zaterdag 17 mei 2008

Indonesië, een rondje Singosari

Malang (Surya Hotel)

Een combinatie van een gebrek aan bezienswaardigheden en het toch nog iets langer willen blijven in het aangename Malang maakte dat we in één dag een rondgang langs vier monumenten van de Singosari Dynastie zouden maken. Wat moet je je hierbij voorstellen? Het zijn vier relatief kleine monumenten uit de 13e eeuw die redelijk goed bewaard zijn gebleven en voor de tweede wereldoorlog zijn gerestaureerd met de steun van de Nederlandse regering. Ze liggen alle vier in een kring rond Malang en zijn met het openbaar vervoer redelijk gemakkelijk te bereiken.
Binnen een minuut zaten we in een microlet op weg naar de busterminal van Arjosari. We zouden hier vandaag nog wel een paar keer langskomen omdat de busterminal het hart van het spinnenweb is voor het microlet vervoer in en rond Malang. Zo moeizaam als het bij de aankomst in Malang ging zo gemakkelijk ging het nu. Echt! Binnen vijf minuten zaten we in een microlet naar een dorp genaamd naar het oude koningrijk Singosari. De chauffeur vroeg geen vreemde bedragen en deed net of we gewone passagiers waren. Voor een moment dacht ik dat het mis zou gaan toen hij ons vroeg of we naar Candi Sumberawan gingen. Ik knikte bevestigend en de chauffeur beantwoordde dit met de opmerking.
“I take you for 50.000 Rupiah”, een glimlach op zijn mond alsof hij net het wiel had uitgevonden.
“No thank you”, reageerde ik en hij knikte en stribbelde niet eens tegen.
Eerlijk als hij was zette hij ons netjes af op de hoek bij de ojeks (brommertaxi’s) en bedankte ons voor de 10.000 Rupiah. De chauffeurs van de ojeks sprongen op en hun ogen gingen nog verder open bij het zien van het briefje van 10.000 Rupiah dat ik aan de chauffeur overhandigde. Ze wilden dus 10.000 Rupiah voor een ieder van ons. Ik lachte hardop en het duurde niet lang voordat hetzelfde bedrag voor beiden van ons accepteerde.
In de verte doemde een vulkaan op en we reden over het echte platteland van Indonesië. Links en rechts rijstvelden afgewisseld met rietsuiker en maïs. In het midden van al dat niets stopten de brommers en de berijders wezen ons op een pad langs een klein irrigatiekanaal. Even verderop zagen we ook het bord “Candi Sumberawan”. Het kanaal was een waterweg vol met leven, er werd door kinderen in gezwommen terwijl de moeder rustig op een van de zon beschutte plaats de was deed. Een oude man repareerde een bamboe loopbrug en een boer schepte water in zijn emmer om zijn groenten mee te bewateren. Om een hoek net achter een klein bos beschermd door een hek met prikkeldraad stond de kleine stupa. Na alles wat ik al heb gezien was het niet de meest indrukwekkende maar het avontuur van de weg er naar toe en de omgeving maakte hem de moeite waard.
Het was maar zes kilometer lopen naar de volgende tempel in Singosari zelf en natuurlijk gingen we die zes kilometer lopen. En het was een interessante weg! Het eerste wat onze aandacht greep was het hoge gezang van een zaagmachine en een verzameling van houten zolen, eh schoenen. Hoe je het ook bekijkt de hoofdonderdelen van vrouwenschoenen die voor het grootste gedeelte uit hout bestaan. Het hele dorp maakt deze schoenen in gedeelten. Zolen, hakken, rubberen zool en leren bovenstuk worden in dit dorp samengevoegd tot het kant en klare product. Een kilometer of twee voor onze bestemming kregen we gezelschap van de dorpsgek die in zijn vuile en afgedragen kleding een paar meter al hardop pratend achter ons bleef lopen. Wat we ook deden we konden niet van hem af komen en hij bleef ons maar volgen. We hadden geen last van hem totdat we bij de Candi Singosari arriveerde. De dorpsgek had een aangeboren talent om op de verkeerde plaats te gaan staan en zo elke keer mijn foto te vervuilen met zijn beeltenis. Toen we ons opsplitsten en ieder aan een zijde van de weg foto’s maakten raakte hij verward. Maar dat was van korte duur want bij de hoofdtempel was hij weer van de partij.
Op weg naar de busterminal van Malang waren we hem toch kwijt en opgelucht genoten we van een koud colaatje voor de deur van een supermarkt. Uit het niets dook hij weer op en zag ons zitten aan de overkant van de drukke autoweg. Terwijl hij het juiste moment zocht om over te steken stapten wij in de eerste microlet die voorbij kwam. Toen ik voor de laatste keer omkeek zag ik hem om zich heen kijkend in het midden van de autoweg staan, hij keek verbaasd in de richting waar wij een minuut geleden nog hadden gezeten. Wij waren in (diesel)rook opgegaan!
Geluk was aan onze kant vandaag en binnen twee minuten in de Arjosari busterminal zaten we nu in een spierwitte microlet op weg naar Tumpang. Tijdschema’s worden gemaakt om in ieder geval te proberen om alles wat er op de lijst staat te zien binnen een dag. Het is heerlijk om op tijd in en uit bussen te springen en hier en daar nog wat tijd over te houden om wat te eten en te drinken. Meestal bleef het wel bij drinken want het eten langs de weg zag er of niet goed uit, of was er helemaal niet te vinden. De dagen op Coca cola en wat kroepoek zijn dan ook talrijk.
Onderweg naar Tumpang vulde de kleine minibus zich tot de nok met een groep vrouwen die net klaar waren met hun werk en met hun kleine pakketjes Nasi Pecel in de hand zich in de bus wurmde. Het duurde niet erg lang of de twee witgezichten waren het middelpunt van de spot.



“What your name, misterrrr?”, klonk het in koor.
En wij antwoorden op onze beurt, “Johnnie and Retteketett”.
Een bulderende lach ging door de bus en de eerste pogingen om Retteketett uit te spreken werden ondernomen. Bij het uitstappen van andere passagiers namen we nog een andere gekheid op in de vorm van Baai baai, zwaai zwaai. De kinderen en ouderen stonden ons elke keer na te zwaaien als wij weer met de bus in de verte verdwenen. Het duurde niet lang of de twee werden samengevoegd en de hele minibus oefende in koor.
“Baai Baai, zwaai zwaai, retteketett”, gevolgd door een lang lachen van de passagiers.
Toen de laatste vrouw de bus verliet klonk het ook voor het laatst. Wij moesten er zelf ook erg om lachen. Het duurde niet lang en we stonden in het centrum van Tumpang en konden het kleine stukje lopen naar de Candi Jago. Het was een monument opgericht voor een bezoek van een koning, een beetje meer van hetzelfde om eerlijk te zijn en behalve een erotische afbeelding konden we weinig nieuws ontdekken in deze hoop stenen. De tempel is niet al te best bewaard gebleven en aan de verschillende bouwstenen te zien lag niet alles op de juiste plaats. Vanaf een afstand leek het in ieder geval op een oud monument.
De laatste van het kwartet, de Candi Kidal, was een tegenvaller en we hadden ook een beetje pech. Het was goed om te zien dat er in ieder geval iets gedaan wordt aan “conservasie” en dat je donaties worden gebruikt om de tempels in stand te houden. Ze waren net bezig de bamboesteiger aan het afbreken en als we een dag of twee later waren gekomen hadden we het grafmonument van Koning Anusapati in volle glorie kunnen aanschouwen.
Nu gingen we onverrichter zaken weer terug op weg naar Malang en het geluk bleef ons bij tot aan het hotel. Hier wachtte ons een onaangename verrassing! Het hotel was volgeboekt voor morgen dus we moesten verkassen. Natuurlijk was ik erg verbaasd want ik had duidelijk vermeld dat we vier nachten zouden blijven en ik had voor twee nachten betaald. Het jaknikken van de receptionist betekende echter “ik begrijp er geen moer van!” en zo waren wij dus maar voor twee nachten ingeschreven. Ontmoedigd probeerde ik nog het één en ander te redden en gelukkig begreep de nieuwe receptioniste de engelse taal wat beter. We konden blijven maar dan moesten we morgen naar een andere kamer verhuizen. Die kamer was € 1,50 per nacht duurder. Natuurlijk was dat geen probleem en het leek dat het probleem voorgoed uit de wereld was.
Eten en drinken bij Toko Oen stond op het avondprogramma. Gisterenavond hadden we kort gesproken met een echtpaar uit Indonesië dat heel lang in Nederland had gewoond. Vanavond waren wij aangeschoven en hadden een fijn gesprek met Rob en Olga gehad. Een paar biertjes en een goed gesprek en de avond is zo aan een einde, zeker in Toko Oen dat om half tien de gordijnen sluit. Er was weer een mooie dag ten einde in de Republiek van Indonesië en we wisten diep in ons hart dat er nog veel mooie dagen zouden volgen.

vrijdag 16 mei 2008

Indonesië: De verschrikkingen van een verstopte oorlog

Malang (Hotel Kartika Kusuma)

Na negen uur muurvaste slaap schiet ik, wegens de hoog opgelopen, druk in mijn blaas uitgerust wakker. Vandaag gaan we het dus rustig aan doen. Het is onze eerste echte rustdag sinds we negen dagen geleden voet op Indonesische bodem hebben gezet. Althans, zo hebben we dat afgesproken.
Een hotel in Indonesië met een ontbijt bij de prijs inbegrepen blijft altijd een verrassing. Hoewel brood, roti, met mondjesmaat is doorgedrongen tot de supermarkten in de grote steden blijft het buiten de echte toeristengebieden wel anders. Vanzelfsprekend eten de mensen hier rijst of noedels als ontbijt. Omdat een ei universeel is in elke wereldkeuken worden die dan ook in alle bij ons bekende bereidingswijzen geserveerd.
Er zijn verschijnen sporen van paniek bij het dienstdoende personeel wanneer wij vanuit de tuin, op de binnenplaats van het hotel, in het kleine restaurant verschijnen.We zoeken een plaatsje in het kleine restaurant en Tettje zoekt een asbak voor het eerste sjekkie van de dag. We hebben geen enkele verwachtingen over het ontbijt en laten ons door de kok en de serveersters verrassen.
Koffie is het eerste wat op tafel verschijnt! Dat is een prima start voor twee koffieliefhebbers zoals Tettje en mijzelf. Terwijl ik de sterke zwarte koffie in de kleine kopjes schenk kruipen de flarden koffiegeur in mijn neus omhoog. Indonesië, Java en de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie), allen doen mij meteen aan koffie denken. Goede koffie, zoals we in Nederland gewend zijn.
De eerste bordjes verschijnen op tafel. De kleine witte geroosterde boterhammen zijn maar net iets groter dan een plakje cake. Het brood is zoet, net als de gele margarine. Vier gekookte eieren volgen niet veel later, we knikken goedkeurend naar elkaar en zijn nog meer verrast wanneer we voelen dat de gekookte eieren nog warm zijn.
In plaats van peper en zout worden de eieren gevolgd door een klein schoteltje met de bekende felrode aardbeienjam. En daar zitten wij nu niet op te wachten. Links en rechts naast de deuropening staan twee vrouwen die elke beweging van ons nauwlettend in de gaten houden Bij het begin van mijn eerste wenk staan ze aan direct aan onze tafel.
‘Peper en zout?’, vraag ik terwijl ik naar de eieren wijs.
Ze kijken elkaar verbaasd aan en ik begrijp meteen dat ze het engels, de taal van de grote satan, de Verenigde Staten van Amerika, niet machtig zijn. Met eerst mijn rechtse en daarna mijn linkse hand maak ik een schuddende beweging boven de eieren alsof ik een peper en zoutstel in mijn handen heb. Er verschijnen twee brede lachen op de gebruinde gezichten, ze hebben het begrepen en niet veel later staat er een schoteltje met een hoopje zout en een schepje peper naast het bordje met de hardgekookte eieren.
Zodra ik mijn schouders ophaal en overdreven verbaasd naar de hoopjes wijs staan de twee serveersters in een flits weer naast de tafel. We kijken elkaar verbaasd aan omdat we geen van allen weten waar we moeten beginnen.
Ik open het gesprek en wijs naar de eieren, ‘telur’, zeg ik zachtjes waarna ik naar het zout wijs.
Ze begrijpen meteen wat de bedoeling is en een van de serveersters wijst naar het zout, ‘garam’, fluistert ze en glimlacht ontwapenend.
De andere serveerster haakt meteen in en wijst naar het hoopje zwarte peper, ‘lada hitam’, schatert ze luid.
‘Lada hitam, garam’, herhaal ik terwijl ik de hoopjes een voor een aanwijs.
Mijn eerste les Bahasa Indonesia geleerd en de blijdschap straalt van de gezichten van de serveersters af. Het geroosterd brood met de eieren smaakt ons prima en de bordjes zijn snel leeg. Wachten op een tweede portie heeft geen zin, met dit ontbijt moeten we het doen. Nog een laatste bakkie van de heerlijke koffie en dan gaan we op stap. Vandaag gaan we stad in om te kijken wat er de komende dagen allemaal rond Malang te doen is.

Malang ligt op ongeveer 450 meter hoogte en dat maakt de temperatuur overdag een stuk aangenamer dan de drukkende warmte op zeeniveau en ook de nachten minder koud dan bij de Gunung Bromo. Zonder plannen en met de GPS als trouwe metgezel gaan we op pad. In het daglicht ziet Malang er anders uit. Op de grote rotonde vlakbij het hotel raast het verkeer als een altijd draaiende carrousel voorbij. Heel veel knetterende en rokende brommertjes en kleine volgestouwde blauwe minibusjes worden sporadisch afgewisseld door een verdwaalde personenauto.
Al slenterend richting de ons bekende weg naar Toko Oen krijgen we op het trottoir door een jonge Javaan een kaart van Malang in onze handen gestopt die een handvol bezienswaardigheden aangeeft die in geen van de reisgidsen vermeld staan.
Terwijl de vertegenwoordiger van het reisbureautje, in prima engels, aan Tettje verteld wat we allemaal kunnen gaan doen tegen welke prijs bestudeer ik de kaart. Tettje zegt geen woord terug en knikt alleen maar vriendelijk tegen de jongen die steeds enthousiaster wordt. Dat Tettje helemaal geen engels verstaat ontgaat hem helemaal. Zodra ik klaar ben met het bestuderen van de kaart vouw ik de kaart op, steek hem in mijn borstzak, en bedank ik de Javaan voor de kaart en zijn tijd. Hij blijft verbaasd en als verlamt achter op het trottoir terwijl wij licht heuvelopwaarts richting de ons enige bekende weg in Malang  lopen.

Enkele tientallen stappen verder staan we naast de eerste bezienswaardigheid uit de Lonely Planet. De vogeltjes markt op de brug over de Kali Mantras. Nu zal ik niet tegenspreken dat de lat voor ons al aardig hoog ligt als het op bezienswaardigheden aankomt maar ik ben persoonlijk bang dat wanneer deze markt wordt aangeprezen door een vooraanstaande reisgids er zeer weinig te zien is in Malang.
Honderden wilde vogeltjes en reptielen, die waarschijnlijk niet eetbaar zijn, zitten opgesloten in de mooiste bamboe en houten kooitjes te wachten op klanten die te lui of te dom zijn om er zelf een te vangen. Ook zijn legkippen en vechthanen spaarzaam aanwezig. Het is het basisprincipe van de economie! Het inhuren van arbeid om iets de laten doen wat je zelf niet kan of te lui bent om te doen.
We gaan weer verder op weg naar de Nederlandse Christelijke begraafplaats aan de rand van de oude stad. De moderne binnensteden van Indonesië zijn niet de allermooiste! We passeren de gouden bogen waar we gisteren hebben gegeten en ook Toko Oen lijkt open te zijn op deze zonnige ochtend. De kaart zelf blijkt niet op schaal te zijn dus moet er regelmatig de weg worden gevraagd, wat hilarische taferelen met zich mee brengt.

Een stukje voorbij Toko Oen komen we op een plein dat zwart ziet van de mensen. En dat is logisch! We staan voor de “Masjid Agung Jami” en het is vrijdag vandaag. De belangrijkste dag van de week voor de moslims, de Yaum al-Jum‘a (يوم الجُمْعَة), oftewel de dag van de samenkomst. En samengekomen zijn ze, in grote getale met al hun mannelijke nazaten en vaders!
Vanzelfsprekend trekken twee witte westerlingen voor de moskee veel bekijks. Na mijn, ‘As-salam Alaikum’, (Moge de vrede met u zijn) verandert de stemming van de mannen om ons heen. Niet dat ze vijandig waren maar toch wel wat afstandelijk. Ik voel een vleugje afschuw gevolgd door nieuwsgierigheid. Enkele van de mannen die de beginselen van de engelse taal machtig zijn knopen een gesprek met ons aan terwijl we rusten in de koelte van de schaduw van een boom op het plein.
Het zijn de bekende gesprekken! Belanda? Hoe slecht de Hollanders wel niet voor de Indonesiërs waren en hoe groot Bung Karno, de moedige vrijheidsstrijder in de strijd tegen de Hollanders, wel niet was. Er wordt geen woord gerept over Mohammed Hatta! De in ongenade gevallen en uit de geschiedenisboeken verwijderde broeder in de onafhankelijkheidsstrijd van Sukarno.
Op mijn antwoord dat de scholen, ziekenhuizen en spoorwegen door de Nederlanders gebouwd nog steeds in gebruik zijn heeft niemand een weerwoord. De man vertaald elk woord en elke zin aan de toegestroomde mannen die met geopende monden het gesprek proberen te volgen.
Deze mensen zijn door populistische en corrupte regeringen gehersenspoeld! Net als wij in Nederland en overal op de wereld. Zoals de overtuigde Nazi en Minister van Propaganda onder Adolf Hitler, Joseph Goebbels, al zei: ‘De mensen geloven een grote leugen sneller dan een kleine, en als je die vaak genoeg herhaalt, zullen mensen die vroeg of laat geloven!’
Politiek, religie en reizen gaan nooit samen wanneer je op reis bent in een vreemd land en brengen alleen maar ruzie en ellende. Ik laat me niet meer verleiden tot een politiek gesprek en dank beleefd de aanhoorders en geef Tettje een seintje dat we weer verder gaan.

Ondertussen is het alweer half een geweest en wordt het de hoogste tijd voor de lunch. Eten is nooit ver weg in zuid-oost Azië en Indonesië is daar geen uitzondering op, al is het niet altijd even gemakkelijk om een geschikte plaats voor twee personen met verschillende ideeën over restaurants te vinden. In een foodcourt onder een soort van warenhuis vinden een kleine selectie restaurants. Na een keer rond alle restaurants te zijn gelopen en de borden van de etende gasten te hebben bekeken valt onze keus op een klein stalletje dat zijn “Bakmie” aanprijst.
De vrouw lacht ons zenuwachtig toe vanachter haar handen wanneer ik ‘dua bakmi ajam telur goreng’ bestel. Om eerlijk te zijn sta ik er zelf ook een beetje van te kijken dat het zo gemakkelijk in me opkwam. De groenten en de kip worden gesneden en verder gebeurt er niets. Verbaasd zitten we, met een lauwe frisdrank en een plastic bekertje met wat ijs, te wachten tot er wat gebeurt. Pas wanneer haar man is teruggekeerd gaat de vlam onder de Wadjang en niet veel later sissen de ingrediënten in de pan. Sambal en ketjap staan al op tafel, Hollandser kan het haast niet!
Onder het eten trekken we ook hier veel bekijks. Een eindeloze optocht van nieuwsgierige Javanen trekt aan onze tafel voorbij. Met een ongeïnteresseerde blik in hun ogen, maar ze kunnen de nieuwsgierigheid niet verstoppen. Dat is niet altijd even aangenaam wanneer je rustig wil eten maar het hoort nu eenmaal bij het reizen. Dus je leert het te aanvaarden zoals het komt. Tettje rookt nog een sjekkie en wij gaan snel verder naar ons doel voor vandaag, de Nederlandse begraafplaats.

Veel mensen zijn langs de weg op hun eigen manier bezig om wat geld te verdienen. We zien twee mannen kentekenplaten uit stroken aluminium hameren en verwerken tot het volledig kant en klare product, inclusief verf spuiten en het aanbrengen van de witte verf op de letters.

In een volgende straat worden autobanden en binnenbanden tot van alles en nog wat verwerkt, van vuilnisbakken tot sandalen. Dat is nog eens recyclen! En nog even verder heeft een man zijn eigen loterij. Met pakjes sigaretten als prijs, de hoofdprijs is een hele slof sigaretten. Veel mensen wagen een gokje! Arme mensen dromen nu eenmaal meer van een prijs winnen dan rijke mensen.

Op de begraafplaats is het wat vreemd, we kunnen aanvankelijk maar één of twee graven ontdekken met Nederlandse namen er op. Bij navraag aan een schoonmaker/tuinman die tussen de nieuwe graven aan het werk is wordt de verschrikkelijke waarheid duidelijk!

Het is voor ons niet te bevatten wat mensen kan bewegen om de doden niet vredig te laten rusten. Dat vredige rusten is diepgeworteld in het christendom en enkele stromingen in het Boeddhisme maar de moslims hebben niets meer met hun doden op zo lijkt het.

Nadat Indonesië, volgens de Nederlandse regering op 27 december 1949 maar volgens Indonesië zelf op 17 augustus 1945, haar onafhankelijkheid had verworven heeft er zich hier een moderne beeldenstorm afgespeeld op het kerkhof. Bijna alle Nederlandse graven zijn uit pure haat en frustratie vernield.
De foto’s van de overledenen van de grafstenen losgeslagen en de marmeren en granieten naamplaten aan gruzelementen geslagen. Dit alles uit haat en kwaadheid jegens den Hollandsche overheerser. Een enkel graf is onaangeroerd omdat het uit één dikke plaat graniet bestaat of het misschien van een Nederlander was geweest die wel goed voor de lokale bevolking was geweest.

Het is dieptreurig om graven te zien die waren ingericht om een echtpaar in het eeuwige te herenigen en waarvan één zijde leeg is gebleven omdat de meeste Hollanders na de onafhankelijkheid hebben moeten vluchten. Ook een bladzijde in de vaderlandse geschiedenis waar wij in Nederland nooit iets over hebben gehoord. Grote groepen gewapende jonge Javanen die jacht maakten op de overlevenden van de Japanse kampen. Een enkel graf is jaren later weer in zijn oude glorie hersteld en lag er nu weer vredig bij.

Later zien we ook nog dat de stukken van de marmeren en granieten naamplaten zie zonder enig respect zijn gebruikt als wegverharding. Een symbolisch gebaar in de vorm van “het over de Nederlanders heen lopen?” De geschiedenis van Indonesië die we niet op school hebben gehad. Een ander Indonesië dan in de romantische verhalen.

Het maakt ons stil en na een half uur houden we het voor gezien. Het is geen wonder dat de grote reisorganisaties deze bezienswaardigheid overslaan. Dit valt moeilijk onder te brengen in een culturele vakantie en ontneemt wel wat van je vakantiegevoel. Dat gevoel wordt een beetje verdrongen door kwaadheid. Onderweg denk ik nog wat na over wat ik vanmiddag heb gezien en ik kan het allemaal maar moeilijk bevatten.
Aan de andere kant heb ik ook nooit op school geleerd dat het grootste gedeelte van de Indonesische bevolking tijdens de koloniale overheersing moslim was, ook in de dagen van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Moslims lijken iets van de afgelopen dertig jaar. Maar niets is minder waar! In de vroege ochtend klonk over de honderden ontwakende plantages  in het oude Nederlands Indië het “Allahoe Akbar”, een boodschap dat god groter is dan de Nederlanders. Een boodschap die ze in Den Haag veel eerder hadden moeten horen.

Onderweg passeren we nog een bijzonder huis! We noemen het meteen "Het Mondriaan Huis van Malang." Zo is er toch nog een beetje kleur aan het einde van deze grijze middag.
Voor het avondeten hebben we gekozen voor een instituut in Malang. Het “Toko Oen” restaurant. We stappen vanuit onze tijdcapsule zo de jaren vijftig binnen. Houten vitrines met koekjes en snoep zoals ik ze van de Jamin in de Boschstraat of Hil de Bil uit de kerkstraat herinner. Oude rotan stoelen die heel modern zijn geweest zo’n zeventig jaar geleden. Ook het eten is prima, alleen sluit de “Toko Oen” al om half tien. Je mag je biertje leegdrinken maar dan wordt je wel via de achterdeur van het restaurant naar buiten geleid. Zo zit dus onze eerste dag in Malang er op. Morgen wordt het een lange dag Javaanse tempels bekijken.

donderdag 15 mei 2008

Indonesië: Malang met een flinke omweg

Malang (Hotel Kartika Kusuma)


Na een kortere nachtrust dan gepland staan we alweer voor de zesde dag op rij vroeg naast ons bed. Het is tenslotte geen vakantie in Indonesië. We zijn op reis! We hebben vandaag een flinke verplaatsing, van meer dan vierhonderd kilometer, voor de boeg, tenminste, als we zo ver kunnen komen. Vierhonderd kilometer klinkt in de bewoonde wereld niet als erg ver maar hier in zuidoost Azië waar de gemiddelde reissnelheid tussen de 35 en 40 km/u ligt praten we altijd nog over ongeveer tien uur verplaatsen plus de wachttijden.
Klokslag zeven uur zitten we aan het schamele ontbijt en ik probeer twee droge witte boterhammen naar binnen te werken. In de zoete kanarie gele margarine en eeuwige flets rode aardbeienjam heb ik geen zin. Ik was nooit een zoetekauw maar nadat er diabetes bij me is geconstateerd is het alleen nog maar minder geworden. Een kok, voor een gebakken eitje, is er in geen velden of wegen te bekennen.
Het lukt me maar niet om het taaie mengsel in mijn droge mond door te slikken dus na een boterham gaf ik het op. De vele flessen Bintang bier van gisterenavond zitten nog in mijn systeem. Gelukkig heb ik haast nooit een kater! Het was een gezellige avond en Michael had zich laat op de avond nog bij ons gevoegd. Ook al ging de bar al om half elf dicht, de vermoeidheid en Bintang bier waren vermengd tot een perfect slaapmiddel.
Na een kort afscheid van Michael en zijn ouders, die ook aan de ontbijttafels zijn aangeschoven, gaan we op goed geluk naar de hoofdweg die ons weer in tegengestelde richting naar Gilimanuk moet brengen. We kijken nog een laatste keer naar de “Union Heerenfiets” die nog uit het “Indiesche tijdperk” stamt. Ik zie in mijn gedachten de plantage opzichter op zijn Union fiets door de sawa’s pedalen terwijl de koelie’s de net geoogste koffie verslepen. Wat moet het hier in Nederlands Indië voor de tweede wereldoorlog toch paradijselijk mooi zijn geweest?

Op Bali is het openbaar vervoer, net als op heelveel toeristen plaatsen in Azië, eigendom van de lokale bevolking die je als buitenlandse “rijke” toerist met veel plezier veel te veel voor je tochtje rekenen. Wij zitten dus langs de weg en hopen dat we zullen worden toegelaten in een lokale bus op weg naar Kilimanuk. Binnen enkele seconden zijn we omringt door sjacheraars die uit het niets zijn opgedoemd en die ons vervoer aanbieden naar elke stad in Indonesië. Zelfs Jakarta komt voorbij, en dat is toch al snel een kilometer of 800 hemelsbreed! We moeten er samen, ondanks het ongemak, hard om lachen.
De meeste sjacheraars druipen vanzelf en hevig teleurgesteld af. Het loopt voor ons op rolletjes en binnen tien minuten hebben we plaatsen achter in een grote bus die volgens de chauffeur zelfs helemaal naar de ferryterminal gaat. “De eerste klap is een daalder waard”, onze verplaatsing naar Malang is voorspoedig begonnen. Door de achterruit zien we de meest standvastige sjacheraars uit het beeld verdwijnen. Onverrichter zake en als een troep hongerige wolven weer op zoek naar een volgende prooi.
Vanuit de bus op deze vroege ochtend zien we pas hoe lelijk Bali eigenlijk is! De enige rondweg aan de noordkant van het eiland trekt als een sterke magneet de mensen aan om hier hun huizen, winkels en andere misbaksels te bouwen. Lelijke betonnen dozen met vaak een golfijzeren dak, geschilderd in afzichtelijk lelijke kleuren. Mensen komen en gaan in de bus, ze gunnen ons geen blik waardig. Op Bali zijn ze wel gewend aan toeristen. Maar dit is niet het Bali dat je op de mooie plaatjes in de reisgidsen vind.

Bijna twee uur later stappen we aan de terminal uit en  we bedanken de chauffeur die het te druk heeft met het bereken van de kosten voor de, op het dak van de bus, vervoerde vracht. Ik voel nu een enorme holte in mijn lichaam die gevuld moet worden. Op die ene droge witte boterham van het ontbijt kan ik niet leven! Na het kopen van de plaatsbewijzen zoek ik de terminal af voor wat te eten en te drinken. Eindelijk een koude Cola light maar vast voedsel dat me bekoord is nergens te vinden.
‘Straks eerst wat eten!’, zeg ik tegen Tettje die het direct met me eens is.

Ik voel mijn maag en darmen knorren. De Cola light neemt wat van de honger en de lichte kater weg. Een oude tandloze Balinees klopt ons op de schouder en wijst zonder een woord te zeggen naar een oude veerboot die net aanmeert. Dat zal onze boot dan wel zijn! Alleen een knik is voldoende en Tettje begrijpt dat we richting de loopplank gaan. De Balinees tikt me nog een keer op de schouder en houdt zijn vlakke hand voor me op, met een brede glimlach op zijn gezicht. Ik geef hem al mijn, veelal aluminium en haast waardeloos, muntgeld.
‘Thank you!’, hoor ik achter me fluisteren terwijl we ons snel uit de voeten maken voor de ongetwijfeld in groten getale aanwezige onzichtbare bedelaars.

Nog voordat we aan boord zijn trekt een fiets met een klein glazen kastje achterop de pakkedrager mijn aandacht. “Nasi”, staat er met grote gele letters op te lezen. Nu is “nasi” in het Indonesisch rijst dus we zijn al een aardig stukje op de juiste weg. Met Tettje in mijn kielzog been ik op de niet al te grote, kretek sigaretten rokende, verkoper af. Kleine pakketjes van gevouwen bananenbladeren liggen achter het kleine ruitje op de hongerige klanten te wachten. Plastic zakjes met kroepoek bungelen aan een haakje. Erg lang hoef ik er niet over na te denken terwijl Tettje nog even de kat uit de boom kijkt en wacht tot hij de inhoud van het bananenblad heeft gezien.
‘Berapa?’ (Hoeveel?), vraag ik hem in mijn beste Indonesisch.
‘Tiga ribu’, lacht hij me verbaasd toe.
3000 Rupiah (€ 0,22) is geen prijs, voor dat luttele bedrag kan ik wel een miskleun hebben, dus bestel ik één bananenblad pakketje. Nadat hij het mij het pakketje heeft overhandigd kan ik niet wachten om te zien welke verrassing er zich in het groene blad bevind! Een flinke bal witte rijst met wat groente en iets dat op een stuk gevulde omelet lijkt ontvouwt zich in het groene blad voor mijn ogen.
‘Sambol’, vraagt hij terwijl ik in gedachten verzonken ben over mijn net gekochte ontbijt.
‘Yes’, antwoord ik haast automatisch.
Zodra zijn vraag aan mij tot me doordringt schiet ik in de lach. Ik waan me voor een moment in een willekeurig Chinees/Indonesisch restaurant in Nederland. Verbaasd kijkt de verkoper me aan terwijl hij met een kaviaar lepeltje het pittige goedje voorzichtig naast de witte bal rijst legt.
Sambal dien je naast het gerecht te leggen waarna je steeds een rijstballetje in de pasta doopt. De mooie droge korrel is een westerse gedachte, echte rijst dient te kleven! Hoe kun je anders rijst met je handen of met stokjes eten?
Over de kwaliteit van de nasi heb ik niets te klagen, en het is ook echte verse sambal, niet van dat spul uit potjes. Ondanks mijn aandringen slaat Tettje mijn aanbod voor het ontbijt af. We zoeken straks nog wel wat te eten voor Tettje, voordat we in de bus stappen. Met het gevulde blad in de hand, en af en toe een met een klein plastic lepeltje een hap nemend, stappen Tettje en ik aan boord van de oude veerboot die ons weer naar Jawa Timor zal brengen.

Aan de andere kant in Ketapang is het weer een heel ander verhaal. De sjacheraars hebben ons al van verre aan het dek van de veerboot zien staan. Als vechtende vrouwen bij de uitverkoop, met het gebruik van hun beide ellebogen, proberen ze als eerste bij ons te komen.
‘Bromo, Bromo, Ijen, Ijen, Surabaya, Surabaya en Malang, Malang’, klinkt het in koor uit tientallen kelen.
Heel rustig, en ons nergens van aantrekkend, lopen we de loopplank af richting de uitgang van het veerboot terrein gevolgd door het leger schreeuwende, en nooit opgevende, sjacheraars.
Net buiten de poort zijn de meeste sjacheraars al afgedropen en weer teruggekeerd naar de loopplank waar binnen een half uur de volgende veerboot weer zal aanmeren. Een nieuwe hindernis, in de vorm van taxichauffeurs die in ons de hoofdprijs in de loterij zien, volgt de vastberaden sjacheraars van de loopplank op. Bijna alle namen van de belangrijkste steden op Java vliegen ons om de oren, veelal aangevuld met prijzen die hoger zijn dan eerste klas vliegtickets. Wanneer de storm eenmaal is geluwd komen wij tot leven en proberen uit te vinden wat het redelijkerwijs zou kosten om van hier naar het plaatselijke busstation te gaan. De taxichauffeurs kijken elkaar lachend aan en beginnen met 100.000 Rupiah. Dat is duurder dan een taxi in Londen!
We staan op en lopen zonder enige aandacht aan de verbaasde taxichauffeurs te geven in de richting van Banyuwangi. Een kleine groep microlets staat in de verte bij elkaar te wachten en misschien hebben we daar meer geluk.
Bij die kleine minibusjes aangekomen begint het hele spektakel weer van vooraf aan. Het is nu voor de vierde keer vandaag dat we een poging wagen om te onderhandelen en het begint me wel een beetje te vervelen. Ook is het onverwachte oponthoud niet echt welkom. De tijd begint te dringen en we hebben nog ver te gaan. Maar hoe ik ook redeneer en de redelijkheid probeer te bewaren komen we geen stap verder. Maar je moet nu eenmaal verder en je kan onmogelijk blijven afdingen tot in het oneindige.
Dat je genaaid wordt staat als een paal boven water dus nu moet je proberen de schade zoveel mogelijk te beperken. We hebben na lang zeuren er uiteindelijk één te pakken voor 10.000 rupiah samen en stappen snel in voordat de chauffeur zich bedenkt. Met gierende, en waarschijnlijk spiegelgladde  banden, draait het busje en we rijden weg in de tegenovergestelde richting.
‘Stop!, Stop!, waar gaan we heen?, schreeuw ik op de top van mijn stem naar de chauffeur om boven het geluid van de loeiende motor uit te komen.
‘Naar de bus die jullie naar Surabaya gaat brengen!’, lacht hij terwijl hij zijn ogen op het moordend drukke verkeer houdt.
‘Maar we willen helemaal niet naar Suraybaya, we willen naar het busstation”, schreeuw ik hem geërgerd toe.
‘Nee, het is veel beter dat je naar Surabaya gaat!’, schreeuwt hij met de beloning voor het aanleveren van passagiers voor de busmaatschappij in zijn achterhoofd.
Tettje en ik springen bij de eerste gelegenheid uit de langzaam rijdende bus en laten de kleine Javaan achter met zijn dromen. Hij kan niet stoppen en wordt als in een kolkende rivier door de rest van het verkeer meegesleurd.
Maar wij zijn geen stap verder gekomen! Mijn GPS geeft aan dat we alleen maar verder van het busstation zijn gekomen. We kijken eens goed om ons heen en zien aan de overkant een handvol minibusjes staan, met de chauffeurs uit het raam leunend om te zien wat er allemaal voor hun neuzen gebeurde.
Plan drie treed nu in werking! Langzaam, en vol van zelfvertrouwen uitstralend, stappen we met onze rugzakken op de rug geriemd in de richting van Banyuwangi. Na ongeveer een minuut of vijf komt er een minibusje, dat half vol is, naast ons rijden. De chauffeur kijkt ons vragend aan en stopt naast de weg, dit is het moment in te stappen.
“Busterminal”, lacht de chauffeur ons toe.
Terwijl Tettje met zijn rugzak in de bus klimt knik ik bevestigend tegen de chauffeur. We hebben weer een hindernis genomen. Terwijl ik hem de 6000 Rupiah in zijn handen druk scheurt het busje weg. Bij de busterminal aangekomen staat ons echter een onaangename verrassing te wachten. Er vertrekken hier helemaal geen bussen naar andere steden, alleen kleine minibusjes naar bestemmingen rond Banyuwangi.
Na een korte uitleg van een andere reiziger heb ik het eindelijk door. Er is de “busterminal” die de kleine busjes bedient en er is het “busstation” die de intercity bussen bedient. Niet lang gemaald over deze onverwachte fout, de tijd dringt, dus gaan we weer op zoek naar een minibusje die ons naar het “busstation” kan brengen.
Een heel erg dikke chauffeur, die zich als in een Houdini ontsnapping vanachter het stuur naar buiten moet wringen, ziet het wel zitten om ons voor 20.000 rupiah naar het “busstation” te brengen.
‘Busstation, busstation, busstation’, blijf ik herhalen totdat het precies hetzelfde herhaald.
Yes, busstation, busstation, busstation, Keratapi station, Keratapi station’, stottert hij, zich verslikkend in de lange aaneenschakeling van woorden.
En zo zijn we nu dus eindelijk op weg naar het intercity busstation van Banyuwangi. We rijden en rijden totdat de hoeveelheid rijstvelden veel groter is dan de hoeveelheid bebouwing. Onderweg is er nog een lange slanke man opgepikt met een muisachtig boeventronie die zenuwachtig aan zijn kretek sigaret zit te trekken en vanaf de bijrijdersstoel af en toe naar ons omkijkt.
Tettje en ik kijken elkaar recht in de ogen aan en ik krijg een onaangenaam gevoel vanbinnen. Zou dit het einde van onze reis zijn? Zouden we op klaarlichte dag op het platteland van Java worden beroofd? In gedachten maak ik plannen wat te doen wanneer er stront aan de knikker komt. We moeten die twee samen wel kunnen hebben, maar wat wanneer er verder weg nog meer handlangers staan te wachten? Het korte telefoon gesprek dat door de dikke chauffeur wordt gevoerd kunnen we ook niet volgen en laat de spanning alleen maar stijgen.
Maar tot een beroving is het nooit gekomen! De chauffeur stopt aan het einde van een landweg bij het “treinstation”. Op dit moment herinner ik me het woord Keratapi! Trein! Het woord kwam me al bekend voor van mijn reizen in Maleisië maar ik kon het niet plaatsen.
De chauffeur ervan proberen te overtuigen dat “busstation” en “treinstation” toch duidelijk twee heel verschillende dingen zijn is nutteloos, hij wil alleen maar zijn beloning zien. Dus moeten wij ze zelf maar een poets bakken!
Met een brede grijns op zijn mond spreekt de chauffeur nogmaals de verlossende woorden, ‘Keratapi Station’.
‘No, “busstation”, not “trainstation”’, snauw ik hem toe omdat ik mijn geduld begin te verliezen.
‘OK, “busstation”’, lacht hij terwijl hij bijval krijgt van de muis naast hem.
‘Maar dat kost wel 20.000 rupiah extra’, grijnst hij.
Nu heb ik hem in één klap door, effe een stukje omrijden en dan dubbel geld vragen. Kassa! Mooi niet!
Ik vertel hem dat we alleen maar biljetten van 50.000 rupiah hebben dus dat we het hele bedrag betalen wanneer we bij het busstation zijn. Onderweg zitten de twee voorin onafgebroken te lachen en verdelen waarschijnlijk de buit die hun aan het einde van dit ritje te wachten staat. Ook wij lachen vriendelijk en trekken ons strijdplan. Tettje heeft me meteen door en met zo min mogelijk woorden hebben we ons plan voor de aankomst bij het “busstation” klaar.
Bij het busstation aangekomen zie ik op mijn GPS dat we hier al langs zijn gekomen en dat is gelijk een bevestiging van mijn verdenkingen. We stappen rustig uit en terwijl ik met mijn portemonnee/notitieboekje sta te worstelen haalt Tettje onze rugzakken uit het busje. Zodra Tettje het teken geeft dat hij klaar is geef ik de muisachtige bijrijder de afgesproken 20.000 rupiah. De chauffeur probeerde Tettje nog tevergeefs door het kleine zijraam te grijpen in een poging om 20.000 rupiah extra te vangen.
‘Terimah Kashi!’ (Dankjewel), roep ik lachend terwijl we snel de drukke weg proberen over te steken. Met de scheldende dikke chauffeur en zijn kompaan met het smalle muizengezicht omkijkend verdwijnt de minibus uit het zicht. Nu zijn we echt, na de nodige omzwervingen, op het busstation aangekomen.
Nou ja, busstation? We lopen door een brede steeg met aan beide zijden kleine kraampjes die etenswaren en vooral lauw water en frisdrank verkopen, afgewisseld met kleine lokettjes waar ze kaartjes voor de diverse bussen verkopen. Zij zijn net zo verbaasd om ons te zien als wij om hun te zien. Aan het einde van de steeg komen we op een soort rotonde waar de bussen zonder heen en weer te steken hun koppen weer in de richting van de weg kunnen zetten.
Verbaasd laten we ons ergens op lage houten stoeltjes neervallen en drinken wat water. Terwijl Tettje de rugzakken in de gaten houdt ga ik op zoek naar vertrektijden en vervoersbewijzen. Ik had er al rekening mee gehouden dat de meeste bussen vroeg in de ochtend en laat in de avond vertrekken. Geholpen door een vriendelijke oude man, gekleed in een witte jurk met een lange witte baard en een karakteristiek zwart moslim hoedje, een songkok, op zijn hoofd, kom ik bij een klein loket. De man spreekt nog wat woorden Nederlands en dat maakt het een stuk gemakkelijker.
Zonder veel problemen koop ik twee kaartjes voor de bus zonder een prijs er op gedrukt. Ik moet mezelf ertoe dwingen om niet overal een oplichter achter te zoeken. Maar het blijft vreemd! Kaartjes voor een bus naar Malang zonder een prijs er op. Ik druk de oude man 2.000 rupiah in zijn hand als dank voor de hulp. Hij kijkt me recht in de ogen en ik kan niet kiezen of het dankbaarheid is, of wellicht ontgoocheling is dat ik in zijn ogen zie.
Over de vertrektijd van de bus kan de man, achter de dunne roestige tralies van het loket, me weinig vertellen! Die is afhankelijk van de aankomsttijd! Ik krab mezelf eens achter de oren en laat deze opmerking langs me heen gaan. Laat ook maar, denk ik, we zullen wel zien waar vandaag het schip strand. We hebben tijd genoeg en wanneer het niet mocht lukken dan slapen we maar een nachtje ergens anders.
Tettje raakt licht in paniek wanneer ik hem vertel wat ik heb uitgevonden. We kunnen tijdens het wachten niets anders doen dan mierzoete custard cakejes met lauwe frisdrank wegspoelen, en in de Lonely Planet van Indonesië lezen wat we verder tijdens onze reis kunnen gaan doen, terwijl we smachtend wachten op de bus naar Malang. Er gebeurt niets, en ook helemaal niets op dit busstation! We zien geen enkele beweging van een bus , groot of klein. Het lijkt er meer op dat we op een lokale markt zitten te wachten. Met elke seconde die verstrijkt worden we onzekerder. Om de twee minuten op mijn horloge kijken helpt ook niet.
De eerste bus die op de rotonde verschijnt blijkt gelukkig onze bus te zijn. Een bus zonder een echte dienstregeling en smalle banken bekleed met dik zweterig plastic. Het is niet anders. Het vriendelijke aanbod van de bijrijder om onze rugzakken op het dak van de bus  te leggen slaan we maar af. Met de rugzakken op schoot vertrekken we na anderhalf uur wachten eindelijk met de bus naar Malang.
Negen uur hebben we over de busreis naar Malang gedaan! Negen nekhaar rechtovereind zettende uren! Inhaalmanoeuvres uit Amerikaanse actiefilms die je zelfs in je engste nachtmerrie niet zou willen meemaken! Negen lange uren zonder één stop om te eten! Negen uren slechts onderbroken door sanitaire stops van enkele minuten langs verstopte provinciale wegen! Negen uren op een harde oneffen stoel met een dikke zwetende plastic bekleding! Negen uren zweten zonder airconditioning! Negen uren met gitaar spelende bedelaars en lastige medepassagiers! Het enige verzetje was een opstootje van de bijrijder die een bestuurder van de auto voor hen in de file met een houten knuppel te lijf wilde gaan.
Dus na die negen uur rijden we eindelijk het “Arjosari busstation” van Malang binnen. Ik ben moe, vuil, voel me vies, hongerig en aan het einde van mijn krachten. De hele dag niets gedaan en toch helemaal kapot. De eerste taxichauffeur die een vreemde prijs voorstel krijgt een scheldkanonnade over zich heen die hij niet snel meer zal vergeten. Dat zijn de verschijnselen van een lage suikerspiegel. We moeten zo snel mogelijk een slaapplaats zoeken en eten.
Op aanraden van een medepassagier nemen we een kleine blauwe microlet, in de naastgelegen busterminal, richting het centrum van Malang. Een volgepropt busje naar de grote rotonde in het centrum van het oude Malang hebben we snel gevonden. Na een korte rit dropt de minibus ons af bij het Balai Kota. Gelukkig hebben we al snel het hotel, dat we op het oog hadden, gevonden. Het is al kwart over tien wanneer we onze rugzakken in de kamer gooien. Snel eerst nog wat eten en dan naar bed.
Maar ook hier zit het vandaag niet mee! Tijdens het verlaten van de kamer valt de deur na het afsluiten gewoon weer open. Wat ik ook probeer, de deur laat zich niet afsluiten. Er is gewoon teveel ruimte tussen het kozijn en het slot.
Genietend van een zelf gerolde sigaret volgt Tettje mijn bezigheden. Op dit tijdstip van de avond zijn er nog maar weinig medewerkers van het hotel te vinden. De nachtwaker is het er wel mee eens dat dit niet veilig is maar de man achter de receptie weigert ons een andere kamer te geven. Dreigen om weg te gaan helpt niet omdat we al hebben betaald! Mijn charme offensief, met enige hulp van de nachtwaker, werkt en we kunnen verhuizen naar een andere kamer. Alle hindernissen zijn vandaag genomen! Het ging niet allemaal even gemakkelijk maar dat zijn de charmes van het reizen.
De stad is op dit tijdstip verlaten en om half elf is alleen het restaurant met de gouden bogen nog open. Ik zal er niet omheen draaien, de halal hamburgers met patat smaakt ons voortreffelijk na zo’n lange dag. Volgevreten met fastfood en vermoeid klimmen we tussen de lakens in onze haast raamloze kamer. De raamairconditioning maakt herrie als een oude koelkast met een kapotte thermostaat. Morgen blijven we wat langer liggen en na het ontbijt gaan de stad verkennen.
Copyright/Disclaimer