dinsdag 10 juli 2007

Sarawak, geen water en geen longhouse

Kapit, 10/07/2007

We waren dus om zeven uur scherp uit bed zoals afgesproken. Na een droge avond ben je natuurlijk heerlijk fris en scherp. Ik had zelf een goed gevoel en ik dacht dat de we echt naar een longhouse zouden gaan aan het einde van de middag.
Binnen twintig minuten verlieten wij de kamer en liepen langzaam de ongelukkig gevormde trap af. De gids was niet aanwezig. Dat kon gebeuren en misschien zou hij er wel zijn als wij terug kwamen van de markt. Tegenover het hotel was de beste plaats voor een ontbijt volgens de LP. Het was inderdaad wel een verrassing. De twee boterhammen met butter en jam werden door de ober geroosterd en besmeerd naar zijn idee. Op een schoteltje werden ze netjes doormidden gesneden geserveerd. Samen met de twee koffie in van die grote mosterdpullen, ik herinner mij die uit mijn jeugd. Het smaakte niet slecht maar het smaakte niet naar meer.
Een half uurtje later gingen we richting de lokale markt op zoek naar de lokale bevolking die hier zijn handel komt verkopen. Maar wat eerst belangrijker was dat we wisten hoe we in Belaga konden komen. We liepen dus eerst naar de aanlegsteiger vanwaar de boten vertrokken naar de bestemmingen meer stroomopwaarts. Het was er erg druk en er stonden dikke rijen mensen met manden vol om aan boort van de boten te gaan. Heerlijk Maleisië, waar veel mensen goed Engels spreken. Het antwoord op mijn vragen was minder leuk. Ik raakte in gesprek met een kleine getatoeëerde man die mijn vragen allemaal wist te beantwoorden. De veerboten naar Belaga waren vier dagen geleden gestaakt wegens een tekort aan water, de stroomversnellingen konden niet meer worden genomen. Ook de kleinere speedboten namen geen risico meer. Daar stonden we dan, de plannen moesten opnieuw worden gewijzigd.
Laten we maar naar de markt gaan. Daar was het dus erg druk maar van de vele bezoekers was de groep van de Maleisische bevolking het grootst. Er was weinig van de longhouse volkeren te zien. We liepen wat rond en zochten naar wat nieuws, dat was dun gezaaid. Een verkoper van vis stond een grote meerval schoon te maken en wat opviel was de grote hoop hard vet dat hij uit de buikholte van de vis schraapte. Dat was nieuw en dat moest dan ook onderzocht worden. Het vet scheen normaal te zijn en ook veel toepassingen te hebben. Van braadvet tot en met aas voor andere vissen, het is maar dat je het weet. Het was net na half tien en we waren al bijna klaar voor de dag. We keken elkaar aan en dachten hetzelfde. Lekker even terug naar de kamer in de koele airconditioning. Het werd al aardig warm. De gids was nog steeds niet te vinden. Ik begon nu de eerste twijfels te krijgen. Zouden we nog longhouses te zien krijgen?
Anderhalf uur later toen we weer de trap af kwamen zat de gids, Joshua, in de receptie van het hotel. Een zachte “goodmorning” was zijn begroeting en daar bleef het bij. Hij reageerde niet eens op de dagtocht die we hadden besproken en dat was dus het einde van de mogelijke dagtocht naar de longhouses. Het was niet eens elf uur en onze doelen waren als luchtbellen uit elkaar gespat. Laten we eerst maar het “Fort Sylvia” gaan bezoeken en dan onze nieuwe plannen gaan bespreken.
Het fort bleek eigenlijk best wel de moeite waard, het herbergt een klein museum gewijd aan “Tun Jugah”. Een strijder van de Iban stam die veel heeft betekend voor de lokale bevolking en Sarawak in het algemeen. De medewerkers/vrijwilligers spreken dan ook niets als goeds over hem. Bij terugkomst in het hotel was Joshua verdwenen en daarmee ook mijn hoop voor een bootreis naar een longhouse. Dat was het dan voor vandaag.
Na twee uurtjes rust in de verkoelende kamer gingen we nog één keer op pad om het rondje opnieuw te lopen, maar nu in omgekeerde volgorde. Tettje kreeg er nu ook meer zin in en wilde ook wel fit worden. Hij had nog steeds geen sigaret aangeraakt. De twee uurtjes heuvel op en heuvel af matte ons flink af. We aten al vroeg een paar sateetjes en dat was het voor de dag. Morgen gaan we gewoon weer terug naar Sibu en proberen in één ruk naar Miri te gaan. Dus dat wordt weer om zes uur op!

maandag 9 juli 2007

Sarawak, naar het hart van de jungle

Kapit, 09/07/2007

Nu we het nieuwe plan hadden gemaakt stonden we s’morgens klaar voor onze eerste bootreis. We gingen de “Batang Rajang” rivier op tot “Kapit”.
Ik had het idee dat dit wel eens het laatste normale ontbijt zou kunnen zijn voor de week en ik liet het mij extra goed smaken. Terwijl de tafel werd gedekt en de eerste drankjes werden geserveerd logde ik snel in om mijn laatste verhaal naar de weblog op te laden. Inclusief de foto’s. Deze kleine handeling neemt normaal gesproken toch nog wel een minuut of vijftien in beslag. Het is maar dat jullie het weten!
Onze darmen waren rustig en met een goed gevoel verlieten wij het hotel. Geen idee met welke boot en om hoe laat we zouden vertrekken. Het was eenvoudig genoeg, er is geen competitie dus neem je gewoon de eerstvolgende die vertrekt. In ons geval de boot van kwart voor tien. Nadrukkelijk vroeg ik of we boven op de boot mochten zitten. Het zijn namelijk van die gesloten stalen pijpen met een dicht bij het vriespunt opererende airconditioning. Enkele boten hebben ook niet van die relingen langs de bovenkant van de boot en dan glijd je er zo van af.
Onze boot was perfect en de bemanning adviseerde ons zelfs waar we het beste konden gaan zitten. Ruim twintig minuten voor vertrek hadden wij onze plaatsen al ingenomen. De bemanning lachend naar ons twee bovenop de boot. Die rare buitenlanders! Het zat wel erg hard maar we hadden goede plaatsen om het leven langs de rivier te bekijken en te fotograferen. Vlak voor het vertrek kondigde een oorverdovende toeter het op handen zijnde vertrek aan. Om de halve minuut werd de toeter tot leven gewekt voor een serie van korte stoten die de passagiers er op attent maakte dat de boot snel zou vertrekken. De loopplanken en aluminium trappen werden los gemaakt en daar gingen we voor de tweeëneenhalf uur durende tocht naar Kapit.
Nog geen twee minuten onderweg wisten we al dat we twee keuzes hadden. De pet op, en zeker verliezen, of de pet in de broekzak. Tettje koos voor de eerste en ik voor de tweede. Tettje verzon een constructie met een touw om zijn arm en door de opening van de pet aan de achterkant en die leek goed te werken. De GPS gaf aan dat we ruim vijftig kilometer per uur over de bruine rivier raasden. Een frisse bries door de haren.
Naargelang er meer tijd verstreek werd de rivier smaller en de bebouwing op de oevers minder. We waren nu echt in de jungle. Het is zeer moeilijk om te beschrijven wat we allemaal hebben gezien tijdens onze tocht. Halfnaakte vissers in kleine gammele bootjes en afgelegen kleine veldjes met groenten er op geplant. Een dichte groene ondoordringbare jungle afgelost door kampementen waar houthakkers leven en de boomstammen hoog opgestapeld liggen. Klaar om vervoerd te worden naar de houtzagerijen in Sibu en omgeving.
We waren erg nieuwsgierig naar wat ons te wachten stond in “Kapit”, een hoge mast van “Telecom Malaysia” die van ver al te zien was kondigde de stad aan. Op het eerste gezicht was het minder romantisch en ouderwets als ik verwacht had. We zagen een moderne stad met enorme glazen gebouwen en twee grote benzinestations annex supermarkten bij de aanlegsteigers. Het was anders dan we verwacht hadden maar het zou toch wel leuk worden. Het gehele centrum is kleiner dan dat van Zaltbommel dus we zouden niet verdwalen.
In het eerste de beste café dat we zagen wilden we eerst wat drinken en ik moest ook nog even kijken wat de LP schreef over de hotels. Normaal doe ik dat voordat we arriveren in een plaats maar met vijftig kilometer per uur boven op een boot is dat een beetje moeilijk. De ijsthee, RM 0,50, was nog niet geserveerd of de eerste gids nam al een strategische plaats in naast onze tafel.
In goed Engels begon hij een heel verhaal over longhouses en echte schedels. Oude en nieuwe longhouses, al dan niet met de boot of minibus te bezoeken. Over dagtochten en meerdaagse trips tot bijna in het Indonesische gedeelte van Borneo. Tijdens al zijn verhalen nodigde ik hem uit om aan tafel te komen zitten en nog wat meer te vertellen wat hij voor ons kon doen. Het viel mij meteen op dat hij altijd bedragen en tijden ontweek of onthield in zijn verhalen. Ik schoot de kogel door de kerk en vroeg hem recht op de man af, “en wat moet dat dan allemaal gaan kosten”? Met een glimlach van een smokkelaar en de koppen dichterbij elkaar alsof hij een groot geheim wilde vertellen onthulde hij de prijzen.
Ik schoot meteen in de lach en vertelde hem dat we hier waren om longhouses te bekijken en niet om ze te kopen. De prijzen die hij voor ogen had waren absurd, volgens de reisboeken dan. RM 200 per persoon voor een halve dagtrip. Prijzen tot RM 800 per persoon voor een tocht van drie dagen en twee nachten. Toen hij begreep dat we niet zo gemakkelijk te vangen waren draaide hij bij en opnieuw verschenen zijn rotte tanden tijdens een brede glimlach. Met de koppen opnieuw bij elkaar vertelde hij ons dat hij waarschijnlijk wel wat aan de prijs kon doen, hij kende wat mensen en hij zou wel informeren. Hij wist ons later wel te vinden.
Dat was inderdaad niet zo moeilijk in een plaats van deze omvang waar volgens mij nooit meer dan tien blanken tegelijk verblijven. Het hotel wat recht tegenover het Chinese Café, het “New Rejang Inn”. Geen vier sterren maar ik een uithoek als dit toch wel acceptabel. Zeker voor de RM 60 die ons per nacht werd gerekend.
We installeerde ons snel in de kamer en niet veel later liepen we weer de trap af naar de receptie om wat te gaan eten. De “gids” van enkele minuten geleden had zich op de sofa in de lounge van het hotel geïnstalleerd en deed net of hij erg druk was met zijn mobiele telefoon. Hij keek meteen op en zei, “ik ben er mee bezig, het zal misschien wel lukken maar het is erg moeilijk want het is erg druk”. “Erg druk, laat mij niet lachen”, grapte ik. “Volgens mij zijn we de enige buitenlanders in het dorp”, een zure lach op zijn gezicht brengend. Hij riep ons nog wat na maar de deur sloot zich voordat ik kon horen wat hij zei.
Eerst eten, een klein restaurant waar iedere stoel bezet was leek mij zeer geschikt. Voor Tettje een kip met rijst en voor mij een “Nasi Campur”, een rijst met wat bijgerechten. Natuurlijk met de ijsthee waarvan wij nu de smaak al te pakken hadden. Het smaakte ons uitstekend maar we zaten toch wat ongemakkelijk op onze stoelen te draaien.
Het dorp was zo verkend en één van de weinige attracties, het “Fort Sylvia”, kon alleen van de buitenkant worden bekeken. Gesloten op maandag, voor een moment dwaalden mijn gedachten naar Korea. Alweer een maand geleden en een totaal andere wereld. Zo, bijna twee uur en de ontdekkingsreis zat er op. Lekker terug naar de kamer en rusten in de airconditioning. De gids zat nog steeds op dezelfde plaats en was nog steeds druk, of deed alsof. Ik had zelf het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen, Tettje dacht er anders over.
Na een korte rust in de koelte van de kamer wilde ik toch nog wel wat bewegen en Tettje had er ook wel zin in, gewoon een stuk de wildernis inlopen en dan omdraaien en weer terug. Uiteindelijk liepen we een rondje van een kleine tien kilometer rond het dorp en we waren verbaasd over alle bouwactiviteit die er gaande was. Deze plaats was aan het bloeien en de vooruitgang was niet meer te stoppen. Bezweet en tevreden kwamen we terug bij het hotel. De gids was verdwenen en ik vroeg mij af of hij had opgegeven of dat hij andere slachtoffers had gevonden.
Het avondeten zouden we op de “Pasar Malam” nuttigen, de avondmarkt was de enige plaats met bedrijvigheid in de koele avondlucht. Een stilte en een mooie sterrenlucht hingen over een uitgestorven Kapit. Sateetjes en bami goreng voor ons beiden, aangevuld met meer ijsthee. Voldaan en gevuld liepen we rustig richting het hotel. Ik hoopte stilletjes dat de gids er zat met goed nieuws. Helaas was dat niet het geval. Zonder een biertje gedronken te hebben lagen we heel vroeg op bed. Op de kamer werd de oorzaak van ons vreemde gevoel gevonden. Wij waren verschrikkelijk verbrand in de zon en de wind. Rode bovenbenen en het leek net of we witte sokken aan hadden. Mijn voorhoofd had de kleur van een overrijpe tomaat en gloeide als een kampvuur. Het was nog net te dragen maar de komende dagen moeten we wel bescherming tegen de zon dragen. Morgen om zeven uur op. Ik heb geen idee wat er ons morgen te wachten staat.

zondag 8 juli 2007

Sarawak, een markt, een tempel en een museum

Sibu, 08/07/2007

Het éénpersoonsbed midden in de kamer was mij slecht bevallen, ik slaap nu eenmaal slecht in die smalle bedden. Ik ben altijd bang om er uit te vallen. Tettje had ook niet op zijn best geslapen maar we waren toch om zeven uur opgestaan. Één volle dag zouden we hier blijven, het volle schema liet niet meer toe en er was hier ook niet echt veel te zien. Opnieuw de twee eieren met toast en koffie voor het ontbijt. Dat zal overmorgen wel anders zijn in Kapit!
De zon stond aan de stralend blauwe hemel toen we het hotel verlieten op weg naar de markt. Eerst bekeek in nog de mogelijkheden om in Kapit te komen. Er stonden overal borden in de grote vertrekhal van de veerbootterminal. Zelden zat er meer dan vijftien minuten verschil in de vertrektijden. Zolang je maar voor tien uur hier was kon je zeker een boot naar Kapit vinden.
Het eerste wat we zouden bezoeken was een enorme overdekte markt, en om eerlijk te zijn kan ik mij niet herinneren dat ik zo’n grote markt gezien heb. Er was dan ook van alles te koop en er waren veel mooie indrukken hoe het er allemaal ver van de bewoonde wereld aan toe gaat. We hadden sinds Kuching ook geen blanke meer gezien.
Onze tweede stop was de “Tua Pek Kong tempel”, een Chinese tempel van ruim honderdvijftig jaar oud. De geschiedenis van Sibu en Sarawak gaat hand in hand met die van de Chinese immigranten. Maar vooral in Sibu is het zeer nadrukkelijk aanwezig. De tempel op zich is wel leuk maar niets bijzonders, een beklimming naar de top van de zeven verdiepingen tellende pagode is wel een belevenis. Mooie uitzichten op de rivier met al zijn activiteit.
Het was nu ook tijd voor een pau (gestoomd broodje) gevuld met kip als tussendoortje. Want we begonnen elkaar nu af te lossen op het toilet, en dan is het wel belangrijk dat je eet.
Een korte bustrip naar het “Civic Centre Museum” was het laatste op het programma. We zouden wel om een uur of één weer klaar zijn met het programma van de dag. Het Civic Centre is een klein maar toch wel leuk museum. We maakten de bewaker wakker want die was vast niet gewend aan bezoekers. Bang voor zijn baan benadrukte hij dat wij iets in het gastenboek moesten schrijven. En dat deden wij dan ook. Ik schreef netjes dat het “Een bijzonder mooi en interessant museum was”, nog voordat wij ook maar onderdeel van de uitgestalde attributen hadden gezien. Tijdens het schrijven was mij wel opgevallen dat er per dag zelden meer dan drie bezoekers waren, althans op de laatste pagina van het gastenboek. De bewaker las onmiddellijk wat ik had geschreven en al knikkend in zichzelf keurde hij waarschijnlijk mijn compliment goed. Het was toch wel interessant om te lezen over de geschiedenis van Sibu en de Chinese immigranten maar helaas had de grote verzameling aardewerk en porselein had niets met Sarawak te maken. Na een klein uurtje verlieten wij het museum en de bewaker kon weer gaan slapen.
Het was ongeveer vijf kilometer terug naar het hotel en ik wilde toch wel wandelen. Tettje was het hier mee eens en samen stapte we de kokend hete middagzon in. Ergens halverwege bracht een supermarkt even verkoeling, we zochten wat te eten en twee zakken chips was het beste wat we konden vinden. Het brood zag er hier niet erg uitnodigend uit.
Een uurtje uitrusten en dan nog een middagwandeling. Lekker even in de airconditioning en een keer of twee naar het toilet. Het was maar goed ook want we ontsnapte net aan de regen. Op de GPS liepen we nog een rondje van een kilometer of vijf, er is hier echt heel weinig te zien en ik vraag mij af wat we morgen allemaal gaan beleven.
Na de wandeling kozen we opnieuw voor Chinees en na de maaltijd was het tijd voor de Formule 1 race. Ik zet er niets voor aan de kant maar als ik de kans heb om te kijken als ik op reis ben neem ik die wel. Een paar biertjes en voor tien uur weer op bed. Morgen naar het hart van de jungle.
Copyright/Disclaimer