donderdag 15 mei 2008

Indonesië: Malang met een flinke omweg

Malang (Hotel Kartika Kusuma)


Na een kortere nachtrust dan gepland staan we alweer voor de zesde dag op rij vroeg naast ons bed. Het is tenslotte geen vakantie in Indonesië. We zijn op reis! We hebben vandaag een flinke verplaatsing, van meer dan vierhonderd kilometer, voor de boeg, tenminste, als we zo ver kunnen komen. Vierhonderd kilometer klinkt in de bewoonde wereld niet als erg ver maar hier in zuidoost Azië waar de gemiddelde reissnelheid tussen de 35 en 40 km/u ligt praten we altijd nog over ongeveer tien uur verplaatsen plus de wachttijden.
Klokslag zeven uur zitten we aan het schamele ontbijt en ik probeer twee droge witte boterhammen naar binnen te werken. In de zoete kanarie gele margarine en eeuwige flets rode aardbeienjam heb ik geen zin. Ik was nooit een zoetekauw maar nadat er diabetes bij me is geconstateerd is het alleen nog maar minder geworden. Een kok, voor een gebakken eitje, is er in geen velden of wegen te bekennen.
Het lukt me maar niet om het taaie mengsel in mijn droge mond door te slikken dus na een boterham gaf ik het op. De vele flessen Bintang bier van gisterenavond zitten nog in mijn systeem. Gelukkig heb ik haast nooit een kater! Het was een gezellige avond en Michael had zich laat op de avond nog bij ons gevoegd. Ook al ging de bar al om half elf dicht, de vermoeidheid en Bintang bier waren vermengd tot een perfect slaapmiddel.
Na een kort afscheid van Michael en zijn ouders, die ook aan de ontbijttafels zijn aangeschoven, gaan we op goed geluk naar de hoofdweg die ons weer in tegengestelde richting naar Gilimanuk moet brengen. We kijken nog een laatste keer naar de “Union Heerenfiets” die nog uit het “Indiesche tijdperk” stamt. Ik zie in mijn gedachten de plantage opzichter op zijn Union fiets door de sawa’s pedalen terwijl de koelie’s de net geoogste koffie verslepen. Wat moet het hier in Nederlands Indië voor de tweede wereldoorlog toch paradijselijk mooi zijn geweest?

Op Bali is het openbaar vervoer, net als op heelveel toeristen plaatsen in Azië, eigendom van de lokale bevolking die je als buitenlandse “rijke” toerist met veel plezier veel te veel voor je tochtje rekenen. Wij zitten dus langs de weg en hopen dat we zullen worden toegelaten in een lokale bus op weg naar Kilimanuk. Binnen enkele seconden zijn we omringt door sjacheraars die uit het niets zijn opgedoemd en die ons vervoer aanbieden naar elke stad in Indonesië. Zelfs Jakarta komt voorbij, en dat is toch al snel een kilometer of 800 hemelsbreed! We moeten er samen, ondanks het ongemak, hard om lachen.
De meeste sjacheraars druipen vanzelf en hevig teleurgesteld af. Het loopt voor ons op rolletjes en binnen tien minuten hebben we plaatsen achter in een grote bus die volgens de chauffeur zelfs helemaal naar de ferryterminal gaat. “De eerste klap is een daalder waard”, onze verplaatsing naar Malang is voorspoedig begonnen. Door de achterruit zien we de meest standvastige sjacheraars uit het beeld verdwijnen. Onverrichter zake en als een troep hongerige wolven weer op zoek naar een volgende prooi.
Vanuit de bus op deze vroege ochtend zien we pas hoe lelijk Bali eigenlijk is! De enige rondweg aan de noordkant van het eiland trekt als een sterke magneet de mensen aan om hier hun huizen, winkels en andere misbaksels te bouwen. Lelijke betonnen dozen met vaak een golfijzeren dak, geschilderd in afzichtelijk lelijke kleuren. Mensen komen en gaan in de bus, ze gunnen ons geen blik waardig. Op Bali zijn ze wel gewend aan toeristen. Maar dit is niet het Bali dat je op de mooie plaatjes in de reisgidsen vind.

Bijna twee uur later stappen we aan de terminal uit en  we bedanken de chauffeur die het te druk heeft met het bereken van de kosten voor de, op het dak van de bus, vervoerde vracht. Ik voel nu een enorme holte in mijn lichaam die gevuld moet worden. Op die ene droge witte boterham van het ontbijt kan ik niet leven! Na het kopen van de plaatsbewijzen zoek ik de terminal af voor wat te eten en te drinken. Eindelijk een koude Cola light maar vast voedsel dat me bekoord is nergens te vinden.
‘Straks eerst wat eten!’, zeg ik tegen Tettje die het direct met me eens is.

Ik voel mijn maag en darmen knorren. De Cola light neemt wat van de honger en de lichte kater weg. Een oude tandloze Balinees klopt ons op de schouder en wijst zonder een woord te zeggen naar een oude veerboot die net aanmeert. Dat zal onze boot dan wel zijn! Alleen een knik is voldoende en Tettje begrijpt dat we richting de loopplank gaan. De Balinees tikt me nog een keer op de schouder en houdt zijn vlakke hand voor me op, met een brede glimlach op zijn gezicht. Ik geef hem al mijn, veelal aluminium en haast waardeloos, muntgeld.
‘Thank you!’, hoor ik achter me fluisteren terwijl we ons snel uit de voeten maken voor de ongetwijfeld in groten getale aanwezige onzichtbare bedelaars.

Nog voordat we aan boord zijn trekt een fiets met een klein glazen kastje achterop de pakkedrager mijn aandacht. “Nasi”, staat er met grote gele letters op te lezen. Nu is “nasi” in het Indonesisch rijst dus we zijn al een aardig stukje op de juiste weg. Met Tettje in mijn kielzog been ik op de niet al te grote, kretek sigaretten rokende, verkoper af. Kleine pakketjes van gevouwen bananenbladeren liggen achter het kleine ruitje op de hongerige klanten te wachten. Plastic zakjes met kroepoek bungelen aan een haakje. Erg lang hoef ik er niet over na te denken terwijl Tettje nog even de kat uit de boom kijkt en wacht tot hij de inhoud van het bananenblad heeft gezien.
‘Berapa?’ (Hoeveel?), vraag ik hem in mijn beste Indonesisch.
‘Tiga ribu’, lacht hij me verbaasd toe.
3000 Rupiah (€ 0,22) is geen prijs, voor dat luttele bedrag kan ik wel een miskleun hebben, dus bestel ik één bananenblad pakketje. Nadat hij het mij het pakketje heeft overhandigd kan ik niet wachten om te zien welke verrassing er zich in het groene blad bevind! Een flinke bal witte rijst met wat groente en iets dat op een stuk gevulde omelet lijkt ontvouwt zich in het groene blad voor mijn ogen.
‘Sambol’, vraagt hij terwijl ik in gedachten verzonken ben over mijn net gekochte ontbijt.
‘Yes’, antwoord ik haast automatisch.
Zodra zijn vraag aan mij tot me doordringt schiet ik in de lach. Ik waan me voor een moment in een willekeurig Chinees/Indonesisch restaurant in Nederland. Verbaasd kijkt de verkoper me aan terwijl hij met een kaviaar lepeltje het pittige goedje voorzichtig naast de witte bal rijst legt.
Sambal dien je naast het gerecht te leggen waarna je steeds een rijstballetje in de pasta doopt. De mooie droge korrel is een westerse gedachte, echte rijst dient te kleven! Hoe kun je anders rijst met je handen of met stokjes eten?
Over de kwaliteit van de nasi heb ik niets te klagen, en het is ook echte verse sambal, niet van dat spul uit potjes. Ondanks mijn aandringen slaat Tettje mijn aanbod voor het ontbijt af. We zoeken straks nog wel wat te eten voor Tettje, voordat we in de bus stappen. Met het gevulde blad in de hand, en af en toe een met een klein plastic lepeltje een hap nemend, stappen Tettje en ik aan boord van de oude veerboot die ons weer naar Jawa Timor zal brengen.

Aan de andere kant in Ketapang is het weer een heel ander verhaal. De sjacheraars hebben ons al van verre aan het dek van de veerboot zien staan. Als vechtende vrouwen bij de uitverkoop, met het gebruik van hun beide ellebogen, proberen ze als eerste bij ons te komen.
‘Bromo, Bromo, Ijen, Ijen, Surabaya, Surabaya en Malang, Malang’, klinkt het in koor uit tientallen kelen.
Heel rustig, en ons nergens van aantrekkend, lopen we de loopplank af richting de uitgang van het veerboot terrein gevolgd door het leger schreeuwende, en nooit opgevende, sjacheraars.
Net buiten de poort zijn de meeste sjacheraars al afgedropen en weer teruggekeerd naar de loopplank waar binnen een half uur de volgende veerboot weer zal aanmeren. Een nieuwe hindernis, in de vorm van taxichauffeurs die in ons de hoofdprijs in de loterij zien, volgt de vastberaden sjacheraars van de loopplank op. Bijna alle namen van de belangrijkste steden op Java vliegen ons om de oren, veelal aangevuld met prijzen die hoger zijn dan eerste klas vliegtickets. Wanneer de storm eenmaal is geluwd komen wij tot leven en proberen uit te vinden wat het redelijkerwijs zou kosten om van hier naar het plaatselijke busstation te gaan. De taxichauffeurs kijken elkaar lachend aan en beginnen met 100.000 Rupiah. Dat is duurder dan een taxi in Londen!
We staan op en lopen zonder enige aandacht aan de verbaasde taxichauffeurs te geven in de richting van Banyuwangi. Een kleine groep microlets staat in de verte bij elkaar te wachten en misschien hebben we daar meer geluk.
Bij die kleine minibusjes aangekomen begint het hele spektakel weer van vooraf aan. Het is nu voor de vierde keer vandaag dat we een poging wagen om te onderhandelen en het begint me wel een beetje te vervelen. Ook is het onverwachte oponthoud niet echt welkom. De tijd begint te dringen en we hebben nog ver te gaan. Maar hoe ik ook redeneer en de redelijkheid probeer te bewaren komen we geen stap verder. Maar je moet nu eenmaal verder en je kan onmogelijk blijven afdingen tot in het oneindige.
Dat je genaaid wordt staat als een paal boven water dus nu moet je proberen de schade zoveel mogelijk te beperken. We hebben na lang zeuren er uiteindelijk één te pakken voor 10.000 rupiah samen en stappen snel in voordat de chauffeur zich bedenkt. Met gierende, en waarschijnlijk spiegelgladde  banden, draait het busje en we rijden weg in de tegenovergestelde richting.
‘Stop!, Stop!, waar gaan we heen?, schreeuw ik op de top van mijn stem naar de chauffeur om boven het geluid van de loeiende motor uit te komen.
‘Naar de bus die jullie naar Surabaya gaat brengen!’, lacht hij terwijl hij zijn ogen op het moordend drukke verkeer houdt.
‘Maar we willen helemaal niet naar Suraybaya, we willen naar het busstation”, schreeuw ik hem geërgerd toe.
‘Nee, het is veel beter dat je naar Surabaya gaat!’, schreeuwt hij met de beloning voor het aanleveren van passagiers voor de busmaatschappij in zijn achterhoofd.
Tettje en ik springen bij de eerste gelegenheid uit de langzaam rijdende bus en laten de kleine Javaan achter met zijn dromen. Hij kan niet stoppen en wordt als in een kolkende rivier door de rest van het verkeer meegesleurd.
Maar wij zijn geen stap verder gekomen! Mijn GPS geeft aan dat we alleen maar verder van het busstation zijn gekomen. We kijken eens goed om ons heen en zien aan de overkant een handvol minibusjes staan, met de chauffeurs uit het raam leunend om te zien wat er allemaal voor hun neuzen gebeurde.
Plan drie treed nu in werking! Langzaam, en vol van zelfvertrouwen uitstralend, stappen we met onze rugzakken op de rug geriemd in de richting van Banyuwangi. Na ongeveer een minuut of vijf komt er een minibusje, dat half vol is, naast ons rijden. De chauffeur kijkt ons vragend aan en stopt naast de weg, dit is het moment in te stappen.
“Busterminal”, lacht de chauffeur ons toe.
Terwijl Tettje met zijn rugzak in de bus klimt knik ik bevestigend tegen de chauffeur. We hebben weer een hindernis genomen. Terwijl ik hem de 6000 Rupiah in zijn handen druk scheurt het busje weg. Bij de busterminal aangekomen staat ons echter een onaangename verrassing te wachten. Er vertrekken hier helemaal geen bussen naar andere steden, alleen kleine minibusjes naar bestemmingen rond Banyuwangi.
Na een korte uitleg van een andere reiziger heb ik het eindelijk door. Er is de “busterminal” die de kleine busjes bedient en er is het “busstation” die de intercity bussen bedient. Niet lang gemaald over deze onverwachte fout, de tijd dringt, dus gaan we weer op zoek naar een minibusje die ons naar het “busstation” kan brengen.
Een heel erg dikke chauffeur, die zich als in een Houdini ontsnapping vanachter het stuur naar buiten moet wringen, ziet het wel zitten om ons voor 20.000 rupiah naar het “busstation” te brengen.
‘Busstation, busstation, busstation’, blijf ik herhalen totdat het precies hetzelfde herhaald.
Yes, busstation, busstation, busstation, Keratapi station, Keratapi station’, stottert hij, zich verslikkend in de lange aaneenschakeling van woorden.
En zo zijn we nu dus eindelijk op weg naar het intercity busstation van Banyuwangi. We rijden en rijden totdat de hoeveelheid rijstvelden veel groter is dan de hoeveelheid bebouwing. Onderweg is er nog een lange slanke man opgepikt met een muisachtig boeventronie die zenuwachtig aan zijn kretek sigaret zit te trekken en vanaf de bijrijdersstoel af en toe naar ons omkijkt.
Tettje en ik kijken elkaar recht in de ogen aan en ik krijg een onaangenaam gevoel vanbinnen. Zou dit het einde van onze reis zijn? Zouden we op klaarlichte dag op het platteland van Java worden beroofd? In gedachten maak ik plannen wat te doen wanneer er stront aan de knikker komt. We moeten die twee samen wel kunnen hebben, maar wat wanneer er verder weg nog meer handlangers staan te wachten? Het korte telefoon gesprek dat door de dikke chauffeur wordt gevoerd kunnen we ook niet volgen en laat de spanning alleen maar stijgen.
Maar tot een beroving is het nooit gekomen! De chauffeur stopt aan het einde van een landweg bij het “treinstation”. Op dit moment herinner ik me het woord Keratapi! Trein! Het woord kwam me al bekend voor van mijn reizen in Maleisië maar ik kon het niet plaatsen.
De chauffeur ervan proberen te overtuigen dat “busstation” en “treinstation” toch duidelijk twee heel verschillende dingen zijn is nutteloos, hij wil alleen maar zijn beloning zien. Dus moeten wij ze zelf maar een poets bakken!
Met een brede grijns op zijn mond spreekt de chauffeur nogmaals de verlossende woorden, ‘Keratapi Station’.
‘No, “busstation”, not “trainstation”’, snauw ik hem toe omdat ik mijn geduld begin te verliezen.
‘OK, “busstation”’, lacht hij terwijl hij bijval krijgt van de muis naast hem.
‘Maar dat kost wel 20.000 rupiah extra’, grijnst hij.
Nu heb ik hem in één klap door, effe een stukje omrijden en dan dubbel geld vragen. Kassa! Mooi niet!
Ik vertel hem dat we alleen maar biljetten van 50.000 rupiah hebben dus dat we het hele bedrag betalen wanneer we bij het busstation zijn. Onderweg zitten de twee voorin onafgebroken te lachen en verdelen waarschijnlijk de buit die hun aan het einde van dit ritje te wachten staat. Ook wij lachen vriendelijk en trekken ons strijdplan. Tettje heeft me meteen door en met zo min mogelijk woorden hebben we ons plan voor de aankomst bij het “busstation” klaar.
Bij het busstation aangekomen zie ik op mijn GPS dat we hier al langs zijn gekomen en dat is gelijk een bevestiging van mijn verdenkingen. We stappen rustig uit en terwijl ik met mijn portemonnee/notitieboekje sta te worstelen haalt Tettje onze rugzakken uit het busje. Zodra Tettje het teken geeft dat hij klaar is geef ik de muisachtige bijrijder de afgesproken 20.000 rupiah. De chauffeur probeerde Tettje nog tevergeefs door het kleine zijraam te grijpen in een poging om 20.000 rupiah extra te vangen.
‘Terimah Kashi!’ (Dankjewel), roep ik lachend terwijl we snel de drukke weg proberen over te steken. Met de scheldende dikke chauffeur en zijn kompaan met het smalle muizengezicht omkijkend verdwijnt de minibus uit het zicht. Nu zijn we echt, na de nodige omzwervingen, op het busstation aangekomen.
Nou ja, busstation? We lopen door een brede steeg met aan beide zijden kleine kraampjes die etenswaren en vooral lauw water en frisdrank verkopen, afgewisseld met kleine lokettjes waar ze kaartjes voor de diverse bussen verkopen. Zij zijn net zo verbaasd om ons te zien als wij om hun te zien. Aan het einde van de steeg komen we op een soort rotonde waar de bussen zonder heen en weer te steken hun koppen weer in de richting van de weg kunnen zetten.
Verbaasd laten we ons ergens op lage houten stoeltjes neervallen en drinken wat water. Terwijl Tettje de rugzakken in de gaten houdt ga ik op zoek naar vertrektijden en vervoersbewijzen. Ik had er al rekening mee gehouden dat de meeste bussen vroeg in de ochtend en laat in de avond vertrekken. Geholpen door een vriendelijke oude man, gekleed in een witte jurk met een lange witte baard en een karakteristiek zwart moslim hoedje, een songkok, op zijn hoofd, kom ik bij een klein loket. De man spreekt nog wat woorden Nederlands en dat maakt het een stuk gemakkelijker.
Zonder veel problemen koop ik twee kaartjes voor de bus zonder een prijs er op gedrukt. Ik moet mezelf ertoe dwingen om niet overal een oplichter achter te zoeken. Maar het blijft vreemd! Kaartjes voor een bus naar Malang zonder een prijs er op. Ik druk de oude man 2.000 rupiah in zijn hand als dank voor de hulp. Hij kijkt me recht in de ogen en ik kan niet kiezen of het dankbaarheid is, of wellicht ontgoocheling is dat ik in zijn ogen zie.
Over de vertrektijd van de bus kan de man, achter de dunne roestige tralies van het loket, me weinig vertellen! Die is afhankelijk van de aankomsttijd! Ik krab mezelf eens achter de oren en laat deze opmerking langs me heen gaan. Laat ook maar, denk ik, we zullen wel zien waar vandaag het schip strand. We hebben tijd genoeg en wanneer het niet mocht lukken dan slapen we maar een nachtje ergens anders.
Tettje raakt licht in paniek wanneer ik hem vertel wat ik heb uitgevonden. We kunnen tijdens het wachten niets anders doen dan mierzoete custard cakejes met lauwe frisdrank wegspoelen, en in de Lonely Planet van Indonesië lezen wat we verder tijdens onze reis kunnen gaan doen, terwijl we smachtend wachten op de bus naar Malang. Er gebeurt niets, en ook helemaal niets op dit busstation! We zien geen enkele beweging van een bus , groot of klein. Het lijkt er meer op dat we op een lokale markt zitten te wachten. Met elke seconde die verstrijkt worden we onzekerder. Om de twee minuten op mijn horloge kijken helpt ook niet.
De eerste bus die op de rotonde verschijnt blijkt gelukkig onze bus te zijn. Een bus zonder een echte dienstregeling en smalle banken bekleed met dik zweterig plastic. Het is niet anders. Het vriendelijke aanbod van de bijrijder om onze rugzakken op het dak van de bus  te leggen slaan we maar af. Met de rugzakken op schoot vertrekken we na anderhalf uur wachten eindelijk met de bus naar Malang.
Negen uur hebben we over de busreis naar Malang gedaan! Negen nekhaar rechtovereind zettende uren! Inhaalmanoeuvres uit Amerikaanse actiefilms die je zelfs in je engste nachtmerrie niet zou willen meemaken! Negen lange uren zonder één stop om te eten! Negen uren slechts onderbroken door sanitaire stops van enkele minuten langs verstopte provinciale wegen! Negen uren op een harde oneffen stoel met een dikke zwetende plastic bekleding! Negen uren zweten zonder airconditioning! Negen uren met gitaar spelende bedelaars en lastige medepassagiers! Het enige verzetje was een opstootje van de bijrijder die een bestuurder van de auto voor hen in de file met een houten knuppel te lijf wilde gaan.
Dus na die negen uur rijden we eindelijk het “Arjosari busstation” van Malang binnen. Ik ben moe, vuil, voel me vies, hongerig en aan het einde van mijn krachten. De hele dag niets gedaan en toch helemaal kapot. De eerste taxichauffeur die een vreemde prijs voorstel krijgt een scheldkanonnade over zich heen die hij niet snel meer zal vergeten. Dat zijn de verschijnselen van een lage suikerspiegel. We moeten zo snel mogelijk een slaapplaats zoeken en eten.
Op aanraden van een medepassagier nemen we een kleine blauwe microlet, in de naastgelegen busterminal, richting het centrum van Malang. Een volgepropt busje naar de grote rotonde in het centrum van het oude Malang hebben we snel gevonden. Na een korte rit dropt de minibus ons af bij het Balai Kota. Gelukkig hebben we al snel het hotel, dat we op het oog hadden, gevonden. Het is al kwart over tien wanneer we onze rugzakken in de kamer gooien. Snel eerst nog wat eten en dan naar bed.
Maar ook hier zit het vandaag niet mee! Tijdens het verlaten van de kamer valt de deur na het afsluiten gewoon weer open. Wat ik ook probeer, de deur laat zich niet afsluiten. Er is gewoon teveel ruimte tussen het kozijn en het slot.
Genietend van een zelf gerolde sigaret volgt Tettje mijn bezigheden. Op dit tijdstip van de avond zijn er nog maar weinig medewerkers van het hotel te vinden. De nachtwaker is het er wel mee eens dat dit niet veilig is maar de man achter de receptie weigert ons een andere kamer te geven. Dreigen om weg te gaan helpt niet omdat we al hebben betaald! Mijn charme offensief, met enige hulp van de nachtwaker, werkt en we kunnen verhuizen naar een andere kamer. Alle hindernissen zijn vandaag genomen! Het ging niet allemaal even gemakkelijk maar dat zijn de charmes van het reizen.
De stad is op dit tijdstip verlaten en om half elf is alleen het restaurant met de gouden bogen nog open. Ik zal er niet omheen draaien, de halal hamburgers met patat smaakt ons voortreffelijk na zo’n lange dag. Volgevreten met fastfood en vermoeid klimmen we tussen de lakens in onze haast raamloze kamer. De raamairconditioning maakt herrie als een oude koelkast met een kapotte thermostaat. Morgen blijven we wat langer liggen en na het ontbijt gaan de stad verkennen.

woensdag 14 mei 2008

Indonesië: Een dagje op Bali

Lovina Beach (Rini Hotel)

Precies om half zes klopt de nachtwaker op onze deur. Met een ontheemd gevoel, in opnieuw een andere omgeving, schiet ik na een goede nachtrust direct wakker. We hebben bijna dertig minuten de tijd om ons aan te kleden en ons naar de poort van het Rini Hotel te begeven. We doen dus rustig aan! Aankleden in minder dan een minuut. Terwijl Tettje de koffie met de dompelaar het eerste kopje koffie van de dag maakt bezet ik de badkamer. Scheren komt morgen wel! Met een oog op mijn horloge drinken we de welkome hete koffie. Ik heb er een bloedhekel aan om te laat te komen. Om zes uur aan de poort van het Rini Hotel is de afspraak. We gaan vandaag de zee op om dolfijnen te spotten!
Het is niets nieuws! De opkomst van het massatoerisme heeft ervoor gezorgd dat veel lagen van de lokale bevolking een beter leven hebben gekregen. Het toerisme zorgt ervoor dat een hele grote groep van de bevolking nu een bestendig inkomen heeft. Helaas is er ook een keerzijde! Omdat het aantal toeristische top attracties niet recht evenredig toeneemt met de stroom toeristen worden er veel onzinnige attracties bijgebouwd of simpelweg bedacht.
Pretparken zijn heel duur en nemen veel tijd in beslag door de planning en de realisering van die plannen. En de hopeloze corruptie in dit soort landen maakt het haast onmogelijk om iets moois te realiseren. Dus worden er ter plaatse veel bezigheden en attracties voor de toeristen bedacht. Een van de meest vreemde attracties die ik tijdens mijn reizen ben tegengekomen is ongetwijfeld “The Dog Cemetery” net buiten Corrigin in Western Australië. Omdat er in een straal van 100 Kilometer niets anders dan bush en heuvels zijn is deze verzameling dode honden tot toeristen attractie gepromoveerd. Je moet het maar interessant vinden?
Terwijl we ons aan de buitenkant van de stalen poort posteren vraag ik mezelf zachtjes af waarom we ons door de verkoper van deze excursie hebben laten verleiden. We gingen toch alleen even naar het internetcafé? Vroeg je bed uit om een paar zwemmende zoogdieren vanuit een gammel bootje voor je uit te zien golven kan toch onmogelijk een hoogtepunt van je vakantie op Bali zijn?
We staan er nog niet erg lang wanneer de kapitein van de traditionele Balinese vissersboot samen met nog een passagier in de verte uit de schemering opdoemt. De andere passagier voor vandaag is een vrouw van eind jaren vijftig die opnieuw de bloemenlente beleeft. Alles is zonneschijn, rozegeur en liefde voor haar.
We proberen uit beleefdheid een gesprek met haar aan te knopen maar komen niet verder dan een hallo en een opgestoken hand. De kapitein grijnst onafgebroken en maakt daarbij vreemde geluiden, alsof hij een hond is die een prooi verscheurd. De vrouw bekijkt ons steeds met gepaste voorzichtigheid alsof we het slechtste met haar voorhebben. Nu moet ik eerlijk bekennen dat we er niet helemaal betrouwbaar uitzien in onze vuile tropenuitrusting. De kapitein schijnt haar vertrouwen wel te hebben dus ratelt ze aan een stuk in een Engels dat me bekend in de oren klinkt.
Ze spreekt met een zwaar Australisch accent. Voorzichtig probeer ik me nog een keer in het gesprek te mengen terwijl de nacht plaats maakt voor de ochtendschemering. Mijn inmenging wordt niet op prijs gesteld! Ze maakt me, met een korte onvriendelijk opmerking, duidelijk dat ze het druk heeft met de kapitein van de boot. Ik schuif mijn hoed achterover en krab eens op mijn voorhoofd. Vooroordelen stromen door mijn hoofd.
Net gescheiden!
Man met een jongere vrouw aan de horizon verdwenen!
Goede financiële afhandeling van de scheiding!
Eerst maar op reis naar exotische landen ver van het saaie aanrecht!
Op zoek naar jezelf!
Verder gaan daar waar je voor je huwelijk was gebleven!
Een bevestiging voor jezelf dat je nog een aantrekkelijke vrouw bent!
Dromen van een eenvoudig leven op een tropisch eiland!
Zonder zorgen oud worden met een man die er niet met een jongere vrouw vandoor gaat!
Met zijn vieren arriveren we aan het zwarte strand van Lovina Beach. Het zwarte zand heeft iets magisch in het schemerdonker. Wit is maagdelijk, wit is schoon! Dat is door de marketingstrategen in onze hoofden gepland. Natuurlijk is diepblauw water het mooiste naast een wit strand maar een zwart strand heeft ook zijn charmes.
We zijn de enige op het strand en dat verbaasd me enerzijds en verblijd me anderzijds. Het lijkt me mooi om met slechts enkele boten op zoek te gaan naar de zwarte dolfijnen die hier ‘s morgens, voor hun ontbijt, voor de kust verschijnen. Met verenigde krachten duwen we met zijn vieren de kleine houten vissersboot over armdikke bamboe stokken. Langzaam en geluidloos schuift de boot de lichte branding in.

Tettje heeft een klein probleem met zijn zware wandelschoenen terwijl hij aan boord van de boot probeert te komen. Verbaasd kijk ik naar zijn natte soppende schoenen en vraag me af waarom hij zijn sandalen niet aan heeft. Het zal wel het vroege uur en het automatisme van het aankleden zijn geweest! Mijn vermoedens over de veroveringsplannen van de vrouw worden bevestigd wanneer ze achterin de boot naast de kapitein plaatsneemt. En om het nog vreemder te maken gaat me met haar gezicht naar hem toe zitten, tegen de vaarrichting van de boot in! Wij zoeken zonder een woord van de kapitein te hebben gehoord een plaatsje en halen onze schouders op. We hebben we erger meegemaakt!

Met het monotone geluid van van de kleine buitenboordmotor op de achtergrond snijd de boot als een scherp mes door het haast gladde pikzwarte water. Opnieuw een zonsopkomst en misschien wel de mooiste tot nu toe tijdens onze reis in Indonesië! Deze haast maagdelijke ervaring duurt niet lang! Aan de donkere horizon zien we een tsunami van zeker dertig tot veertig andere boten uit het schemer op ons afkomen.

De kapitein lacht verlegen naar de flirtende vrouw en wijst met uitgestrekte arm naar de armada van toeristen die recht op ons af komt, om zo ook even de aandacht van hem weg te leiden. Op dat moment vraag ik mezelf af wat er überhaupt te zien is. Met een mooie zonsopkomst in de rug varen we steeds verder van de kust terwijl de oude Australische hippie heel vreemde oergeluiden begint uit te stoten.
'Hee-Haaa-Hoeoeoeoeoeoe', klinkt het onafgebroken van achter Tettje.
We kijken elkaar aan en proberen onze lach te onderdrukken. We halen herinneringen op over een soortgelijke ervaring, jaren geleden in Bangkok. Het is tevergeefs! Ik weet niet meer wie als eerste het masker van het strakke gezicht liet zakken maar enkele momenten later zitten we samen te schateren van het lachen terwijl de andere twee ons verbaasd aanstaren.

Meer dan tweehonderd ogen turen in de verte over de zee om te zien of er rugvinnen van dolfijnen te zien zijn. Wanneer eenmaal de eerste groep van drie dolfijnen is gesignaleerd varen alle kleine schepen gevuld met toeristen er naar toe. Het is geen toeval dat de drie dolfijnen snel onder water verdwijnen om een paar honderd meter verder weer boven te komen. Dit ritueel herhaalt zich meer dan een uur en heeft zijn aantrekkingskracht voor mij al binnen vijf minuten verloren. Maar niet voor de oude vrouw die tussen de kapitein en Tettje zit! De verlegen kapitein schenkt geen aandacht meer aan haar zodat ze zich heeft omgedraaid en Cupido nu zijn pijlen op Tettje richt.
Elke keer wanneer ze een dolfijn in het oog krijgt geeft ze Tettje, die met zijn rug naar haar toe zit, een por tussen zijn ribben en roept ze op een hoge toon, 'Oooohhh Hee-Haaa-Hoeoeoeoeoeoe Dolphins'.
Gelaten laat Tettje het over zich heen komen, maar hij is er zichtbaar niet blij mee. Voor mij wordt door het zure gezicht van Tettje deze dag alleen nog maar mooier! Het kat en muis spel tussen de boten en de dolfijnen is snel voorbij en na een half uur vruchteloos te hebben rondgevaren gaat onze boot weer terug naar het zwarte strand vanwaar we zijn vertrokken. De andere boten verdwijnen weer aan de horizon naar het toeristenstrand dat we gelukkig vermeden hebben.

Ik was blij dat het eindelijk voorbij was en dat we aan onze verdiende rustdag konden beginnen. De rest van de dag is zo rustig dat een bewoner van een bejaardenhuis zich waarschijnlijk dood verveeld zou hebben. De vuile was verzorgen, internetten en een beetje lezen wat we de volgende dagen kunnen gaan doen. Afgewisseld met een duik in het zoute water van het zwembad en een gesprek met Michael (Miehail in het Gealic) en zijn ouders.
En zo komt er een einde aan onze eerste echte halve rustdag. ’s Avonds drinken we wat meer dan gepland maar we hebben goede herinneringen aan een dag op Bali.

dinsdag 13 mei 2008

Indonesië: Kawa Ijen

Lovina Beach (Hotel Rini)

Een kwartier voordat de wekker, om half zes, afliep werd er op de deur geklopt. Ik had redelijk goed geslapen en was meteen aan de deurklink. Toen ik de deur opende klonk het door een smalle kier.
'Goodmorning Misterrrrrr, not forget my tip?', het was onze chauffeur.
Ik sloeg de deur snel weer dicht en keek Tettje, die ook al rechtop in zijn bed zat, het slaapzand uit zijn ogen wrijvend, verbaasd aan.
'Ik wil alles met je verwedden dat de gekookte eieren die we straks bij het ontbijt geserveerd krijgen, hardgekookte koude eieren zijn!', borrelde spontaan uit mijn gedachten op en nu keek Tettje op zijn beurt mij verbaasd aan.
Het duurde even dat het tot hem doordrong waar ik het over had. We hoefden niet al teveel in onze rugzakken te pakken en we maakten van dat korte moment dat tot onze beschikking stond gebruik om twee kopjes instant koffie te maken. Dat pakken ze ons in ieder geval niet meer af! Tettje verbaasde zich en piekerde nog steeds over mijn voorspelling van het ontbijt dat we waarschijnlijk geserveerd zouden krijgen. Het is allemaal bekend terrein voor me en ik weet hoe deze mensen denken. De eerste indrukken in een situatie zijn altijd heel belangrijk en krijgen vaak een vervolg. Goede indrukken krijgen heel vaak een vervolg, zo ook slechte indrukken.

De bus, inclusief de glimlachende en opnieuw om een goede fooi vragende chauffeur, stond al voor de deur van de slaapvertrekken op ons te wachten. De rugzakken gingen weer naar de middenbank en wij struinden door het met dauw bedekte gras naar het ongezellige restaurant. Het is best fris op deze hoogte zo vroeg in de ochtend!
Eenmaal op het buitenterras gezeten werden al mijn voorspellingen bewaarheid. Per kamer staat er een bord met, in ons geval zes kleine witte harde droge boterhammen, overtrokken met cellofaam, klaar. Een kleine goedlachse Javaan, die we gisteren niet hadden gezien, leidt ons onvriendelijk en bijna hardhandig naar de gereedstaande tafel. Er is geen ruimte om van tafel te wisselen want dan komt heel het schema in de war! Een treurig schoteltje met chocolade hagelslag of een vreemde roodkleurige substantie, die op soldeerpasta leek, en voor aardbeienjam moest doorgaan staan in het midden op de tafel op ins te wachten. Zelfs de altijd rijkelijk aanwezige insecten in de tropen laten deze lekkernijen links liggen. De eieren zijn treurig koud, precies zoals ik voorspeld heb en combineren niet erg best met de lauwe slappe thee en harde oude boterhammen. We zijn blij dat we de Arabika Homestay na een nacht kunnen verlaten en op weg gaan naar het tweede hoogtepunt van onze reis.
Met slechts een beetje brandstof in mijn maag voor de beklimming naar de krater van de Kawa Ijen stappen we in het busje waar de Belgen, ook zichtbaar teleurgesteld over het ontbijt, al op ons zitten te wachten. Binnen enkele minuten wordt de wereld voor ons veel kleiner door het beslaan van de ramen in de bus. Het vocht uit de adem van de zes passagiers plus de bestuurder van het busje condenseert op het koude glas van de ruiten. De chauffeur begint nerveus met een vettige lap katoen kleine cirkels op de ruit voor hem te maken om zo een kijkgaatje voor hem alleen te forceren. Tevergeefs! Hij kijkt me verontschuldigend aan en ik probeer hem met mijn ogen naar de de verwarmingshendels op het dashboard te leiden.
‘Auto’s in Indonesië hebben geen verwarming!’, lacht hij me toe, hij maakt dit waarschijnlijk wel vaker mee.
Ik ben verbaasd dat hij niet van het moment gebruik maakt om weer over zijn fooi te beginnen. Geen verwarming in de auto? Ik weet het, het klinkt gek maar wel logisch. Wat moet een auto in de tropen met een verwarming? Ik open het zijraam aan mijn kant om de koude lucht binnen te laten en de warme vochtige lucht naar buiten te dringen. Onze chauffeur is onder het rijden nog steeds druk bezig om met die oude vette katoenen boendoek de ramen zo doorzichtig mogelijk te houden. Met in zijn ene hand de boendoek, afgewisseld door een sigaret, en in zijn andere hand het stuurwiel rijden we langzaam en in alle stilte over de koffieplantage richting het startpunt van onze trek naar het kratermeer van Kawah Ijen.
De ramen van het busje worden langzaam weer transparant en met elke meter die we dalen wordt de buitenlucht warmer. De weg naar het startpunt van de trek naar de krater van de Kawa Ijen is geen gemakkelijke! Het eerste stuk over de plantage is een drama, het tweede deel over de openbare weg is niet veel beter. Indonesië is een land rijk aan grondstoffen maar de corrupte regeringen gebruiken het geld liever voor zichzelf dan voor het verbeteren van de infrastructuur. Na een onoverzichtelijke bocht, met veel te hoge snelheid, moet de chauffeur plotseling met veel kracht op de remmen. Zonder enige waarschuwing vliegen de passagiers door het kleine busje.

De chauffeur kijkt verontschuldigend over zijn schouder, ‘Een klein probleempje!’
Voor een moment schiet er door mijn hoofd dat we het slachtoffer zijn geworden van een geplande roofoverval. Er ligt een omgevallen, of omgehakte, boom over de weg. Aan de andere van de omgevallen boom kant staat een auto stil. Twee kleine Javanen doen hun best om de boom te verplaatsen. Tevergeefs, dus is onze verschijning voor hun een geschenk uit de hemel. Zes grote sterke Europeanen hebben de klus zo geklaard en kan iedereen zijn weg weer vervolgen.
Daar staan we dan op de parkeerplaats vanwaar de trek naar het kratermeer begint. 15.000 Rupiah entree, het wachthuisje met daarin de kassa gevestigd is, èn blijft, gesloten. Met onze jassen aan en voldoende water beginnen Tettje en ik meteen aan de beklimming naar de kraterrand van de Kawa Ijen. Wachten om je geld kwijt te kunnen heeft geen zin. Het duurt niet lang of Tettje heeft zijn eerste vijf minuten rust nodig. Hij is overmand door twijfel. Hij twijfelt of hij de trek naar 2380 meter hoogte wel aan kan. Zo’n trek zit voor het grootste gedeelte tussen je oren. Je moet je gedachten gewoon uitschakelen door jezelf, met behulp van het monotone stappen, in een trance te brengen. De rest gaat dan vanzelf. Al coachend en positief denkend neem ik hem mee richting de top. De zes Belgische jongens halen ons al snel in en Tettje volgt bedenkend hun soepele tred totdat ze uit het oog zijn verdwenen. Hij twijfelt zichtbaar en kijkt naar het pad voor ons omhoog. Hij vraagt zich af of hij het wel zal halen.
'Ik haal het wel maar op mijn eigen tempo!', klinkt het geruststellend uit zijn mond.
'Oké, doe maar rustig aan, we halen het wel', antwoord ik op mijn beurt.

We slepen onszelf met een gestadige, maar niet al te snelle pas naar boven. We stoppen wanneer het nodig is en nemen uitgebreid de tijd om te rusten en te drinken. Het is niet druk hier maar we worden desondanks toch enkele malen ingehaald door wandelaars die soms zelfs duidelijk ouder zijn dan wij. Dat zet ons aan het denken! Zijn wij dan niet fit? De inhaalbeweging van een ouder stel gestoken in kleurige trainingspakken werkt als een rode lap op een stier. De pauzes worden minder en de snelheid gaat omhoog. De zak roltabak blijft bij Tettje in zijn jaszak.

De eerste zwavelverzamelaars komen ons op het smalle pad tegemoet en zijn al met hun volle manden ruwe zwavel op weg naar beneden. Deze zwaveldragers gaan bij het verschijnen van de eerste zonnestralen het pad op omhoog om zo van elke seconde daglicht te kunnen profiteren. Ze verdienen voor Indonesische begrippen een stevig salaris. Maar het is zwaar werk! Ongezond werk zou ik het niet direct willen noemen want ze zien er allemaal topfit uit!
In verschillende reisgidsen hebben we gelezen dat de dragers er een hekel aan hebben om steeds te moeten stoppen om met de toeristen op de foto te gaan. Begrijpelijk wanneer je elke keer je wandeling, met een zware last op je schouder, moet onderbreken om te poseren met een rijke toerist. Ze vragen zonder ook maar een moment te twijfelen om contant geld, maar een sigaret slaan ze ook nooit af! Dus hebben wij in Surabaya twee pakjes kretek, sigaretten met kruidnagel aroma, gekocht om zo de zwaveldragers te kunnen belonen. Geld geven staat voor mij gelijk aan een bedelaar geld geven, en daar ben ik uit principe op tegen.
De grote brokken zwavel lijken, waarschijnlijk door zijn lichtgele kleur, vederlicht. De overvolle manden dagen je uit om het zelf eens te proberen. En ik kan jullie verzekeren dat ze zwaar zijn, gemiddeld zestig kilo, en soms zelfs meer dan tachtig kilo. Dat is bijna twee keer het gewicht van de drager!

Ik zet mijn schouder er onder en er gebeurt niets, de manden met de bamboesteel ertussen komen niet eens van de plaats. Nee serieus! Tettje staat me aan te kijken met een uitdrukking op zijn gezicht dat ik de zaak in de maling sta te nemen. Ik schud ontkennend met mijn hoofd en probeer het nog een keer. Nu met meer overtuiging dan de eerste keer en de manden komen weliswaar een beetje omhoog maar door het buigen van de bamboe drager verlaat de bodem van de manden de rotsen langs het pad nooit.

We klimmen en klimmen steeds hoger. De wolken komen langzaam dichterbij! Voordat we door de wolken heen gaan passeren we een weegstation. Hier gaan de manden van de schouders en worden gewogen. De dragers controleren het gewicht van hun manden. Er wordt niets opgeschreven? Dat is vreemd. Ik denk dat ze het gewicht voor zichzelf controleren om zo de motivatie voor de lange tocht naar beneden op te krikken. Het weegapparaat, een unster met een enorm contragewicht dat over een dikke ijzeren staaf wordt geschoven, verteld keer na keer de grote van de beloning die de drager onder aan het pad staat te wachten.
De periodes van wandelen tussen de ruststops worden, na de korte onderbreking bij het weegstation, steeds korter totdat we gezelschap krijgen van een oudere dame uit Zwitserland. Al pratend lopen we in een goed tempo naar boven en met Tettje in onze kielzog bereiken we sneller dan verwacht de kraterrand. Zelfs Tettje is er verbaasd over dat het laatste stuk vanzelf is gegaan en dat hij geen één keer heeft moeten te rusten.

Met open monden kijken we naar het lichtblauwe water in de dampende krater. Het is onmogelijk om te beschrijven hoe het is om in Indonesië op een actieve vulkaan te staan op ruim 2300 meter hoogte. Ver boven de wolken ben ik gewoon op de rotsen gaan zitten en heb geprobeerd om alles zo goed mogelijk in me op te nemen.

Het is nog vroeg maar tegelijk al te laat om naar de bodem, het kratermeer, af te dalen en met een gerust hart neem ik de raad van een passerende parkwachter aan. Ik weet namelijk zeker dat ik hier nog wel een keer zal terugkomen. De zon verwarmt mijn vermoeide lichaam terwijl ik geniet van het uitzicht. Een heel mooie beloning na een heerlijke inspanning.
De grootsheid en uitgestrektheid van deze natuurlijke fenomenen zijn onbevattelijk! Ver onder ons, vlak bij de oevers van het kratermeer, lijkt het dat er een mierenkolonie aan het werk is. Wij weten dat het mensen zijn, kleine sterke getaande Javanen, die mand na mand, dag in dag uit, jaar in jaar uit, het zwavel de krater uit en de vulkaan af slepen om hun dagelijks brood te verdienen.
De wolken beginnen zich weer op te bouwen en hoewel het nog erg vroeg is is het voor ons toch de hoogste tijd om aan de tocht naar beneden te beginnen. We werpen een laatste blik naar het lichtblauwe meer met zijn dampende krater en beginnen aan de tocht naar beneden. Tettje is duidelijk onder de indruk van de beloning na de vermoeiende klim. Het is nu eenmaal zo dat je een beetje moet lijden om deze mooie plaatsen te kunnen zien. De vulkanen van Indonesië zitten er voorlopig voor ons op en we zijn nu op weg naar Bali!

Tijdens de afdaling passeren we nog enkele groepen dragers met hun volle manden. Dat levert nog mooie plaatjes op!

Onder aan het pad aangekomen hangt de Indonesische vlag van het wachthuisje slap langs de mast. De wolken hebben ons bijna ingehaald en van de zon is er weinig meer te zien. Net als van het minibusje met onze rugzakken. Voor de tweede keer vandaag zie ik ons in een klein kantoortje van een politiebureau aangifte doen terwijl we hard worden uitgelachen door de diensthebbende agenten. Ben ik depressief?
Tettje stelt me gerust en wijst naar een zwaaiende parkwachter op de veranda van het wachthuisje. Dit is waarschijnlijk een van de weinige plaatsen waar je toegang moet betalen bij het verlaten van het park? Alsof de parkwachter onze onrust van onze gezichten kan aflezen verteld hij dat de chauffeur over een uurtje weer terug is.


Opgelucht gaan we de buurt verkennen en volgen enkele dragers naar hun doel. Om de hoek, achter een hoge aarden wal, zien we de andere kant van het pittoreske plaatje van de vulkaan met hun iconische zwaveldragers. Hier worden de zaken afgehandeld. Het zwavel gewogen en achter de naam van de drager wordt de hoeveelheid genoteerd. Niet ver van de weegschaal staat een grote container waar de zwavel in wordt opgeslagen totdat hij word afgevoerd.  De meeste dragers horen gelaten aan hoeveel ze van de berg af hebben gesjouwd en aan hun gelaatsuitdrukking valt af te lezen dat het meestal tegenvalt. Nog een sigaret en dan voor de laatste keer de berg op en neer om nog een lading zwavel te halen.
Ondertussen is het busje met onze bagage ook weer gearriveerd en de chauffeur herinnerd ons er direct aan dat we zijn fooi voor vanmiddag niet mogen vergeten. Het is voor hem zelfs geen probleem wanneer we hem nu al zijn fooi geven. De Belgen hebben het gesprek ook aangehoord en kijken ons verbaasd aan. Zonder een woord te zeggen nemen we onze plaatsen weer in en gaan op weg naar de veerboot steigers van Banyuwangi.
Mochten jullie hier ooit terecht komen koop dan van tevoren een paar pakjes van die kretek sigaretten, bijvoorbeeld Gunang Garam. De dragers van de zwavel vragen de sigaretten als tegenprestatie voor het nemen van foto’s. Kretek sigaretten zijn nu eenmaal heel gewild in Indonesië.
In Surabaya hadden we dus besloten om een korte zijsprong te maken naar het eiland Bali. Dit Indonesische eiland met haar bijzondere cultuur spreekt tenslotte tot ieder zijn verbeelding. De rit naar de veerboot was niet meer dan een saaie verplaatsing waarbij de vulkaan steeds op de achtergrond te zien was. Na aankomst wisselen we de laatste ervaringen uit met de Belgische jongens en zijn blij dat we eindelijk bij de poort van de ferryterminal staan.

Met vragende ogen als van een trouwe waakhond staat onze chauffeur naast zijn busje te wachten. 60.000 Rupiah fooi valt hem ten deel, we zijn het zo onderling overeen gekomen. Hij heeft goed zijn best gedaan maar de poging tot oplichting van gisteren aan de poort van de plantage heeft hem wel de helft van zijn fooi gekost. Nadat ik hem dat aan zijn verstand heb gebracht staat hij beteuterd te kijken. Ik denk dat hij die streek de volgende keer misschien niet meer uithaalt.
Alsof de fooi nog niet genoeg voor hem is gaat hij meteen aan de slag om ons in de armen van de sjacheraars te drijven die de buskaartjes naar verschillende bestemmingen op Bali verkopen. Hij zwaait met zijn armen en roept wat naar de andere kant van de straat. In een flits zijn we omringt door een groep oncontroleerbare Javanen en Balinezen die aan ons staan te plukken en te trekken als een troep leeuwen om hun net gedode buit. Een onverstaanbaar kabaal. Alleen Misterrrr, met zijn karakteristieke rollende R is te onderschijden. Als boomstammen op een kolkende rivier laten we ons in de menigte meedrijven richting de veerboten. Er wordt niet eens geluisterd naar wat we zeggen! Zo komt het dat we in een grote autobus terecht komen waar we snel en vakkundig door een van de sjacheraars in een stoel worden gedrukt.
'60.000 rupiah per persoon!', schreeuwt er één in mijn oor.
'Mag ik ook weten waarvoor?', antwoord ik hem.
'Ja, 60.000 rupiah per persoon voor de expresbus naar Denpasar!', snauwt hij.
'Dan gaan wij weer, want wij willen helemaal niet naar Denpasar!', lach ik hem toe.
En zo verlaten wij de bus weer aan de achterzijde terwijl we snel afscheid nemen van onze Belgische reisgenoten. Gevolgd door een leger van andere sjacheraars lopen we samen onder een brandende tropische zon de veerboot op.

Aan de andere kant van het water, na een korte overtocht, staat ons weer een andere verrassing te wachten. Wegens het tekort aan passagiers wordt het vertrek van de bus naar Singaraya vanaf half twee steeds met een half uur uitgesteld. Zoals door een voorbijganger voorspeld verlaat onze bus pas om vier uur het busstation naast de ferryterminal van Gilimanuk.

Onderweg wordt er ook nog eens om de honderd meter gestopt en zo komt het dat we in het donker rond half zeven bij een verkeerslicht in Lovina Beach uit de bus worden gezet. Tijdens het wegrijden van de bus roept de kaartjes verkoper ons nog wat na en wijst in de richting van een kleine zijstraat. Daar moet het dus zijn, het “Rini Hotel”.
Na een paar honderd meter door een slecht verlichte en verlaten straat staan we voor de gepantserde stalen poorten van het Rini Hotel. Het blijkt een soort resort te zijn met bungalows en een paar gebouwen van twee verdiepingen die waarschijnlijk de goedkoopste kamers bevatten. Het lijkt een vriendelijke en mooi hotel, maar de duisternis kan bedriegen. De late aankomst zal ongetwijfeld de prijzen omhoog hebben gedreven maar daar laat ik me niet door verrassen.

Een kort gesprek van slechts enkele zinnen is voldoende om een bungalow voor twee nachten te boeken. Wel eerst even gaan kijken waar we slapen voordat we betalen! Onze bungalow is ongelofelijk mooi voor de 200.000 Rupiah die ik heb afgedongen.
'Hello Johnnie', klinkt het bij terugkomst aan de receptie.
Ik kijk verbaasd om me heen en realiseer me niet meteen dat een jongen die ik drie maanden geleden in Sri Lanka heb ontmoet hier met zijn ouders voor me staat. Is dat te geloven? Drie maanden en een handvol bestemmingen later staan we weer naast elkaar in een hotel op Bali, en het is niet eens mijn plan geweest om hier naar toe te gaan! Er gebeuren onderweg nu eenmaal vreemde dingen! We spreken kort met elkaar en stelt zijn ouders voor die hem zijn komen opzoeken tijdens zijn wereldreis, morgen aan het zwembad kunnen we in alle rust bijpraten.
Na een heerlijke maaltijd en een paar flessen bier liggen we alweer voor tien uur op bed. Morgen opnieuw om half zes op om dolfijnen te gaan kijken. Daarna gaan we een heerlijke rustige dag aan het zwembad tegemoet.
Copyright/Disclaimer