgen. Kruiden en specerijen afgewisseld door groenten en keukengerei. Oude vrouwen die 365 dagen per jaar knoflook zitten te pellen en de tenen naar grootte sorteren. Enorme blokken geperste tamarinde, asem in het bahasa, staan uitgestald langs de smalle paden. Bakken vol met ongebakken kroepoek, in alle smaken en soms andere kleuren. Citroengras en kruidnagelen, zwarte peper en grote gemberwortels, alles is hier te koop. Ik ben wel op bekend terrein want de Indonesische keuken heeft weinig geheimen meer voor mij. Het is een indrukwekkend schouwspel en zeker anders dan de vele markten die ik in het verleden heb bezocht.
Die specerijen zijn vaak lokaal maar ook veel specerijen zijn door de Arabische zeevaarders ver de archipel in gebracht op zoek naar handel en rijkdom. Samen met de koran en de islam. Bij volkeren die afhankelijk zijn van beperkte landbouw en visserij is het niet moeilijk een nieuw geloof te slijten. Wanneer deze arme mensen het er maar ook een beetje beter van krijgen lopen ze al snel mee. Het gevolg is dat Indonesië nu het land is met de grootste islamitische bevolking in de wereld. Toch zijn ze hier in Indonesië, en met name oost-Java, niet helemaal in de islam opgegaan. In oost-Java gaan we later tijdens deze reis nog de overblijfselen van het Hindoeïsme en het Boeddhisme bezoeken.

Op de GPS ziet het er allemaal heel gemakkelijk uit dus nemen we een onverwachte afslag die ons wat verder weg brengt van de meest belopen paden. En dan wordt het echt mooi. De oude koloniale architectuur uit de glorietijd van de VOC. Wat moet het er hier in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw mooi hebben uitgezien! Ik vraag me af of die Belanda echt zo slecht zijn geweest voor de inheemse bevolking. Uitbuiting heeft tenslotte ook binnen de Nederlandse landgrenzen plaats gevonden!
Ik geniet van die oude gevels die door achterstallig onderhoud een extra dimensie hebben gekregen. Bij het passeren van zo’n oud bakstenen pand werp ik een blik door een openstaande deur naar binnen. Dat blijft niet onopgemerkt! Binnen enkele seconden staat er een man gekleed in een traditionele sarong. Hij nodigt me met een soepel handgebaar uit om een kijkje in het huis te nemen.
Ik wil dat niet afslaan en ik ben ook erg benieuwd hoe die oude opslagloodsen er tegenwoordig van binnen uitzien. Bouwkundig is er binnen en buiten maar weinig veranderd. Hier en daar is er een elektrische kabel op de muur gespijkerd die zonder uitzondering eindigt in een dubbel stopcontact. Een kaal doorzichtig peertje strooit 15 watt licht door de donkere ruimte.
We wisselen enkele woorden, half Bahasa, half Belanda, de man is zichtbaar trots dat hij zich nog enkele woorden van de verslagen kolonialist kan herinneren, de uitnodiging om thee te drinken sla ik maar af. We worden als Belande wel getolereerd maar nog steeds niet geaccepteerd. Tettje staat buiten op me te wachten en de vermoeidheid maakt zich langzaam meester van mijn lichaam en geest. Hoewel het pas de eerste dag is van onze reis in Indonesië hebben we toch al veel indrukken op gedaan.

Met elke stap lopen we verder van de rijkdom richting de armoede. Ik twijfel of het wel een goed idee is geweest om van de gebaande paden af te wijken. Ik laat Tettje niets merken dat ik met elke stap een beetje onzekerder wordt. De straten afgebeeld als gekleurde strepen op het kleine scherm van mijn GPS houden dezelfde kleur maar de toplaag in de werkelijkheid veranderd in een hindernisbaan met verspreide plassen water.
Een monotoon gezang trekt onze aandacht. Het gezang komt uit een openstaande deur met daarachter een donker hok zonder enige verlichting. Mijn ogen hebben even tijd nodig om van het felle zonlicht over te schakelen naar de duisternis. In de ruimte wordt langzaam een middeleeuws tafereel zichtbaar. Er hangt veel stof in de lucht en het stof vormt een vieze smaak in mijn mond. Mijn nieuwsgierigheid wint van de vieze smaak.

Zodra ik ben opgemerkt staat er een kleine Indonesiër naast me en vraagt in slecht engels wat ik kom doen. Niet geheel ongastvrij maar toch met voldoende druk om ons zo snel mogelijk door te lopen. Ik ben beland in pakhuis met een reparatie werkplaats voor jute zakken. Hier speelt zich iets af dat niet voor ieders ogen bestemd is. Nadat ik hem uitgebreid bedankt heb draait hij zich om en loopt weg. Mijn camera flitst één keer en de mannen en vrouwen in de donkere ruimte zijn voor enkele seconden blind. Wanneer het zicht bij hen weer terugkeert zijn wij al verdwenen.
Buiten op het kleine beeldscherm van mijn camera bekijk ik, samen met een nieuwsgierige Tettje, het resultaat. Een sweatshop, waar onder de meest erbarmelijke omstandigheden die je je kan voorstellen mannen en vrouwen kretek sigaretten rokend in een wolk van hoogst ongezond stof voor een paar cent per stuk jute zakken zitten te repareren.

Dat zingen komt nog een keer terug en deze keer zit een groep jonge vrouwen in een goed geventileerde en verlichte ruimte boeken in elkaar te lijmen. Niet zomaar een boek! Het is de Koran!
‘As Salam Alaikum’, zeg ik tegen de groep vrouwen die me giechelend en verbaasd aankijken.
‘Wa Alaikum Salam’, hoor ik een zware mannenstem achter me zegen.
‘Are you a muslim?’
Ik schud met mijn hoofd en de man kijkt me teleurgesteld aan.
‘We make koran for the masjid!’, lacht hij me tandeloos en vol devotie toe.
Ik lach vriendelijk terug en maak enkele foto’s. Dit is dan toch wel het andere uiterste in werkomstandigheden. Hoewel ik politiek en geloof altijd probeer te vermijden tijdens het reizen krijg ik toch de indruk dat het geloof hier hand in hand loopt met de macht over de burgers.

De tijd is erg snel gegaan en rond half een gaan we weer de terugweg aan richting het hotel. De vermoeiende reis en de slechte nachtrust van de afgelopen nacht heeft zijn tol geëist, het zeer vroeg opstaan heeft daar natuurlijk nog een schepje bovenop gedaan. Tettje doet zijn dutje in de middag terwijl ik de foto’s van deze ochtend bewerk en mijn verhalen schrijf.

De stad lijkt na ons eerste uitstapje niet erg uitnodigend en enorm uitgestrekt, openbaar vervoer is er wel maar erg ingewikkeld. Er zijn weinig terrassen en eetstalletjes op avondmarkten waar de mensen samenkomen. Hier gebeurd alles in de enorme geairconditioneerde winkelcentra. Dus opnieuw naar de foodcourt die we gisteren hebben gevonden is dus onze keuze voor de avondmaaltijd. Het eenvoudige eten smaakt ons weer goed en ik schiet met plezier een plaatje van mijn bord.

Morgen staan we iets later op omdat we niet echt veel te doen hebben. Surabaya is geen stad die bol staat van de monumenten of bezienswaardigheden.
Copyright/Disclaimer