zondag 15 juli 2007

Brunei, de verjaardag van de sultan

Bandar Seri Begawan, 15/07/2007

We waren al vroeg want zonder een koud biertje als slaapmutsje blijf ik maar tollen en draaien in mijn bed. Het brood op de kamer met een kopje koffie was ons goed bevallen. We deden rustig aan want we hadden eindelijk wat informatie gekregen over de tijden en de feestelijkheden.
s’Morgens zou de sultan naar het plaatselijke stadion gaan om de felicitaties van het volk en de strijdkrachten aan te nemen. Later die dag zou er een moskee bezoek volgen met een speciaal gebed dat rechtstreeks op de TV werd uitgezonden gevolgd door een galadiner met zijn gasten. De dag zou worden afgesloten met een groots vuurwerk. Volgens de man achter de receptie in het hotel.
Vanuit het raam van onze kamer zagen wij de drukte van de toeschouwers langzaam toenemen. Toen het erg druk werd was het tijd om zelf ook te gaan. We waren net op tijd! Tussen de scholieren die enthousiast met vlaggetjes zwaaide zagen wij de sultan in één van zijn Rolls Royces passeren. De foto’s zijn helaas mislukt. Wij waren enkele van de zeer weinig aanwezige buitenlanders. Het gevolg was dat wij de media aantrokken. Een kort interview voor een krant en een paar woorden voor de radio. Natuurlijk loofde ik Brunei, haar volk en haar vorst.
Een verslaggeefster vertelde ons dat het slim was om naar het kleine stadion te gaan. De sultan zou daar rondrijden in een open auto en wij zouden hem van heel dichtbij kunnen zien. Uiteindelijk viel het allemaal wel mee. Hij was verder dan 100 meter weg en het was dat wij wisten wie het was want wij hadden hem zeker niet herkend. De strijdkrachten opgesteld in drie peletons van erewachten marcheerden in een vreemde pas rond het veld. De sultan en zijn kabinet vertrokken weer in een stoet Rollsen en dat was het eerste onderdeel van zijn 61ste verjaardag. Voor de volgende twee onderdelen hadden wij geen uitnodiging ontvangen. Het vuurwerk was ook openbaar.
Het was dus al vroeg “einde oefening” en nu moest de rest van de dag worden ingevuld. De LP stond niet vol met dagtochtjes maar een bezoek aan “Tombe van Sultan Bolkiah”, die ergens in de vijftiende eeuw had geleefd, leek een mooie wandeling. Het zou een kilometer of acht zijn heen en weer en zo zou er weer twee uur vol zijn gemaakt in het niet erg opwindende Brunei. De wandeling was niet echt zwaar maar de warmte en het vals plat waren toch een addertje onder het gras. De tombe was eigenlijk best mooi en interessant. Gelegen in een park dat netjes was onderhouden omringt met magnolia’s. Kleine grafmonumenten omringde de grote tombe die wel wat invloeden vertoonde uit “Angkor Wat”. Misschien hadden die wel wat contact met elkaar?
Ik had voor Tettje nog een verrassing in Petto. We zouden nog gaan varen. Eenmaal het oerlelijke “Handnijverheid Gebouw” voorbij gekomen liepen we weer aan het water. Het duurde niet land en de eerste boten kwamen dichterbij. De bestuurders draaiden cirkels met de vingers, dat betekende: “Willen jullie ergens heen?” En ja, de prijs was zo gemaakt, B$ 10 per uur en als wij het goed naar ons zin hadden dan zou er een fooi bovenop komen.
De kapitein liet ons eerst het huis zien waar hij woonde in “Kampong A”, we vaarden verder langs scholen en huizen. Hier wonen bijna 40.000 mensen in huizen op palen boven het water. De stad zag er vanaf het water anders uit. Het leek niet eens een stad, het was meer een groot dorp met een enorme moskee. Na ruim een uur varen kwamen wij op de plaats waar ik om gevraagd had om uit te stappen. Een park aan het andere uiteinde van de stad.
Het park viel op door de moderne kunst, ik denk niet dat ook maar één persoon in BSB dit waardeert. Wij vonden het in ieder geval mooi. In een stevig tempo gingen we richting het hotel. Tettje had zin in het zwembad en ik wilde heerlijk in de koelte van de kamer slapen. We waren ondertussen aardig opgeknapt en onder het lopen besloten we om het nieuwe gebruik van het ontbijt op de kamer met nog een dag te verlengen. Dus gingen we nog één keer boodschappen doen in die enorme supermarkt onder het winkelcentrum.
Na een heerlijk rust verlieten we om half acht het hotel voor het vuurwerk, het zou erg spectaculair worden. Er was nog wel wat leven op straat maar echt druk was het niet. Ik vroeg eens rond wanneer en waar het vuurwerk zou zijn. De antwoorden liepen uiteen van acht uur tot elf uur maar niemand wist waar! We liepen nog een rondje en keken elkaar begrijpend aan. Het was al na tien uur en er was nog geen vuurpijl de lucht in gegaan.
Iets voor half elf ging het licht uit en wij hebben niets meer gehoord. Of er een vuurwerk was? Ik weet het echt niet, maar dat we blij zijn dat we naar Brunei zijn geweest? Ja, we weten nu dat we volgende keer meteen doorgaan naar de volgende bestemming. Morgen wordt een hele lange dag, we proberen in één ruk naar Sandakan te komen. Een reis van ruim 600 kilometer in dertien uur.

zaterdag 14 juli 2007

Brunei, ongekende luxe en ongekende stilte

Bandar Seri Begawan, 14/07/2007

Vandaag gaan we op weg naar één van de rijkste landen ter wereld. Brunei Darussalam, zoals het land officieel heet. Nu dat we het lopen en het trekking achter ons hebben gelaten maken we een alternatieve reis. De reden dat we nu gaan is dat we morgen, 15 juli, de verjaardag van “Sultan Hassanal Bolkiah” niet willen missen. Ik vraag mij af hoe een land de verjaardag viert van een staatshoofd die tot de rijkste mensen ter wereld behoort.
We vertrokken al vroeg uit het hotel om een bus naar de grens te nemen. We zouden eerst de mogelijkheden bekijken voor een minibus die rechtstreeks naar de hoofdstad van Brunei zou rijden. Dit zou wat extra kosten maar wel een stuk eenvoudiger zijn en twee keer overstappen besparen. Toen we plaats hadden gevonden voor een bankgebouw konden we geen minibusjes ontdekken. Dan maar verder naar het busstation. Ik had problemen met het plannen, dat was wel duidelijk. Mede omdat ik geen idee had wat ons te wachten stond en hoe druk het zou zijn in Brunei. We hadden weinig trek om een nacht door te brengen in een duur vijf sterren hotel als we niet op tijd Brunei aan de andere kant konden verlaten.
Tettje had mij een “carte blanche” gegeven om het vervoer te regelen. Daar stonden we dan bij het busstation omgeven door een horde taxichauffeurs die ons wel even naar Brunei zouden brengen voor RM 200. Één chauffeur sprong er een beetje uit. Ten eerste vroeg hij maar RM 50 per persoon maar we moesten wel tot negen uur wachten. Op het eerste gezicht vertrouwde ik het hele gebeuren niet zo. Ik weet wel, je moet je niet druk maken over berovingen en zo maar hier was er toch twijfel in geslopen. Nadat ik eerst nog het rooster van de bussen had gecontroleerd gaf ik toe aan de Chinees. We moesten wel tot negen uur wachten voordat we de andere twee passagiers konden ophalen. Maar dat was altijd nog beter dan tot tien uur wachten, dat was het tijdstip dat de grote bus zou vertrekken.
We pikten twee Maleisiërs op, die uit Kuala Lumpur kwamen en als dagtocht naar Brunei gingen, bij hun hotel. Daar gingen we dan met zijn vieren in een gewone personenauto op weg naar Brunei. Het was best een flinke rit, bijna 140 kilometer had ik uitgerekend. Onderweg was er niets te zien dan groen en meer groen. Over de grens veranderde het landschap een beetje. Meer jungle dan grond waar iets op werd verbouwd. Mijn achterdocht was ondertussen verdwenen en we spraken voluit over van alles en nog wat.
Omdat de twee anderen op dagtocht waren vroeg de chauffeur of we er problemen mee hadden om even te stoppen bij het duurste hotel ter wereld. Nee, geen probleem. Wij hadden dit hotel tenslotte ook op de lijst staan om te gaan bezichtigen als we in Brunei waren. We parkeerden in een ondergrondse parkeergarage en wandelde even later de grote ontvangsthal binnen. Vanaf de voorkant was het mij al tegen gevallen maar éénmaal binnen viel mijn mond open van verbazing. Het “Empire Hotel and Country Club” heeft ongeveer 1,1 miljard USD gekost, en het is te zien. Je hoeft geen econoom te zijn om te weten dat deze investering zich nooit terug zal verdienen.
Van het mooiste Italiaanse marmer tot kunstzinnig uitgesneden houtwerk. Volgens onze chauffeur gaven ze vaak grote kortingen op de standaard prijzen, alleen om maar wat extra klanten te krijgen. Het was gewoon ongelofelijk en niet in woorden uit te leggen.
Met een vlotte rit naar het centrum werden we netjes afgezet bij het hotel waarop onze eerste keuze was gevallen. Het “Terrace Hotel” ligt op loopafstand van het centrum en zat in een goede prijsklasse (B$ 65), maar wat belangrijker was dat het een zwembad en draadloos internet heeft. Tettje zou wel wat uurtjes aan het zwembad doorbrengen. We waren allebei wel nieuwsgierig naar dit onbekende land dat maar éénvijfde van Nederland groot is. We liepen meteen de stad in. Het was er stil, erg stil. De voorbereidingen voor het feest waren wel in volle gang. Er werden nog de laatste planten in perken geplaatst en een parkeerterrein werd vol gezet met marktkramen. Het centrum van Bandar Seri Begawan is erg klein. Ook hier is de stad met zijn vele buitenwijken verspreid over een groot gebied en er is zelfs aan de overkant van de rivier een complete stad op het water gebouwd waar een kleine 40.000 mensen wonen. Eerst eten, een moslim restaurant met mooi uitgestalde gerechten zou wel voldoen.
Ik bestelde een paar gerechten en wat te drinken voor ons tweeën. We waren zo aan eten toe dat ik helemaal vergeten was dat ik nog geen lokale valuta, de Brunei Dollar, in mijn zak had. Eerst maar alles opeten en dan kijken waar ik een ATM of een geldwisselaar kan vinden. De eigenaar gestoken in een witte jurk compleet met wit hoedje en grote zwarte baard moest er ook wel om lachen. Tien minuten later stond ik weer in het restaurant met het geld in mijn hand.
Langzaam zouden we nu richting het hotel lopen en wat gaan relaxen. Het was erg warm vandaag. Tettje verhuisde naar het zwembad en zelf bleef ik in de verkoelende airconditioning om wat zaken te regelen. Na een uur of twee kwam Tett weer terug met een wat een vreemd en onmogelijk verhaal leek. Tett was ziek geworden aan het zwembad en had stevig overgegeven. Het eten was de duidelijke oorzaak, Tett had nasi gegeten en zelf had ik bami op. Dat was het enige verschil en dat was dus hoogstwaarschijnlijk de oorzaak.
Omdat ik ook al een paar dagen niet lekker was zijn we naar een supermarkt gegaan en hebben “veilig voedsel” ingeslagen. Lekker, bruin brood met vleeswaar uit blik en jam. Vanaf vandaag doen we een beetje rustig aan met het exotische voedsel hier in Maleisië. Nog maar één keer per dag zullen we ons tot het Maleisische eten laten verleiden totdat alles weer OK is. De avondwandeling terug naar het hotel liet zien dat we hier weinig actie s’avonds konden verwachten. Alcohol is hier verboden bij de wet en alleen een groot winkelcentrum vlak bij de moskee was nog open. Een grote groep mensen had zich verzameld op de banken rond de fontein. Morgen staan we vroeg op want we willen de Sultan wel zien tijdens zijn rit door de stad.

vrijdag 13 juli 2007

Sarawak, Batu Niah

Miri, 13/07/2007

Eindelijk weer een actieve dag. Toen de wekker precies om zeven uur begon te piepen werd ik met een zwaar hoofd wakker. Ik liep naar dat verdomde ding te zoeken en had geen idee waar hij lag. Het was gisteren een gezellige avond geweest op het terras van het Chinese restaurant met een Australiër die we de avond daarvoor hadden ontmoet.
Maar dit was een andere dag en vandaag stond het “Batu Niah NP” op het programma. We werden langzaam wakker en de warme douche hielp mij zeker, Tettje voelde zich beter dan ik. Het ontbijt was nu anders dan gisteren. Ze wisselen de eieren, vandaag hadden we “Maleisische gekookte eieren”. Dit houd in dat ze zo zacht zijn gekookt dat je ze moet uitgieten in een kommetje, zout erbij en dan oplepelen. Je moet er van houden. Tettje probeerde er één en het werd niet goed genoeg bevonden voor een tweede. Tijdens het heen en weer geloop naar het buffet om de diverse onderdelen van het ontbijt en de koffie op te halen zag ik in de keuken achter het buffet een paar gebakken eieren. Met een brede glimlach sprak ik in pantomime, dus geruisloos, aan de andere kant van het glas “Satu Telor Goreng”. De kok lachte vriendelijk terug en vijf minuten later stond er een gebakken ei voor mijn neus. Dat was geluk. Ik werkte hem met plezier naar binnen samen met een paar gebakken knakworstjes en een kop koffie.
Ondertussen zou de taxi al voor ons klaar staan. Vandaag zouden we, bij hoge uitzondering, een taxi naar het park nemen. Het is met het openbaar vervoer te doen maar we zitten onder de € 35 per persoon na acht dagen dus een beetje luxe kan er wel van af. De taxi zou RM 200 kosten voor de dag, een kleine € 20 euro meer dan met de bus maar een hoop minder tijdverlies. De chauffeur was een vriendelijke lange Chinees die goed Engels sprak. Mocht je ooit in Miri komen en deze dagtocht willen doen bel dan, of vraag of iemand anders even belt, naar “Chai Chee Khiong – 0168739995”. Normaal beveel ik nooit personen aan maar deze is een uitzondering.
Het is ruim een uur rijden naar de ingang van het park dus vroeg op pad is belangrijk. We reden nog voor negen uur over de kustweg en zagen een paar van de gewaagde projecten van het stadsbestuur. “Miri” zou in de toekomst een resort stad moeten worden. De lange kustlijn met zijn zandstranden zouden toeristen moeten gaan trekken. Vanuit de auto zagen we al dat het weinig uit zou halen. Net als gisteren bij het museum zag hier ook alles er verlaten uit. Het verval had ook al toegeslagen, opgeteld bij de lege restaurants was dit geen plezierig gezicht. Ook de palmolieplantages die net buiten de stad begonnen voegen weinig aan het resort gevoel toe.
Het werd pas leuk toen we in de verte de kalkstenen bergrug zagen opdoemen. Dat was dus het park waarin zich de twee grotten bevonden. Deze grotten zijn wereldberoemd voor twee dingen. Ten eerste komen hier de beste vogelnestjes vandaan voor de soep en ten tweede zijn hier één van de oudste bewijzen gevonden voor begrafenisrituelen in de wereld. Hier is daarnaast ook nog de oudste homo sapiens gevonden op het eiland van Borneo. Je ziet dat het niet zomaar een groot gat in een berg is.
Bij aankomst schreven wij ons in en betaalde de RM 10 pp voor de toegang. Slim genoeg moet je ook nog overvaren voordat je op weg kan naar de grotten, kosten RM 1 pp. Nadat we een zaklantaarn hadden gehuurd bij het kleine museum, wij waren onze zaklantaarns natuurlijk vergeten, gingen we op weg naar de grotten. Werkzaamheden waren in volle gang aan de wandelpaden waardoor er een alternatieve route was uitgezet op de oerwoudbodem. Eigenwijs als ik ben kozen we voor de route over de werkzaamheden. Het viel eigenlijk allemaal wel mee. Een beetje klimmen en klauteren over planken en betonbalken. Hier en daar was de oorspronkelijke houten brug nog in gebruik en dat maakte het wel een beetje spannender.
We waren al een flink eind op weg toen het echt moeilijk werd. We waren al aardig geklommen en nu moesten we over betonbalken die uiteindelijk een trap zouden vormen. Hier kreeg ik dus van Tettje te horen dat hij hoogtevrees heeft. We gingen nu heel langzaam verder, heel voorzichtig klommen we over de hindernissen. Gelukkig was het zo voorbij en we betraden een grote overhangende rots. De ruimte eronder was al indrukwekkend genoeg op zich. Aan het einde van de enorme zaal zagen we trappen die verder omhoog leidde. Het gedeelte met de werkzaamheden lag nu achter ons.
Na een flinke partij traptreden kwamen we uiteindelijk in de “Great Cave”, een grot zo groot dat je er met gemak een Jumbojet in zou kunnen parkeren. Water druppelde van het plafond naar beneden en overal hingen de palen aan het plafond die de mensen gebruiken om bij de nesten van de zwaluwen te komen. Een hoog lang gaashek beschermde het gedeelte van de vloer waar de opgravingen werden verricht. Voor ons was hier weinig te zien. We gingen op weg richting de duisternis. Eerst was er nog een zaal met natuurlijke verlichting. Door een groot gat in het plafond viel het licht van de zon op de vloer van de grot. Licht is leven en zo ook hier, een weelderige combinatie van mossen en varens leefden in de luxe van het zonlicht.
Verder in de grot was het donker, aardedonker. De zaklantaarn ging aan en het licht hielp ons de weg te vinden over de gladde planken van de loopbrug. Nu was er echt niets meer in de grot te zien. Hier en daar hing een vleermuis aan het plafond maar dat was alles. Het duurde niet lang, de grot is ongeveer 650 meter lang, zagen we weer daglicht in de verte. Bij de opening van de grot stonden wat bankjes, daar “namen we er even vijf”, zoals wij de pauzes tijdens het lopen nu noemen. Een groep schoolkinderen uit Wales passeerden ons en niet veel later gingen wij ook richting de “Painted Cave”. Lang geleden stonden hier muurschilderingen die met de begrafenisrituelen te maken hadden. De lichamen werden begraven in kleine bootjes gemaakt van kokospalmhout die de overleden naar het hiernamaals moesten vervoeren. Later ging dit over in zittende lichamen die in grote potten werden begraven. De schilderingen zijn in het kleine museum nog te zien. De originelen zijn nu helaas bijna helemaal vervaagd.
We gingen weer op weg naar de ingang van het park. Nu ontstond een probleem. Tettje zag het niet zo zitten om die klim omgekeerd opnieuw te maken. De andere optie was een wandeling van ruim een kilometer over de bodem van het oerwoud. We waren gewaarschuwd door de medewerkers van het park bij de ingang over de modder en ook twee Franse jongens die net arriveerden wisten ons in geuren en kleuren te vertellen over de moeilijke tocht. Het was Tett zijn keuze, het maakte mij niets uit. Uiteindelijk koos Tett voor de tocht door de modder.
Het begon vrij gemakkelijk maar het duurde niet al te lang of we kwamen aan bij een gebied waar de bodem zo zacht was als een moeras. Tett liep nu voorop en volgde zo goed mogelijk het spoor rode verf dat op de bomen was achtergelaten als markering voor het pad. Het duurde niet lang of de eerste misstap was gezet en Tett zijn benen verdwenen tot aan zijn enkels in de zachte vochtige modder. Twee stappen verder schepte hij één van zijn schoenen vol. Ik kon niet meer van het lachen. Zelf had ik tot nu toe weinig schade opgelopen. Nu Tettje zijn schoenen eenmaal helemaal onder de modder zaten maakte het voor hem weinig meer uit. Hij liep in bijna een rechte lijn door het oerwoud. Ik probeerde zoveel mogelijk een gemakkelijke weg te volgen en zo droog mogelijk te blijven. Na een kilometer door de modder arriveerden we weer bij de houten loopbrug en we namen de schade op. Tett kon wel een goede wasbeurt gebruiken en mijn schoenen waren niet eens nat.
De tijd was voorbij gevlogen en wij hadden sinds het ontbijt niets meer gegeten. Er bevond zich volgens de kaart nog een longhouse een paar honderd meter verderop. Proberen was mijn motto dus gingen we nog even iets verder het park in, maar nu wel over de loopbrug. Achter Tett aan lopend schoot ik zo nu en dan wel even in de lach als ik Tett zijn schoenen en benen zag. Vanuit de verte zag ik een satellietschotel op het dak van de longhouse, dus niet zo authentiek als we hadden gedacht! Snel omdraaien en een koud colaatje kopen bij de dames met de souvenirs. De cola bracht mijn suikerspiegel weer op peil en mijn darmen in beweging. Het zou er dan toch van komen. Een junglepoep maar helaas wel op een drukke plaats.
Voldaan legden we de laatste anderhalve kilometer af naar de ingang van het park. Het kleine museum werd niet overgeslagen door mij, Tettje bleef buiten want hij wilde zijn schoenen niet uittrekken. En dat leek mij ook een goed idee. Om iets over drie stonden we weer naast de taxi. Het was een mooie en interessante dag geweest. We hadden gelachen en nieuwe ervaringen gedeeld. Vanavond drinken we nog een paar biertjes en morgen op weg naar een verjaardag.
Copyright/Disclaimer