woensdag 20 januari 2010

Nieuw Zeeland, op de boot en in de trein, of net andersom?

Christchurch (Jailhouse), 20 januari 2010

Mijn bovenbuurman, Stuart, schudde heftig met het stapelbed om me uit mijn slaap te krijgen. Ik had oordoppen in en hoorde het alarm van mijn iPhone niet. Gedesoriënteerd zocht ik in de halfdonkere kamer naar mijn spullen. Ik had voor de tweede nacht heel slecht geslapen. De bedden waren te kort en de matrassen te dun! Nee, ik zou “Downtown Backpackers” zeker niet aanbevelen! Er was maar één uitzondering, als het voor één nacht was en je een vroege afvaart had met “BlueBridge Ferries”. De terminal is namelijk aan de overkant van de straat.
Om half zeven had ik al ingechecked en na een kop koffie en een sandwich uit de supermarkt aan de overkant van de straat konden we om half acht aan boord. Het was niet één van de meest moderne veerboten maar achterop het dek was het toch goed vertoeven. Voor het eerst ervoer ik het wispelturige weer van Nieuw Zeeland waarover ik al zoveel had gehoord. De zon verdween en een mist stak op. Tegen de tijd dat we de kust van het Zuid-Eiland bereikten brak de nevel open en ik zag voor de eerste keer het ruige landschap waar ik naar op zoek was.

Omdat de BlueBridge Ferry eerder arriveert dan de InterIslander Ferry kon mijn verzoek voor een plaatsje aan de linkerkant van de wagon worden gehonoreerd. Dat is namelijk de beste kant omdat je dan naar de kustlijn kijkt. Blij en opgelucht ging ik op zoek naar de lunch, en die werd gevonden in de vorm van heerlijke Fish and Chips.

De treinreis was mooi maar ook meteen eentonig. Ik denk dat ik een overdosis treinen in Nieuw Zeeland heb gehad. Om het nog compleet te maken begon het op weg naar het hostel ook nog te regenen. Nat en vochtig zocht ik mijn kamer op.
Door een opdrogend Cristchurch liep ik naar de supermarkt, die zeker twee kilometer verderop was. Een éénpansgerecht en een fles witte wijn waren een koningsmaal na deze vermoeiende dag.

dinsdag 19 januari 2010

Nieuw Zeeland, een dag in Wellington

Wellington, 19 januari 2010

Vandaag stond er weinig op mijn agenda. Er is hier namelijk niet erg veel te zien of te doen. De belangrijkste bezienswaardigheid is het “Te Papa” museum, en dat kon ik volgens de Lonely Planet “onmogelijk overslaan”.
Na het ontbijt en een korte internet sessie trok ik de verlaten stad in. Slenterend door de lege winkelstraten kreeg ik een beetje medelijden met mezelf.
“Waar was ik in hemelsnaam aan begonnen”, dacht ik hardop.
“Het komt volgende week allemaal goed!”, stelde ik mezelf gerust.
En ik voelde me inderdaad beter. Na een kop koffie en een broodje ging ik richting het “Te Papa” museum. Een mooi modern gebouw aan de haven met een paar mooie tentoonstellingen over uiteenlopende onderwerpen. Ik wil niet zeggen dat ik genoeg had van de Maori cultuur maar een tweede expositie binnen een week was wel een beetje teveel van het Polynesische volk.

De expositie over de ondergang van de Romeinse stad Pompeï was veel interessanter. Jammer dat me na een half uur verboden werd om nog meer foto’s te maken. Die helm van de gladiator had ik er nog graag even op gezet.

Al met al was het toch weer een leuke middag. In de warme middagzon aanschouwde ik het dagelijks leven in een stad aan het water. Wellington is overdag wel een leuke stad maar ‘s avonds is er bar weinig te doen.

Mijn avondeten gebruikte ik in “Leuven”, een mooie bar/restaurant niet ver van het hostel. Balletjes gehakt met patat en mayonaise. Hollandse prijzen maar wel heerlijk. Al vroeg was ik weer op de kamer omdat je nergens in het hostel je eigen wijn mag drinken. Het gevolg is een lege gemeenschappelijke ruimte én bar. Geen enkele backpacker kan zich drie Euro voor een biertje veroorloven!

maandag 18 januari 2010

Nieuw Zeeland, een rit in de “Overlander”

Wellington, 18 januari 2010

De wekker heb ik ook deze ochtend niet gehoord. Met net voldoende slaap werd ik voordat de wekker afging om half zes wakker. Na tien minuten te hebben liggen nadenken over “de zin het bestaan” stapte ik de open ruimte in het midden van de pikdonkere kamer in. Gisteren was mijn rugzak al negentig procent gepakt en alleen een paar kleine dingen moesten nog een plaatsje krijgen. Juli stond meteen naast me om afscheid te nemen en iets over zes stapte ik de schemerige ochtendlucht van Auckland in.
Gisterenavond had ik gelukkig op tijd ontdekt dat het stationsgebouw waar ik al vaak was langsgekomen niet meer in gebruik is. Er was nu een station, Britomart, onder de grond en dat lag twee keer zo ver weg. Met een natte rug en stevig hijgend liep ik het perron op. Perron drie, een gewone trein met vier rijtuigen stond al klaar en de achterste had een gezellig zitje. Daar zou ik dus wel willen zitten deze reis!
De rugzak werd strategisch in het gezellige zitje geplaatst en ik ging op pad voor een kop koffie terwijl een kale Welshman mijn rugzak in de gaten zou houden. Bij terugkomst stond mijn rugzak nog alleen in de trein omdat je internetkaartje moest worden gecontroleerd. Je kreeg dan ook meteen een stoelnummer toegewezen. Dat was balen! Maar mijn stoelnummer bleek een lot uit de loterij. Twee rijen voor het gezellige zitje achter in de trein!

Terwijl ik zat te wachten en genoot van mijn koffie en broodje rosbief werd het steeds drukker achter in de trein. Een man van mijn leeftijd met een kind en een oudere vrouw maakte de groep compleet. Langzaam trok de trein op en de reis door het hart van Nieuw Zeeland was begonnen. In het begin van de reis vroeg ik me nog een paar keer af waarom ik voor de treinreis had gekozen. Ik wist het niet. Ik wilde eerst rustig aan beginnen aan deze nieuwe reisbestemming en een treinreis leek me een rustig en zeker begin.

Steve Porter en Brianna bleken een godsgeschenk. Steve reed in zijn vrije tijd op een oude stoomtrein en hij kende het traject uit zijn hoofd. Onderweg wist hij steeds interessante dingen en kleine anekdotes te vertellen. Over rampen en technische zaken. Met een gemiddelde snelheid van zestig kilometer per uur reden we door het steeds wisselende landschap. Glooiende groene heuvels met af en toe in de verte een flinke vulkaan. De “Ruapehu” is 2797 meter hoog en toen hij zich voor een moment liet zien door het opengaande wolkendek stond hij meteen op de lijst van plaatsen die ik op het Noord-eiland wilde bezoeken.

Na ruim twaalf uur en 681 kilometer in de trein reden we het station van Wellington binnen. De eerste indrukken waren ook precies wat ik er van verwacht had. Auckland op een zondagochtend! De stad was uitgestorven en ik vroeg me nu voor de eerste keer hardop af wat ik in Nieuw Zeeland zou moeten gaan doen. Gelukkig was dit gevoel snel verdwenen.
Aan de receptie van het hostel waren de zaken zo geregeld. Het “Downtown Backpackers” is een hostel van Australische proporties. Je moet er voor alles betalen en op alles zit een heftig statiegeld. Er zijn meer regels dan bij het golf en het is en blijft erg onpersoonlijk, net als in een hotel.
“Het is maar voor twee dagen”, lachte ik in mijzelf.
De kamers waren prima maar de matrassen waren wel heel erg dun. Ik hoopte dat ik een goede nachtrust zou hebben maar ik had wel mijn twijfels. Na een avondmaaltijd van mosselen met brood vond ik dat het allemaal genoeg was geweest. Ik was moe en wilde slapen.

Voordat ik in slaap viel dacht ik nog na over de treinreis.
“Zou ik het nog een keer doen?”
“Zeker niet, want ik kom hier nooit meer terug!”
Ik heb het tot nu toe prima naar mijn zin maar ik kom hier bijna zeker nooit meer terug.
“Waarom?”
“Nieuw Zeeland ligt aan het einde van de wereld zoals wij het kennen, je bent er nooit op doorreis en dat maakt het duur.”
“Wat ik tot nu toe op het Noord-eiland vanuit de trein heb gezien is ook niet echt bijzonder. Ik heb het allemaal al een keer ergens anders gezien.”

Copyright/Disclaimer