maandag 9 juli 2007

Sarawak, naar het hart van de jungle

Kapit, 09/07/2007

Nu we het nieuwe plan hadden gemaakt stonden we s’morgens klaar voor onze eerste bootreis. We gingen de “Batang Rajang” rivier op tot “Kapit”.
Ik had het idee dat dit wel eens het laatste normale ontbijt zou kunnen zijn voor de week en ik liet het mij extra goed smaken. Terwijl de tafel werd gedekt en de eerste drankjes werden geserveerd logde ik snel in om mijn laatste verhaal naar de weblog op te laden. Inclusief de foto’s. Deze kleine handeling neemt normaal gesproken toch nog wel een minuut of vijftien in beslag. Het is maar dat jullie het weten!
Onze darmen waren rustig en met een goed gevoel verlieten wij het hotel. Geen idee met welke boot en om hoe laat we zouden vertrekken. Het was eenvoudig genoeg, er is geen competitie dus neem je gewoon de eerstvolgende die vertrekt. In ons geval de boot van kwart voor tien. Nadrukkelijk vroeg ik of we boven op de boot mochten zitten. Het zijn namelijk van die gesloten stalen pijpen met een dicht bij het vriespunt opererende airconditioning. Enkele boten hebben ook niet van die relingen langs de bovenkant van de boot en dan glijd je er zo van af.
Onze boot was perfect en de bemanning adviseerde ons zelfs waar we het beste konden gaan zitten. Ruim twintig minuten voor vertrek hadden wij onze plaatsen al ingenomen. De bemanning lachend naar ons twee bovenop de boot. Die rare buitenlanders! Het zat wel erg hard maar we hadden goede plaatsen om het leven langs de rivier te bekijken en te fotograferen. Vlak voor het vertrek kondigde een oorverdovende toeter het op handen zijnde vertrek aan. Om de halve minuut werd de toeter tot leven gewekt voor een serie van korte stoten die de passagiers er op attent maakte dat de boot snel zou vertrekken. De loopplanken en aluminium trappen werden los gemaakt en daar gingen we voor de tweeëneenhalf uur durende tocht naar Kapit.
Nog geen twee minuten onderweg wisten we al dat we twee keuzes hadden. De pet op, en zeker verliezen, of de pet in de broekzak. Tettje koos voor de eerste en ik voor de tweede. Tettje verzon een constructie met een touw om zijn arm en door de opening van de pet aan de achterkant en die leek goed te werken. De GPS gaf aan dat we ruim vijftig kilometer per uur over de bruine rivier raasden. Een frisse bries door de haren.
Naargelang er meer tijd verstreek werd de rivier smaller en de bebouwing op de oevers minder. We waren nu echt in de jungle. Het is zeer moeilijk om te beschrijven wat we allemaal hebben gezien tijdens onze tocht. Halfnaakte vissers in kleine gammele bootjes en afgelegen kleine veldjes met groenten er op geplant. Een dichte groene ondoordringbare jungle afgelost door kampementen waar houthakkers leven en de boomstammen hoog opgestapeld liggen. Klaar om vervoerd te worden naar de houtzagerijen in Sibu en omgeving.
We waren erg nieuwsgierig naar wat ons te wachten stond in “Kapit”, een hoge mast van “Telecom Malaysia” die van ver al te zien was kondigde de stad aan. Op het eerste gezicht was het minder romantisch en ouderwets als ik verwacht had. We zagen een moderne stad met enorme glazen gebouwen en twee grote benzinestations annex supermarkten bij de aanlegsteigers. Het was anders dan we verwacht hadden maar het zou toch wel leuk worden. Het gehele centrum is kleiner dan dat van Zaltbommel dus we zouden niet verdwalen.
In het eerste de beste café dat we zagen wilden we eerst wat drinken en ik moest ook nog even kijken wat de LP schreef over de hotels. Normaal doe ik dat voordat we arriveren in een plaats maar met vijftig kilometer per uur boven op een boot is dat een beetje moeilijk. De ijsthee, RM 0,50, was nog niet geserveerd of de eerste gids nam al een strategische plaats in naast onze tafel.
In goed Engels begon hij een heel verhaal over longhouses en echte schedels. Oude en nieuwe longhouses, al dan niet met de boot of minibus te bezoeken. Over dagtochten en meerdaagse trips tot bijna in het Indonesische gedeelte van Borneo. Tijdens al zijn verhalen nodigde ik hem uit om aan tafel te komen zitten en nog wat meer te vertellen wat hij voor ons kon doen. Het viel mij meteen op dat hij altijd bedragen en tijden ontweek of onthield in zijn verhalen. Ik schoot de kogel door de kerk en vroeg hem recht op de man af, “en wat moet dat dan allemaal gaan kosten”? Met een glimlach van een smokkelaar en de koppen dichterbij elkaar alsof hij een groot geheim wilde vertellen onthulde hij de prijzen.
Ik schoot meteen in de lach en vertelde hem dat we hier waren om longhouses te bekijken en niet om ze te kopen. De prijzen die hij voor ogen had waren absurd, volgens de reisboeken dan. RM 200 per persoon voor een halve dagtrip. Prijzen tot RM 800 per persoon voor een tocht van drie dagen en twee nachten. Toen hij begreep dat we niet zo gemakkelijk te vangen waren draaide hij bij en opnieuw verschenen zijn rotte tanden tijdens een brede glimlach. Met de koppen opnieuw bij elkaar vertelde hij ons dat hij waarschijnlijk wel wat aan de prijs kon doen, hij kende wat mensen en hij zou wel informeren. Hij wist ons later wel te vinden.
Dat was inderdaad niet zo moeilijk in een plaats van deze omvang waar volgens mij nooit meer dan tien blanken tegelijk verblijven. Het hotel wat recht tegenover het Chinese Café, het “New Rejang Inn”. Geen vier sterren maar ik een uithoek als dit toch wel acceptabel. Zeker voor de RM 60 die ons per nacht werd gerekend.
We installeerde ons snel in de kamer en niet veel later liepen we weer de trap af naar de receptie om wat te gaan eten. De “gids” van enkele minuten geleden had zich op de sofa in de lounge van het hotel geïnstalleerd en deed net of hij erg druk was met zijn mobiele telefoon. Hij keek meteen op en zei, “ik ben er mee bezig, het zal misschien wel lukken maar het is erg moeilijk want het is erg druk”. “Erg druk, laat mij niet lachen”, grapte ik. “Volgens mij zijn we de enige buitenlanders in het dorp”, een zure lach op zijn gezicht brengend. Hij riep ons nog wat na maar de deur sloot zich voordat ik kon horen wat hij zei.
Eerst eten, een klein restaurant waar iedere stoel bezet was leek mij zeer geschikt. Voor Tettje een kip met rijst en voor mij een “Nasi Campur”, een rijst met wat bijgerechten. Natuurlijk met de ijsthee waarvan wij nu de smaak al te pakken hadden. Het smaakte ons uitstekend maar we zaten toch wat ongemakkelijk op onze stoelen te draaien.
Het dorp was zo verkend en één van de weinige attracties, het “Fort Sylvia”, kon alleen van de buitenkant worden bekeken. Gesloten op maandag, voor een moment dwaalden mijn gedachten naar Korea. Alweer een maand geleden en een totaal andere wereld. Zo, bijna twee uur en de ontdekkingsreis zat er op. Lekker terug naar de kamer en rusten in de airconditioning. De gids zat nog steeds op dezelfde plaats en was nog steeds druk, of deed alsof. Ik had zelf het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen, Tettje dacht er anders over.
Na een korte rust in de koelte van de kamer wilde ik toch nog wel wat bewegen en Tettje had er ook wel zin in, gewoon een stuk de wildernis inlopen en dan omdraaien en weer terug. Uiteindelijk liepen we een rondje van een kleine tien kilometer rond het dorp en we waren verbaasd over alle bouwactiviteit die er gaande was. Deze plaats was aan het bloeien en de vooruitgang was niet meer te stoppen. Bezweet en tevreden kwamen we terug bij het hotel. De gids was verdwenen en ik vroeg mij af of hij had opgegeven of dat hij andere slachtoffers had gevonden.
Het avondeten zouden we op de “Pasar Malam” nuttigen, de avondmarkt was de enige plaats met bedrijvigheid in de koele avondlucht. Een stilte en een mooie sterrenlucht hingen over een uitgestorven Kapit. Sateetjes en bami goreng voor ons beiden, aangevuld met meer ijsthee. Voldaan en gevuld liepen we rustig richting het hotel. Ik hoopte stilletjes dat de gids er zat met goed nieuws. Helaas was dat niet het geval. Zonder een biertje gedronken te hebben lagen we heel vroeg op bed. Op de kamer werd de oorzaak van ons vreemde gevoel gevonden. Wij waren verschrikkelijk verbrand in de zon en de wind. Rode bovenbenen en het leek net of we witte sokken aan hadden. Mijn voorhoofd had de kleur van een overrijpe tomaat en gloeide als een kampvuur. Het was nog net te dragen maar de komende dagen moeten we wel bescherming tegen de zon dragen. Morgen om zeven uur op. Ik heb geen idee wat er ons morgen te wachten staat.

zondag 8 juli 2007

Sarawak, een markt, een tempel en een museum

Sibu, 08/07/2007

Het éénpersoonsbed midden in de kamer was mij slecht bevallen, ik slaap nu eenmaal slecht in die smalle bedden. Ik ben altijd bang om er uit te vallen. Tettje had ook niet op zijn best geslapen maar we waren toch om zeven uur opgestaan. Één volle dag zouden we hier blijven, het volle schema liet niet meer toe en er was hier ook niet echt veel te zien. Opnieuw de twee eieren met toast en koffie voor het ontbijt. Dat zal overmorgen wel anders zijn in Kapit!
De zon stond aan de stralend blauwe hemel toen we het hotel verlieten op weg naar de markt. Eerst bekeek in nog de mogelijkheden om in Kapit te komen. Er stonden overal borden in de grote vertrekhal van de veerbootterminal. Zelden zat er meer dan vijftien minuten verschil in de vertrektijden. Zolang je maar voor tien uur hier was kon je zeker een boot naar Kapit vinden.
Het eerste wat we zouden bezoeken was een enorme overdekte markt, en om eerlijk te zijn kan ik mij niet herinneren dat ik zo’n grote markt gezien heb. Er was dan ook van alles te koop en er waren veel mooie indrukken hoe het er allemaal ver van de bewoonde wereld aan toe gaat. We hadden sinds Kuching ook geen blanke meer gezien.
Onze tweede stop was de “Tua Pek Kong tempel”, een Chinese tempel van ruim honderdvijftig jaar oud. De geschiedenis van Sibu en Sarawak gaat hand in hand met die van de Chinese immigranten. Maar vooral in Sibu is het zeer nadrukkelijk aanwezig. De tempel op zich is wel leuk maar niets bijzonders, een beklimming naar de top van de zeven verdiepingen tellende pagode is wel een belevenis. Mooie uitzichten op de rivier met al zijn activiteit.
Het was nu ook tijd voor een pau (gestoomd broodje) gevuld met kip als tussendoortje. Want we begonnen elkaar nu af te lossen op het toilet, en dan is het wel belangrijk dat je eet.
Een korte bustrip naar het “Civic Centre Museum” was het laatste op het programma. We zouden wel om een uur of één weer klaar zijn met het programma van de dag. Het Civic Centre is een klein maar toch wel leuk museum. We maakten de bewaker wakker want die was vast niet gewend aan bezoekers. Bang voor zijn baan benadrukte hij dat wij iets in het gastenboek moesten schrijven. En dat deden wij dan ook. Ik schreef netjes dat het “Een bijzonder mooi en interessant museum was”, nog voordat wij ook maar onderdeel van de uitgestalde attributen hadden gezien. Tijdens het schrijven was mij wel opgevallen dat er per dag zelden meer dan drie bezoekers waren, althans op de laatste pagina van het gastenboek. De bewaker las onmiddellijk wat ik had geschreven en al knikkend in zichzelf keurde hij waarschijnlijk mijn compliment goed. Het was toch wel interessant om te lezen over de geschiedenis van Sibu en de Chinese immigranten maar helaas had de grote verzameling aardewerk en porselein had niets met Sarawak te maken. Na een klein uurtje verlieten wij het museum en de bewaker kon weer gaan slapen.
Het was ongeveer vijf kilometer terug naar het hotel en ik wilde toch wel wandelen. Tettje was het hier mee eens en samen stapte we de kokend hete middagzon in. Ergens halverwege bracht een supermarkt even verkoeling, we zochten wat te eten en twee zakken chips was het beste wat we konden vinden. Het brood zag er hier niet erg uitnodigend uit.
Een uurtje uitrusten en dan nog een middagwandeling. Lekker even in de airconditioning en een keer of twee naar het toilet. Het was maar goed ook want we ontsnapte net aan de regen. Op de GPS liepen we nog een rondje van een kilometer of vijf, er is hier echt heel weinig te zien en ik vraag mij af wat we morgen allemaal gaan beleven.
Na de wandeling kozen we opnieuw voor Chinees en na de maaltijd was het tijd voor de Formule 1 race. Ik zet er niets voor aan de kant maar als ik de kans heb om te kijken als ik op reis ben neem ik die wel. Een paar biertjes en voor tien uur weer op bed. Morgen naar het hart van de jungle.

zaterdag 7 juli 2007

Sarawak, een boottocht naar Sibu

Sibu, 07/07/2007

De reisadviezen van de receptioniste in ons hotel was onze leidraad voor de tocht naar Sibu. Volgens haar zouden we zeker voor tien uur moeten vertrekken naar de pier. Het zou wel een uur kunnen duren voordat we daar zouden arriveren. Het verkeer was erg druk en grote verkeersopstoppingen waren gewoon. Na een ontbijt, waar we opnieuw de teleurstelling bespraken, stonden we netjes om kwart voor tien op de taxi te wachten.
Om iets over tien stonden we in de brandende zon op de aanlegsteiger vanwaar om kwart voor één de boot zou vertrekken. Ruim twee en een half uur moesten wij wachten. En er was helemaal niets te doen. De terminal was nog in aanbouw en de enige beschutting was een partytent ergens halverwege de aanlegsteiger. Er waren grote plannen want de steiger was geschikt voor auto’s.
Ik haalde mijn Lonely Planet tevoorschijn en ging eens goed bestuderen wat nu de mogelijkheden waren. We moesten deze vier weken toch wel volmaken. Mijn plan was steeds wandelen en trekking in Nationale Parken geweest en daardoor had ik niet echt de andere mogelijkheden onderzocht. Nu hier in de zon zou ik wel een nieuw programma in elkaar draaien dat voor ons beide geschikt was.

Uiteindelijk kwam ik met het volgende voorstel:
Eerst twee nachten in Sibu (een stad ik de jungle)
Met de boot naar Kapit (een dorp in de jungle, Iban longhouses)
Met de boot naar Belaga (stroomversnellingen, meer jungle en een stuwdam)
Met een 4WD naar Bintulu (nachtje slapen)
Met de bus naar Brunei (de verjaardag van de sultan)
Met de bus naar Kota Kinabalu
Met de bus naar Sepilok (orang oetang park)
Met de bus naar Sandakan (zeeschildpadden eilanden)
Met de bus naar Tawau
Met de 4WD naar Keningau
Met de trein naar Kota Kinabalu

Er zit hier nog wel wat lopen in maar niet echt veel en het hoofddoel in nu de veelbezochte plaatsen zoveel mogelijk ontwijken. Eindelijk was de boot daar en met een veel beter gevoel vertrokken we naar Sibu.
Het grootste gedeelte van de reis was saai. Rondom de boot was er een lege zee met het gebrul van de twee Mitsubishi diesels op de achtergrond. Bij landval werd het allemaal pas echt interessant. Groene jungle aan beide zijden van een brede bruine rivier, hier en daar platgeslagen voor een grote houtopslagplaats en/of houtzagerij. Al eeuwen was dit een groot hout export gebied.
Aan boord sprak ik nog even met een man van 77 jaar oud die veel interesse had voor mijn GPS. Hij was na zijn pensioen op reis gegaan en vertelde met veel pret in zijn ogen over de meisjes achter de ramen in Amsterdam en de grote casino’s van Las Vegas. Een hoog hinnikende lach verhoogde de pret. En toen dook vanuit het niets Sibu op. Een stad midden in de jungle, het leek opnieuw een heel vriendelijke stad.
Alles ging nu vanzelf en dat was fijn na die tegenslag. We kregen de laatste kamer in het “Li Hua Hotel”. Meer luxe dan gisteren voor de helft van de prijs ;). Douchen en eten! Ik had nu wel honger als een paard en een Chinese maaltijd zou er wel ingaan. Er waren overal Chinese karakters op de gevels te lezen dus dat zou wel goed komen. En inderdaad, het eerste café was meteen raak. Voor Tettje een nasi en voor mij een bami, aangevuld met gebakken gemengde groente, zoetzuur varkensvlees en citroenkip. Twee grote Tsingtao bier om alles weg te spoelen en het totaalbedrag was net RM 36. Een koopje.
Een lange wandeling in de koelte van de avond markeerde het einde van deze bewogen dag. We hadden de teleurstelling overwonnen en de nieuwe plannen waren gemaakt. De grote avondmarkt op een plein in de stad stelde mij in de gelegenheid om een nieuwe zonnebril te kopen. Hier zagen wij ook iets dat bijna onmogelijk was, hagelslag! Chocolade hagelslag, het werd gebruikt op een soort pannenkoek in combinatie met gemalen pinda’s en een beetje zoete mais. Net als vroeger thuis, een boterham met pindakaas en hagelslag of de onvergetelijke pindarotsjes van de Jamin. De spanningen waren nu weg en wij zouden samen gewoon een andere weg inslaan. Ik ga volgend jaar wel alleen terug om mijn plannen te verwezenlijken, en om eerlijk te zijn met veel plezier. Maleisië was al een favoriet maar nu ik in Sarawak ben geweest weet ik zeker dat ik wel vaker hier zal vertoeven. Een laatste bier in een chinees restaurant en we kunnen er gelukkig allebei om lachen. Ik hou van het onverwachte en Tettje is gestopt met roken.
Copyright/Disclaimer