zaterdag 1 maart 2008

Sri Lanka, alles op één hoop

Polonnaruwa, 01/03/2008

Goedemorgen, vandaag wordt één van de drukste dagen van mijn reis naar Sri Lanka. We hadden natuurlijk de wekker gezet en de eigenaar laten weten dat we vroeg wilden eten. Om precies zeven uur zaten we aan het ontbijt en hadden een gesprek met als hoofdonderwerp hoe verschrikkelijk dom de regels voor het bezoeken van de bezienswaardigheden in de culturele driehoek waren. Seconden na half acht gingen we op weg, we hadden onszelf twee uur gegund voor de “Lion Rock”. Vandaag zouden we, met de precisie van een militaire operatie, twee belangrijke culturele plaatsen bezoeken.
De toegangsprijzen voor de bezienswaardigheden zijn nu flexibel en beter gezegd “dagprijzen”. De regering heeft met de enorme inflatie in het land besloten om de prijzen nu maar meteen te verdubbelen én in Amerikaanse Dollars te rekenen. Zo zijn deze inkomsten tenminste inflatievrij. Veertig dollar om drie plaatsen te zien is misschien wel een redelijke prijs maar niet als je bedenkt dat je maximaal één dag per plaats mag zijn. Als je ’s middags om twee uur begint en het park sluit om zes uur dan zit je dag er op. Heb je nog niet alles gezien dan kan je altijd nog een tweede kaartje kopen voor twintig dollar. Er is hier niemand maar de weinigen die er zijn reizen als razende Roelands tussen de plaatsen heen en weer, zo ook wij.
Dus op weg naar de “Lion Rock”, via een stevige omweg kwamen we bij de poort aan en kochten de kaartjes. Afscheuren en de nummers opschrijven, heel veel zinloos werk. Er was dus geen levende ziel op de berg, uitgezonderd een oudere Amerikaanse vrouw die ook bij ons in het guesthouse verbleef. Wij waren dus nummer twee en drie van de dag. De souvenirverkopers straalden wanhoop uit, hun inkomsten waren misschien nog maar een tiende van wat het was geweest sinds het conflict opnieuw was aangewakkerd. Ons soort koopt nu eenmaal niets van die rotzooi omdat wij daar niets om geven en het alleen maar plaats inneemt in de rugzak.
De rots lag oppermachtig in de opkomende zon aan het einde van een brede laan. Vroeger waren er hier uitgebreide tuinen geweest met ingewikkelde hydraulische systemen. De Srilankanen praten graag over een paleis op de top maar het is onomstotelijk vastgesteld dat zich hier altijd een klooster heeft bevonden. Het eerste stuk van de beklimming ging tussen rotsen door en leidde tot de eerste stenen trappen. Links en rechts van het pad meer tuinen met exotische namen en beschrijvingen.
Ongeveer halverwege de berg kwamen we bij de “Fresco’s” en vol onbegrip keken Graham en ik elkaar aan. Deze fresco’s hadden we gisteren verwacht te zien bij de gouden tempel als we de entree hadden betaald. Samen hadden we het dus mis gehad en we stonden nu oog in oog met enkele van de belangrijkste kunstschatten van Sri Lanka. Twee bewakers trokken dikke gordijnen aan de kant zodat we goede foto’s zonder flits zouden kunnen maken. De fresco’s zijn van een ongekende schoonheid!
Helaas tikte de klok door en we moesten afdalen over de oude spiraaltrap naar de “Spiegelwand”. Deze gestuukte muur werd vroeger ingesmeerd met bijenwas totdat hij glom als een spiegel. De monniken konden zo duizend jaar geleden hun eigen spiegelbeelden bewonderen. Wij waren niet echt onder de indruk.
De klauwen van de leeuw was na een stukje klimmen het volgende onderdeel van de rondleiding. Ook hier hebben de Srilankanen hun fantasie de vrije loop gelaten en de meest fantastische doeleinden bedacht en beelden gevormd. Niemand heeft het ooit gezien of beschreven en zo is dit het grote onbekende. Wat wel van deze tijd is is het oerlelijke roestende hek dat er omheen is geplaatst. Het dient geen enkel doel behalve het onmogelijk maken van een mooie foto. Dat word een paar uur “Photoshoppen” om dat lelijke hekwerk te verwijderen!
Snel verder naar de top om de grote hal en het reservoir te zien. Op honderdzeventig meter boven de vlakte staan de funderingen van de oude hal waarin zich ongetwijfeld ooit een mooie Boeddha heeft bevonden. Ook hier is de flauwekul troef, voetstukken voor Boeddhabeelden die precies naar het oosten wijzen (opkomende zon) worden aangeduid als de troon voor de koning die hier ooit zou hebben gewoond. Welke koning zou tegen de wand van een gebouw gaan zitten aankijken terwijl twintig meter verderop een zwembad vol met naakte vrouwen is? Aan de andere kant van de rots, naar het westen wijzend (ondergaande zon) wordt dit verhaal ook stug volgehouden. Maar welke koning zou in de koude schaduwkant van paleis gaan zitten kijken? Mannen doken op uit het niets en bleven naast je lopen. Al nonsens uitslaand over de paleizen, koningen en andere fantasie verhalen over de plaatsen die we passeerden. Na een tiental minuten werd de hand dan opgehouden dat ze wel 500 Roepies konden gebruiken voor hun bewezen diensten. Graham en ik keken elkaar aan en liepen onverstoord verder.
De “Lion Rock” in Sigirya zat er op en we hadden iets meer tijd verbruikt dan we dachten. Geen probleem zolang we maar geluk hadden met de aansluiting voor de bus naar “Polonnaruwa”. De rekening in de “Nilmini Lodge” werd betaald en met een groet plaatsten we ons aan de overzijde van de weg. Binnen tien minuten zaten we in de bus op weg naar de splitsing vanwaar we de volgende bus zouden nemen.
We hoefden niet al te lang te wachten op de bus naar “Polonnaruwa”, maar deze was wel bomvol en we moesten staan. Als sardientjes in een blik stonden we in het gangpad van de bus. We stonden schrap om niet om te vallen bij een onverwachte beweging van de bus. Niet teveel nadenken en alles uitschakelen, dan gaat de tijd het snelst! Mijn schouder deed nu weer flink pijn sinds ik met de pijnstillers was gestopt. Nou ja, ik was niet gestopt, ze waren gewoon op. Een schreeuw bij elke pijnscheut deed de bus in een hardop lachende menigte veranderen. Ik moest er zelf ook wel een beetje om lachen.
“Polonnaruwa”, de hongerige troep sjacheraars en Tuk-tuk chauffeurs stond al te wachten op de hulpeloze rugzaktoeristen. Ik kreeg er nu echt genoeg van en elke keer als er één recht voor me ging staan en mijn pad blokkeerde kookte mijn bloed. Rustig aan jongen! Laat het maar aan Graham over, hij is een Indiaganger en dus de rust zelf in deze situaties. Ik vroeg niet eens wat de plannen waren, ik volgde zwijgzaam “Graham de meester”. We kwamen uiteindelijk in het “Manel Guest House” terecht. Ik controleerde de kamer en die was goed genoeg voor één nacht. De rugzakken werden naar binnen geslingerd en wij probeerden om zo snel mogelijk weer op pad te zijn. Nu werd het echt duidelijk dat er helemaal geen toeristen zijn in Sri Lanka en hoe wanhopig de mensen zijn. Het personeel van het guesthouse bleef tot in het treurige maar doorzeuren over allerlei services die ze konden verlenen maar waar wij geen enkele behoefte aan hadden. Het was best zielig maar als ik nu eenmaal wil lopen dan huur ik geen fiets.
Licht geïrriteerd stapten we de hete middagzon in om de ruïnes van “Polonnaruwa” te gaan bezichtigen. In de haast was de eerste fout snel gemaakt, we vergaten om eerst het museum te bezoeken en zo wat meer informatie over de ruines te krijgen. Jammer, maar het maakte uiteindelijk weinig uit. Zonder in details te treden kan ik eigenlijk alleen maar zeggen dat het een schitterend park is en zeker de moeite waard om te bezichtigen. De vier Boeddha’s die je aan het einde van de wandeling bezoekt zijn de mooiste die ik tot nu toe in Azië heb gezien. Het is alleen jammer dat één of andere gek er een lelijk dak boven heeft laten zetten. Het is haast onmogelijk om ze te fotograferen zonder lelijke schaduwen of gedeeltes van het dak.
Het was ondertussen al vijf uur en we hadden dus nog tijd om het museum te bezoeken, we moesten dan wel flink doorstappen om weer in het dorp te komen. Met zweet op mijn voorhoofd en rug waren we precies om half zes bij het museum. Een half uurtje zou voldoende zijn. Op de weg naar binnen passeerde wij het net naar huis gaande personeel van het museum. Wij waren beiden verbaasd want we wisten dat ze pas om zes uur zouden sluiten. Bij navraag bleek dat als het heel rustig was ze wel eens eerder naar huis gingen. Nou, het zou in de toekomst wel eens elke dag heel rustig zijn maar daar hadden wij niets mee te maken. Veertig dollar was er betaald en wij wilden nu ook het museum zien.


Het ging niet van harte en dat schoot bij mij meteen na deze stressvolle dag in het verkeerde keelgat. Ze kwamen demonstratief heel dicht bij je staan en volgde je van vitrine neer vitrine. Toen ze ook nog eens drie keer mijn kaartje moesten controleren had ik er genoeg van. Laat Graham maar alleen door het museum dwalen, misschien voelen ze zich nog slechter als er maar één gast in plaats van twee in het museum is?
Het einde van een zware dag werd gevierd met een ijskoud biertje op een schitterend terras terwijl we naar de ondergaande zon keken. Ik liet Graham alleen met zijn gedachten zodat hij zijn reis van drie maanden nog een keer de revue kon laten passeren.
We spraken wat met een jongen, Pavel, uit de Tsjechische Republiek die een motor had gehuurd en in zijn eentje Sri Lanka rondscheurde. Na een aanbeveling van ons ging hij ook naar het “Manel Guest House”. Een gezamenlijke maaltijd van redelijke kwaliteit gevolgd door een paar biertjes. De zwaarste dag zat er op. Morgen naar “Anuradhapura”, voor de laatste ruines.


Mijn gevoelens voor dit land zijn niet echt positief. Ik had altijd in mijn achterhoofd dat het één keer zou gaan gebeuren en het is nu dus gebeurd. Ik ben in een land waar ik het minder naar mijn zin heb. Ik ben in twee weken meer keer genaaid dan in de afgelopen twee jaar. Wat je ook doet en hoe goed je het afspreekt de Srilankanen vinden altijd weer een manier om de kosten op te hogen. Ik vertrouw niemand meer in dit land. Mijn plan is nu om maandag naar Kandy terug te keren en te kijken of ik eerder naar Maleisië kan vliegen mits het niet te veel extra kost. Indien het niet mogelijk blijkt dan blijf ik een paar dagen in Kandy rusten en daarna een paar dagen aan het strand om de tijd te doden. Het is jammer maar ik heb nu eenmaal na vandaag een heel slecht gevoel bij alles wat er om me heen gebeurd.

vrijdag 29 februari 2008

Sri Lanka, de gouden tempel bleek geen gouden idee

Sigiriya, 29/02/2008

Vandaag zouden we de basis leggen voor ons bezoek aan de culturele driehoek. Dit moest wel heel goed worden georganiseerd omdat de regering gekke regels heeft gesteld aan het gebruik van het passe-partout voor het gebied en Graham in een grote haast verkeerde.
We waren natuurlijk vroeg op weg en onderweg werd bij een bakkerij een paar broodjes en een Nescafé gekocht. De truc is dat je wacht dat de volle bus vertrekt en zodra de nieuwe verschijnt je goede zitplaatsen inneemt. Het duurt meestal maar een half uur en de bus is weer onderweg, een enkele bus blijft een uur wachten maar dat is altijd nog beter dan drie uur staan. Zo waren we op weg naar “Dambulla” gegaan, hier zouden we overstappen op een bus naar “Sirigiya”.
Met de bus reizen is heel goedkoop en de bussen zijn dan ook meestal tot aan de nok toe gevuld. Een zitplaats is een heilig goed dat je wel goed moet bewaken. Vooral bij een theestop worden de plaatsen snel door anderen ingenomen wat vaak onschuldig luid gekibbel als gevolg heeft. Wij misten de aansluiting op een haar na en waren veroordeeld om een half uur te wachten in het busstation van “Dambulla”. Dat was een vreemde gewaarwording omdat we straks, over een uur of twee, weer hier zouden staan. We zouden namelijk de “Grottempel van Dambulla” gaan bezoeken.
“Sirigiya” ligt duidelijk in het achterland van Sri Lanka en zelfs de wegen er naar toe zijn niet berekend op de grote luxueuze touringcars van de toeristen, maar de accommodatie wel. Wij hadden ons oog laten vallen op het “Nilmini Lodge” omdat het goedkoop was en dicht bij de rots lag. Het zou ons morgen zeker flink wat tijd besparen als we de rots gingen bezoeken. Graham keek naar rechts en ik hield de linkerzijde van de weg in de gaten of we misschien het uithangbord van het guesthouse zouden zien. Daar was het! Ik sprong omhoog, bijna een man omverwerpend, en trok aan het koord dat over de hele lengte van de bus aan het plafond was gespannen. Een bel als naast een boksring liet een luide “TING” horen en de chauffeur reageerde alert met zijn rechtervoet en bracht de bus tot stilstand. Het was een beetje mensbeklimmen maar na enkele minuten stonden we met onze rugzakken naast de weg onze kleren weer recht te trekken.
Een manager en medewerker van het “Sirigiya Rest House” kwamen naar buiten gerend en informeerden ons over de prijs van hun driesterren accommodatie.
“US 50,- is the normal rate”, sprak hij snel en in een goed verstaanbaar engels.
“I give you discount, US 35,- for a double including breakfast”, vervolgde hij.
“I’m sorry, but my friend wants it cheap”, antwoordde ik verontschuldigend en we liepen richting het “Nilmini Lodge”.
“I can do it for US 30,- with no breakfast”, hoorden we de manager wanhopig achter ons in de verte roepen.
Het “Nilmini Lodge” was vol. Dat was een tegenslag van de eerste orde en die hadden we niet ingecalculeerd. We overlegden en Graham wilde even aan de overkant de “Flower Inn” gaan bekijken. Hier kreeg het verhaal een verrassende wending. Uit het niets was er een tweepersoons kamer opgedoken. Wij keken elkaar verbaasd aan wilden nu het naadje van de kous weten.
“Come, you look”, zei de BH-loze kleine dikke vrouw.
Ik volgde haar naar de achterkant van het guesthouse en werd een goede kamer getoond maar was het niet dat er slechts één tweepersoonsbed in stond. Na een beetje aandringen werd het mogelijk dat er een tweede matras op de grond werd gelegd en zo hadden we dus een kamer voor vierhonderd Roepies (€ 2,50 per persoon) per nacht.
De rugzakken werden in de kamer gesmeten en wij posteerden ons zo snel mogelijk weer naast de weg om de bus naar “Dambulla” te nemen. Het duurde niet erg lang maar we hadden voldoende tijd om even wat backpakkers snackfood te kopen in de vorm van een zakje zoutjes en een reep chocolade. De bus vulde zich zoals gewoonlijk heel snel en bracht ons naar het busstation van Dambulla.
De regen kondigde zich aan in de vorm van grote gitzwarte vlekken op het stoffige afvalt van de hoofdweg tussen Kandy en Jaffna. We hadden geen keuze en moesten door. Een passerend landbouwvoertuig met een groep jongens op de bok riep ons en wuifde dat we wel een lift konden krijgen. Graham en ik sprongen in de bak en heftig schuddend en schokkend gingen we verder richting de tempel.
En de jongens maar roepend, “a 1000 Roepies, a 1000 Roepies”.
En wij maar teruglachend, “Yes, a 50 Roepies, a 50 Roepies”.
Het was maar anderhalve kilometer naar de tempel maar zover kwamen we niet eens, eerst werd er voor ongeveer een Euro aan diesel getankt en daarna werd er bij het eerste theehuis gestopt voor wat betelnut en Srilankaanse snacks. Ik overhandigde een briefje van honderd en licht teleurgesteld namen de jongens lachend en grappend afscheid van ons.
Bij de ingang van het tempelcomplex aangekomen bleek het gebouw dat een paar jaar geleden, met sponsering uit Japan, voor de grottempel was gebouwd van een ongekende lelijkheid.

De kassa voor de toegangsbewijzen bleek onvindbaar en wij gingen dus zelf maar op onderzoek uit. Het terrein voor de tempel lag er verlaten bij en een enkele personenauto stond eenzaam op de enorme parkeerplaats. Deze tempel had zeker betere tijden gekend. Toen we eindelijk, door een verdwaalde medewerker, naar de ruimte werden verwezen waar we de kaartjes konden kopen werd ons duidelijk waarom hier zo weinig te doen was.
Het is hier een klooster dat gewoon in gebruik is door monniken die alle aardse geneugten en bezittingen hebben opgegeven. Het is een plaats van aanbidden en hoge spirituele waarde. De Lonely Planet vermeldde een toegangsprijs van 500 Roepies en daar konden we beiden mee leven. Het gefotokopieerde papier naast het loket vermeldde echter:

Met ingang van 01/10/2007 heeft de regering besloten om de toegangsprijs voor deze plaats te verhogen naar USD 10,- per persoon.

Een klein opgeplakt papiertje vermeldde de dagprijs en de koers van de Amerikaanse Dollar. 1120 Roepies dus. Ik vond het te gek voor woorden en verdacht de regering ervan dit geld te gebruiken voor de financiering van de oorlog, en daar wilde ik niet aan mee doen. Tel daar ook nog bij op de USD 40,- die we morgen moesten ophoesten dan kwam je op ruim € 30,- voor drie dagen ruines. Maar ja, ik ben hier maar één keer en ik weet zeker dat ik hier nooit meer terug kom dus zwichtte ik voor de prijs en presenteerden Graham en ik onze biljetten van 2000 Roepies. Graham had die ondingen uit een ATM in Kandy gekregen.
“Sorry, no change”, snauwde het meisje achter het glas.
“No Change?”, reageerde Graham geïrriteerd.
“What would you like us to do?”, vervolgde hij.
“Walk back to town and change your money at the bank”, antwoordde ze kort af.
Wij konden onze oren niet geloven. Eerst vragen ze aan ons de hoofdprijs voor een publieke tempel en dan moeten wij terug naar de stad lopen om ons geld te wisselen.
“We lopen gewoon omhoog en zien wel”, lachte Graham.
En zo vervolgden wij zonder toegangsbewijzen de klim naar de grotten in de hoop dat we misschien door een gaatje in de beveiliging konden glippen. Het was er best mooi en heel rustig. Een enkel verliefd paartje zat te scharrelen op één van de vele bankjes maar verder was er niemand. Natuurlijk wemelde het wel van de werkeloze souvenirverkopers die al dagen niets hadden verkocht. Wanhoop en onbegrip stond in de ogen van deze arme mensen te lezen. Bij de ingang bleek meteen dat onze poging vruchteloos zou zijn. Het, in Europa verboden, uitgerolde mesjesdraad lag twee meter hoog opgestapeld langs de rots zover als het oog reikte. De tempel was beveiligd als een militaire basis en in het poorthuis zat een sergeant om de kaartjes te controleren. Graham ondernam nog een poging om de sergeant te overreden maar ik wist dat het verspilde moeite was. Dit land had geld nodig voor een oorlog en het kon ze niet schelen hoe ze er aan kwamen.
Teleurgesteld begonnen we aan de afdaling, maar wel in de wetenschap dat we in ieder geval niet de oorlog hadden gesponsord. Onderweg werden we opnieuw aangevallen door de souvenirverkopers. Ze wilden een praatje maken en zo misschien toch nog wat verkopen. Simpele mensen met simpele ideeën en simpele levens zijn het slachtoffer. Uiteindelijk kochten we allebei een set postkaarten met de plaatjes van de Grottempel. Hadden we het toch nog goed gedaan en we hadden allebei onze plaatjes van de tempel.
In onze gedachten gekeerd liepen we zonder een woord rustig terug naar het busstation. Er was voldoende tijd over en toen we een markt passeerden keken we elkaar aan met de “waarom ook niet” uitdrukking op ons gezicht. Ik heb al honderden markten bezocht tijdens mijn reizen en steeds vond ik dat je aan het aanbod kon zien hoe het land er voor stond. Des te beter de situatie in een land des te uitgebreider het aanbod op de markten en in de groothandels. Bananen, uien, wortelen, pompoenen en prei was de hoofdmoot. Het is jullie nu ook duidelijk waarom er geen Srilankaanse Restaurants zijn te vinden in de westerse wereld.
Moe en een illusie armer arriveerden we weer na een chaotische busrit in het “Nilmini Lodge”. We gingen ons nu voorbereiden op de komende dagen. De Lonely Planets werden bestudeerd en plannen met schema’s in elkaar gezet. De dikke kleine vrouw ontwaakte ons uit onze trance voor het avondeten. En dat avondeten bezorgde ons een schok, het zag er niet uit en smaakte nog slechter. Hoe zei ik dat ook alweer?
“Je komt op een punt dat eten alleen nog maar brandstof voor het lichaam is, als het goed smaakt dan is dat mooi meegenomen”, en zo was het.
Het was puur brandstof en de twee flessen bier waren net voldoende om de smaak weg te spoelen. Ik kocht de twee flessen in het “Sirigiya Rest House” en de manager ging verder met zijn aanbiedingen.
“US 25,- including breakfast”, hakkelde hij.
Een kort gesprek openbaarde ook zijn angst. Van de afgelopen zeven nachten was hij één keer vol geweest met een toergroep, de andere nachten had hij vaak maar één of twee kamers bezet gehad van zijn grote driesterren Rest House. Morgen gaat het echt beginnen!

donderdag 28 februari 2008

Sri Lanka, de eerste serieuze regen

Kandy, 28/02/2008

Na de bieren van gisterenavond en een nacht zonder muggen had ik als een blok geslapen. Natuurlijk was ik niet om kwart voor zes opgestaan maar had de wekker uitgezet en draaide me nog maar een keer om. De tand zou er morgen ook nog wel zijn.
Om acht uur verscheen mijn vertoning op de veranda waar een breed lachende Graham mij begroette.
“Good morning Squire”, spotte hij.
Ik lachte breeduit terug want het kon me geen hout schelen, ik had heerlijk geslapen.
Na het kleine ontbijt van een pot thee en toast met roerei begon ik aan mijn ronde om het meer midden in Kandy. Een fijne wandeling omgeven door aan de ene kant de rust van het water en aan de andere kant het uiterst lawaaierig en stinkend verkeer. Alles onder een snel dichttrekkende en van kleur veranderende hemel.
Ik had de zak met broodjes al in de hand toen de regen langzaam op gang kwam, een korte sprint naar het hotel behoedde me voor een nat pak en vanaf de veranda zag ik de regen in hevigheid toenemen. Het was de eerste echte dag met regen op deze reis. Ik was in de afgelopen twee weken erg gelukkig geweest met het weer. Natuurlijk had ik wat regen gezien maar dat was altijd ’s nachts of na het avondeten als er toch geen reden meer was om er uit te gaan. Het regende de hele middag onafgebroken en ik genoot van de rust en het uitzicht vanaf de veranda.
Voor het avondeten was er nog een cultureel uitstapje naar de “Kandy Dancers”.
“Om vijf uur voor de deur”, was de afspraak.

Het arriveren van een grote touringcar deed mij besluiten om zelf maar eerder naar binnen te gaan. Graham zou vanzelf komen opdagen en mij in de zaal zien met een stoel op een goede plaats die ik voor hem vrij had gehouden.
Het was een grote groep van de nieuwe rijken uit het voormalige Oostblok. Mannen met zware bariton stemmen en veel jonge slanke vrouwen in strakke kleding met minimaal de borsten half bloot. Enkele oudere vrouwen in de groep hadden zo te zien ook hun bedenkingen bij de blonde vertoningen. Bij navraag bleken Tsjechen, Polen en Hongaren te zijn, in een gemengde groep. In koor kreeg ik het antwoord dat geen van de aanwezigen sympathie voor de Russen had en ze probeerde te mijden als de pest. De bezetter van het verleden is nog steeds een bezetter van de geest.
De show begon met trommels en in het tweede bedrijf verschenen er vrouwelijke en later ook mannelijke dansers op het toneel. Het was best leuk en interessant om te zien. Helaas was het zo donker in de zaal dat ik de uitleg op een slecht gefotokopieerd papier niet kon lezen. Zo ontbrak het aan een enkele uitleg wat het voorstelde en wat de oorsprong was.
Het vuurdansen was het hoogtepunt van de avond. Een plaat met daarop gloeiend hete kolen werd naar binnen gebracht en wij op de eerste rij voelde de stralingswarmte. Met een waaier werd het vuur nog hoger aangewakkerd en twee mannen liepen met de tenen omhoog gekruld over de gloeiend hete kolen. Om het spektakel nog wat te verhogen kwam een medewerker met een fles petroleum die hij over de gloeiend hete kolen uitstrooide. Vlammen van wel twee meter hoog klommen naar de hemel, de stralingswarmte was zo groot dat de meeste toeschouwers op de eerste rij probeerden te vluchten, tevergeefs. Zelf had ik het idee dat ik de komende weken zonder oogwimpers en wenkbrauwen door het leven zou moeten gaan. De vlammen doofden net zo snel als ze waren gekomen en de mannen liepen nog twee keer heen en weer over de vurige vloer. Dat was het einde van de show en het begin van de avond.

Na twee keer “Pizza Hut” was er nu een echt restaurant aan de beurt. “Lyon’s” zou goed Chinees eten serveren. Ik volgde Graham die met de Lonely Planet in de hand flink doorstapte richting het restaurant. Zonder horten of stoten liepen we rechtstreeks naar het fonkelnieuwe geheel uit beton en glas opgetrokken restaurant.
“Chinees?”, stamelde de man.
We knikten synchroon.
“Second Floor”, antwoordde hij en ging ons voor door het bijna lege restaurant.
Als dit één van de betere plaatsen was dan zou ik wel eens willen weten hoe druk het in een slecht restaurant was! De menukaart werd bestudeerd en we besloten om maar een paar gerechten te proberen en de rekening te delen. Het maakte nu toch niets meer uit zolang we maar goed te eten hadden. En het eten was goed! Het beste dat we tot nu toe op Sri Lanka gegeten hadden. De bordjes waren allemaal leeg op een lepel of twee groente en noedels na.
Voldaan trokken we verder naar de Pub waar we nog een slaapmutsje zouden nemen. Ondertussen had ik een besluit genomen om verder met Graham de oude locaties te bezoeken. We hadden een goede tijd samen en vooral de snelheid waarmee we de drie oude locaties zouden moeten doen maakte het ideaal om samen op pad te gaan. De tand (Sri Dalada Maligawa) bleef de tand en nadat ik de oude locaties had gezien zou ik naar Kandy terugkeren om alsnog een bezoek aan de tempel te brengen.
Morgen vroeg op om op weg naar “Sirigya” te gaan.
Copyright/Disclaimer