dinsdag 14 september 2004

Spanje, Barcelona op doorreis

Pamplona, 14/09/2004

Ik ben al twee weken in Nederland en heb met gemengde gevoelens de tijd gedood. De aankomst met de gebruikelijke ontvangst en het bezoeken van de huisarts voor een complete controle van mijn gezondheid zijn de eerste hoogtepunten. De uitslag van mijn bloedtest liet zien dat het allemaal een beetje beter met mij gaat. Op één puntje na, mijn cholesterol en daar wordt nu aan gewerkt. Cholesterol verlagende tabletten dus.
De braderie was ook een hoogtepunt, heel veel oude vrienden en bekenden gezien, en dan een gat. Weer die twijfel! Zal ik het wel doen? Ik wordt zelf gek van die twijfels. Ben ik nu wel depressief of niet? Vindt ik het wel leuk om alleen op pad te gaan of hou ik mijzelf voor de gek? Thuis in Zaltbommel is het geen plaats om opgewekt te raken. Het negativisme straalt van iedereen af. Weinig mensen zijn nog echt blij en dat is goed te zien. Geen goede plaats voor mij. Ik ben dan ook snel al mijn energie kwijt en voel me zo leeg dat ik ook depressief wordt. Het laatste weekend in Amsterdam heeft mij veel goed gedaan. Op zaterdagavond wist ik het zeker. Ik zou gaan! Punt uit!
Het pakken was deze keer ook een nieuwe ervaring. Ik ging wel drie keer door mijn spullen en kwam al snel op het punt dat ik niets meer kon vinden dat ik nog achter wilde laten. De rugzak was echter nog steeds veel te zwaar. Tijdens een drinkpauze ging ik nog maar eens virtueel door mijn rugzak. Ik bedacht nog enkele dingen die ik wel kon achterlaten, zij het met pijn in mij hart. Mijn geliefde iPod viel af, inclusief de lader en kabels. De tweede handdoek bleef achter. Mijn zwembroek en omslagdoek. Een paar onderbroeken en mijn l'eau de toilette. Maar dat was het dan toch. Ik kon niet meer achterlaten. De minder betrouwbare weegschaal in de badkamer gaf 12 kilo aan. Ik was hier tevreden mee, alhoewel dit zonder mijn laptop computer was. Met een tevreden gevoel ging ik rustig slapen.
De wekker zou om half acht aflopen. Ik had nog een paar kleine dingen te doen en zou dan om een uur of elf de trein naar Schiphol nemen. Een snel bezoek aan de huisarts en nog wat tabletten opgehaald bij de apotheek. Een kopje koffie en een broodje. Mijn rugzak voor de laatste keer geïnspecteerd en ik was klaar. Omdat het geen nut heeft om maar een beetje rond te hangen stapte ik na het afscheid om vijf over tien de deur uit. Een heerlijke ochtend met jagende wolken aan een blauwe lucht en de zon die er af en toe even tussendoor stak. Eindelijk op weg.
In de trein dacht ik na over wat ik nu eigenlijk van plan was. Ik wilde een bedevaart gaan maken. Naar Santiago de Compostela. De afstand bedraagt afhankelijk van wie je wil geloven tussen de 764 en 786 kilometer. Ik weet niet of die 22 kilometer verschil aan het einde nog wat uitmaakt. Mijn doel was simpel. Ik wilde "de Camino", zoals hij ook wel genoemd wordt, uitlopen. Maar mocht het me niet lukken dan maak ik er gewoon wat moois van. Natuurlijk is uitlopen het mooist.
Bij het inchecken kreeg ik de schrik van mijn leven. 20,9 kilo bagage! En ik moet dat gewicht meezeulen! Er zit een kilo of twee bij dat onderweg langzaam zal verdwijnen. Maar toch, een volle bepakking. Een te volle bepakking!
Bij de paspoort controle bleek dat het terreur alarm toch wel serieus wordt genomen. Lange rijen mensen die schoorvoetend door de paspoort controle gingen. Daarachter een röntgenmachine waar werkelijk alles doorheen moest behalve je bovenkleding. Een metaaldetector en dan nog even om de twee gefouilleerd door een beveiligingbeambte. Je mocht je spullen pas weer oppakken als een te dikke onvriendelijke vrouw in een net iets te klein uniform je hiervoor toestemming gaf. Ik was blij dat ik uit Nederland weg kon.
Na een niet zo'n bijzondere vlucht landde mijn vliegtuig om tien over zes, twintig minuten te laat. De aansluiting met de trein zou perfect zijn. Geen probleem, mijn trein zou om half elf vertrekken. Ik raapte mijn veel te zware rugzak van de band en ging op zoek naar de trein. Goed geregeld, een trein meteen naar het station waarvan mijn trein naar Pamplona zou vertrekken, Barcelona-Sants.
Alles liep op rolletjes. Mijn kaartje voor de trein was € 38,- en de trein zou precies om half elf vertrekken. Genoeg tijd dus. Eerst het meest belangrijke. Een simkaart voor mijn telefoon. De "Telefonica Movistar" winkel leverde mij de simkaart en meldde mijn telefoon aan. Zo, ik was weer bereikbaar. Mijn eerste telefoontje naar Nederland, om mijn nieuwe nummer door te geven, wilde maar niet lukken. Na alles te hebben geprobeerd ging ik terug naar de winkel waar het een drukte van jewelste was. Ik wilde de winkel niet verlaten voordat mijn telefoon werkte. De verkoopster die geen enkel woord Engels sprak zag mijn vastberadenheid. Met frisse tegenzin wierp ze zichzelf op de hopeloze taak. Een paar keer kreeg in mijn telefoon terug en iemand met een "Manuel" accent vroeg mij om wat details. Ik had meestal geen idee wat hij nu eigenlijk bedoelde. Een behulpzame klant die wel Engels sprak hielp mij uit de nood. De verkoopster had een "carte blance" zolang mijn telefoon maar werkte. Vijftig minuten later was ze zover dat mijn telefoon eindelijk werkte. Pffffff. Daar was ik dus erg gelukkig mee.
Wat mij nu na twee uur Spanje al meteen was opgevallen! Niemand spreekt Engels buiten de toeristen gebieden. Dat zou dus moeilijk worden. Ik vergreep mij aan een te dure Big Mac die ook niet smaakte. "Toeristen prijzen of is Spanje echt zo duur", dacht ik bij mijzelf. Nu was het nog een uurtje of twee wachten en dan zou het echt beginnen.
De nachttrein dus. Goedgemutst en redelijk fit stapte ik de moderne trein binnen. Een coupé met alleen maar Spanjaarden dus een gesprek kwam niet verder dan Que en Si. Ik schakelde de verlichting uit en probeerde wat te slapen. Dat was dus onmogelijk. Na elk station kwam de conducteur even kijken of er iemand was bijgekomen. Geen nieuwe passagiers? Nee, bedankt. Elke twintig minuten was hij daar en het slapen was onmogelijk, ik kon niet wachten totdat ik in Roncesvalles was. Ik verlangde naar een bed en een douche. Precies om zeven over half zes reed de trein het station van Pamplona binnen. Ik genoot, alles leek erop dat mijn plan zou lukken en dat ik voor twaalf uur op mijn plaats van bestemming zou zijn.
Ik wreef het slaapzand uit mijn ogen en keek eens goed op de kaart waar ik was. Het kwam mij niet bekend voor maar een kaart is een kaart en zodoende stapte ik de nacht in. Door het pikkedonker liep ik door de verlaten straten op zoek naar het busstation. Zelfs de afstand had ik goed geschat. Moe maar voldaan stapte ik het verlichte busstation binnen. De cafétaria was al open en een kopje koffie zou er dus wel ingaan. Voorzichtig probeerde ik te vragen waar ik een kaartje kon kopen naar Roncesvalles. Een Spaanse zondvloed viel mij steeds ten deel. Ergens anders proberen dan maar. Zo kwam ik bij de kiosk in de hal terecht, de verkoper was zijn kranten aan het uitstallen. Ik stelde ook aan hem dezelfde vraag. Hij keek niet eens op en met zijn rug naar mij toe wees hij in de richting van de loketten en sprak hij iets dat op Spaans leek, alleen de "sei" kon ik verstaan. Ik veronderstelde dat hij loket zes bedoelde.
Een snelle blik op de kaart en ik begreep dat het loket om zeven uur open zou gaan. Nog een half uur dus. Dan eerst nog maar een kopje koffie! Ook mijn tweede kopje smaakte goed en ik was tenminste weer wakker. Ik was de derde aan het loket en vroeg vriendelijk om een kaartje naar Roncesvalles. Weer werd er gewezen, nu in de richting van de vertrekhal, en opnieuw de Spaanse zondvloed. Ik had het goed gehoord, weer was die "sei" van de partij.
Ik zocht in de vertrekhal naar het perron met het nummer zes. Tevergeefs, ik begon nu in het wilde weg aan jonge mensen te vragen of ze misschien wat Engels spraken. Uiteindelijk had ik geluk. Ik vroeg of de jongen misschien even tijd had om het verhaal van de man achter het loket te vertalen. Dat wilde hij wel doen. Met een zuur gezicht herhaalde de oude man zijn verhaal. Ik stond te popelen om te weten wanneer ik kon vertrekken. Vanavond om zes uur dus, ik moest elf uur wachten voor mijn aansluiting!
Dan maar op zoek naar de pelgrims herberg. Ik wilde even douchen en misschien een uurtje slapen. Dat was niet zo gemakkelijk als ik had gedacht, opnieuw liep ik om half acht alleen door de donkere straatjes van Pamplona. Het leek wel een spookstad om dit tijdstip, er was absoluut niemand op straat. Ik de verte zag ik twee mensen aankomen met rugzakken. Pelgrims waarschijnlijk! En ja hoor, ze waren net op weg en de herberg was een paar straten verder op. Ondertussen was ik zo moe dat ik mij slecht kon concentreren en niet meer wist of ik nu de tweede of derde straat aan mijn linkerhand moest nemen. Uiteindelijk was het de derde.
Daar stond ik dan in de herberg. Zet je rugzak daar maar neer want we gaan sluiten. Kom om één uur maar weer terug dan zijn we zover. Ik liep om kwart over acht opnieuw de iets mindere donkere stad in, op zoek naar wat te eten.

maandag 13 september 2004

Spanje, de tocht naar Santiago de Compostela

Zaltbommel, 13/09/2004

Wat moeten jullie je daar in hemelsnaam bij voorstellen? Wat zijn Jiel zijn plannen? Volle Costa's met te dikke mensen behangen met goud die in de zon liggen bruin te bakken? Verlaten lege bergdorpjes waar een blaffende hond het enige geluid in de late middagzon is? Oude kastelen en vergeten middeleeuwse krijgsheren die in een ver verleden probeerden de Islamitsche Moren te verslaan?
Er zijn twee boeken die mij hebben doen besluiten om deze reis te gaan maken. De eerste van Cees Noteboom, "De omweg naar Santiago" en de tweede van Shirly MacLaine "Voettocht naar Santiago de Compostela ". Boeken die gaan over Spanje. Niet over de Costa's of over de wereldsteden Madrid en Barcelona, maar de schoonheid van de gewone alledaagse dingen. Stille stadjes met slingerende kromme straatjes. Oude vrouwen gekleed in het zwart in de schaduw onder een dikke boom. Vette worst, geitekaas en een homp brood. Witte wijn en tapas.
Na de vele reizen in Azië en Australië had ik ook een beetje heimwee naar Europa.

woensdag 5 mei 2004

Vietnam, Ho Chi Minh City aka Saigon

Ho Chi Minh City, 05/05/2004

Ik zou om half vijf worden opgehaald. Het grote dilemma was dus: vroeg gaan slapen of opblijven. Beiden een drama. Mijn buren maken zoveel kabaal ‘s avonds dat ik gewoon niet kan slapen. Op blijven betekend naar de kroeg en met een kater op weg. Uiteindelijk werd het een compromis. Ik kwam om half twee thuis en kroop snel mijn bed in. Twee en een half uur later werd ik door de deurbel gewekt. De taxi was daar. Ik nam snel een douche en redelijk fit liep ik voor de laatste keer door het huis. Nu bijna een routine klus. Mijn rugzak verdween in de kattenbak van de Toyota en ik was klaar voor Vietnam.

Thai Airways, Terminal 1. Dit is wel even andere koek. Hier wordt voor je gezorgd! Er waren wel twintig incheckbalies open en ik kon meteen inchecken en mijn bagage, 9,5 kg, was ik al snel kwijt. Wel een enorme rij mensen bij de immigratie dienst. Deze oploop maakte dat ik besloot door te lopen naar Terminal 2 omdat daar bijna geen vliegtuigen vertrekken in de ochtend. En inderdaad, er stonden maar een paar mensen te wachten. Toen ik aan de beurt was moest ik tot mijn grote verbazing met mijn paspoort naar een speciale balie. Het was geen groot probleem maar de beambte mocht of kon mijn paspoort niet stempelen. De nu traditionele fles “Hennessy Cognac” werd gekocht in de taxfree shop en ik begaf mij naar de gate. Alles ging snel en ik zat voordat ik het mij realiseerde in de Airbus 320 naast een Nederlander die naar Vietnam ging voor zaken. Hij kocht stukjes en beetjes van de failliete boedel van Parmalat in zuidoost Azië. We praatten wat en een andere man benaderde mij en vroeg of ik er bezwaar tegen had om van plaats te ruilen.
Ik had geen bezwaar natuurlijk. Het werd nog beter, ik moest naar de business class. Alleen tegen het opnieuw van plaats verwisselen net voor de landing maakte ik bezwaar. Het was alles of niets. Hij stemde ermee in en ik ging naar de business class in de voorkant van het vliegtuig. Een goed begin van de reis, dat zeker.
Waarom zitten er altijd dikke mensen in business class? Hebben zij meer geld of zijn zij bereid meer te betalen voor wat meer stoel breedte? Nu ook weer enkele dikke medemensen. Ik genoot van mijn ontbijt met echt metalen bestek. Terroristen vliegen namelijk nooit business class! Mijn dag kon niet meer kapot.
Een uurtje later landen we op het " Ho Chi Minh City International Air port". Vanuit het vliegtuig zag ik niet veel verschil met andere landen in de buurt. Ik was benieuwd wat ik hier zou aantreffen. Het verlaten van het vliegtuig door een slurf had ik zeker niet verwacht en dat betekende dat het toch wel modern was. Een enorm lange galerij met aan beiden kanten glas moest ik door voordat ik bij de immigratie aankwam.
Infrarood camera's stonden klaar om mensen met een verhoogde temperatuur eruit te vissen, dit natuurlijk in verband met SARS. Wat me meteen opviel waren de enorme hoeveelheid petten en oerlelijke groene uniformen. Een kleur die zeker niets met camouflage te maken had. Ze zouden minder opvallen in rode pakken! Wie ze droeg of wat ze waren wist ik nog niet. Logistiek was de immigratie dienst nog niet zo ver ontwikkeld. Tergend langzaam ging de rij langs de twee beambten. Toen ik na ruim dertig minuten eindelijk aan de beurt was kon ik mijn ogen niet geloven. Hier achter het bureau had de tijd niet stilgestaan! Mijn paspoort werd gescand door een ambtenaar en de software deed de rest. De tweede keek over zijn schouders mee. Mijn gegevens werden automatisch ingevuld en ook mijn paspoort foto verscheen op het scherm, alleen de geldigheidsduur van het visum werd met de hand ingevuld. Mijn gezicht werd gecontroleerd met de foto en een goedkeurende knik viel mij ten deel. Dat was het dan, ik was in Vietnam.
De luchthaven zag er op het eerste gezicht primitief uit. De afhandeling van de bagage was echter wel in orde. Alle bagage lag op een grote hoop naast de band die al stil stond. Mijn rugzak, een kilo of tien, was snel gevonden en met half dichtgeknepen ogen stapte ik het felle zonlicht en de hitte van de dag binnen. Onmiddellijk was ik omgeven met Vietnamezen die mij de meest uiteenlopende diensten aan boden. Taxi? Lady? Change Money? Hotel? Eerst mijn Oakley! Met de zonnebril op mijn neus zag Saigon er al een stuk beter uit. Ik liep weg van de troep en ging ergens in de brandende zon zitten, wetend dat zelfs de hardnekkigste tout hier wel een heel grote hekel aan had.
En ja hoor, ik was voor een paar momenten alleen. Ik las snel in mijn LP waar ik heen moest en wat het mocht kosten. De eerste taxichauffeur die nu de moeite nam om mij aan te spreken mocht mij naar een hotel rijden. Wetend in mijn achterhoofd dat hij daar een provisie voor zou ontvangen. US$ 7 voor het ritje, en het hotel waar hij mij naar toe bracht zag er goed uit. US$ 25 voor een nacht, mijn limiet voor deze reis. Ik was blij dat ik even op mijn bed kon gaan liggen. Een hazenslaapje zou mij goed doen.
Na een korte rust was ik klaar om Saigon in te gaan. Ik vroeg aan de receptie mijn paspoort terug en volgde de aanwijzingen van de receptionist op om bij de bank te komen. Mijn eerste ervaring met de Vietnamese Dong. Het geld zag er vreemd uit en je kreeg er ook enorm veel van. 1.675.000 voor honderd US dollar, ik moest het wel twee keer natellen voordat ik het eindelijk goed had gekeurd. Met het lokale geld op zak stapte ik de nieuwe wereld binnen. Saigon.
Een stroom van indrukken kwam bij mij binnen. Ik had de plattegrond van Saigon in mijn gedachten geprent en liep nu in het wilde weg door deze miljoenenstad. Bijna vijf miljoen mensen op een hoop is wat de LP mij vertelde, deze zat natuurlijk als back-up in mijn broekzak. Ik liep richting de rivier en die kon je niet missen. De Saigon rivier, deze loopt door Ho Chi Minh City. De lokalen noemen de stad nog steeds Saigon, regeringsafgevaardigden en officials blijven het HCMC noemen. Dit waarschijnlijk om de overwinning op het slechte zuiden en de superioriteit van het noorden een extra glans te geven.
Wat mij het eerste opviel was de stank van urine. Binnen enkele minuten had ik ook meteen gezien waarom dit zo was. De mannelijke helft van de bevolking pist waar ze staan. Het maakt niets uit of het op een markt is, een park, een zijstraat of een plein. Als de natuur roept gaat ie uit de broek en laat maar lopen. Het tweede waar je absoluut niet omheen kan is het aaneengesloten concert van toeters. Er wordt niet getoeterd om gevaar aan te kondigen maar meer om te zeggen, "Ik kom eraan"! Met 2.000.000 brommers en wat auto's en bussen kun je begrijpen wat een kabaal dat geeft.
Langzaam slenterde ik richting de rivier. Een opstootje trok mijn aandacht en ik wilde wel eens zien wat die mensen bezielde. Het ging snel! Het geld ging van hand op hand. Twee hanen werden losjes langs elkaar gestreken. Ze werden op elkaar losgelaten. In een gejuich van de mensen vlogen ze op elkaar af. Er vlogen wat veren in de rondte en al snel lag één van de hanen gewond op de grond. De overwinnaar werd gegrepen door zijn baas en ging terug onder de bamboe kooi. De gewonde haan bloedde dood. Al vloekend en duidelijk teleurgesteld verliet de eigenaar met de dode vogel het strijdtoneel. Waarschijnlijk was die haan gepromoveerd tot het avondeten. Alles was in een flits voorbij. De menigte loste zich op en enkele seconden later stond ik weer alleen aan de stoeprand.
Ik liep verder richting de rivier en werd wel om de twee minuten aangesproken door een fiets of motortaxi. "Where you go"? "Very cheap!". "One hour, 10000". Ik probeerde dit niet te zien maar soms gingen ze gewoon voor je staan en sneden al rijdend met hun voertuig je de pas af. Ik wilde niet kwaad worden en bewaarde mijn rust. Ze gingen meestal na enkele tientallen seconden weer weg. Ik wist dat ik was verdwaald toen ik bij een smal stroompje aankwam. Dit kon nooit de rivier zijn die de Fransen had gemotiveerd om Vietnam in te lijven. Mijn gevoel zei links af en dat volgde ik dan ook meteen op.
Ik passeerde een paar jongens die even een motor van een Renault 4 uit elkaar hadden gehaald. Ik dacht aan de tijd dat ik hielp bij een garage in Zaltbommel. Dat was eeuwen geleden dus. Deze auto had waarschijnlijk al miljoenen kilometers op de klok en was duizend keer gerepareerd. In onze westerse samenleving is deze auto al tien keer afgeschreven en de weinige die nog over zijn worden als oldtimers vertroeteld. Hier is het gewoon een automobiel. Niets wordt hier verkwist!
Een wel erg volhardende fietstaxichauffeur kreeg mijn sympathie tenslotte. Hij was ook meteen vriendelijk op een vreemde manier. Een brede glimlach vanonder zijn grijze pet. Ik boekte hem voor de volgende dag en vertelde dat hem dat hij om negen uur bij mijn hotel moest zijn. Ik liet het visitekaartje zien en hij wist meteen waar het was. "Ik ben er al om acht uur", lachte hij en verdween in de verte. Eindelijk kwam ik aan bij de Saigon rivier. Ik stak de drukke straat over en ging weer links af de boulevard op. Ik dronk wat water aan een geïmproviseerd terras langs de rivier en keek nog eens goed om mij heen. Het was veel anders dan ik mij had voorgesteld. Meestal maak ik geen voorstelling over wat ik ga zien. De meeste mensen die ik tegenkom zijn altijd teleurgesteld. "Ik had het mij veel anders en mooier voorgesteld", hoor je dan ook erg vaak.
Vandaag moest ik ook nog wat shoppen. Ik wilde voor een mini statief kijken en ook een paar postkaarten moesten worden gekocht. Een goede vriend, Peter Hermens, was jarig en dat kon ik niet overslaan. Ik was verder niet echt op zoek maar als ik iets zag dat me aanstond dan kon ik het kopen. En een statief vond ik. 45.000 Dong, niet slecht. Postkaarten vond ik in een boekenwinkel die mij meteen een hoop vertelde over de staat van het communisme en de vrijheden van de bevolking. Daar stonden de boeken op een plank. Van de beste kameraden tot de grootste schurken, wel in het Vietnamees en ik kon natuurlijk niet lezen of het wel of geen propaganda was. Maar toch, ik had meteen een goed gevoel over Vietnam. Ook stond het borstbeeld van uncle Ho op een prominente plaats. De postkaarten waren van een enorm formaat, maar ik heb er toch maar een paar gekocht. Postzegels waren niet op voorraad dus moet ik de volgende dag naar het postkantoor, dat zou op zich wel weer een klein avontuur zijn.
Ik keek in mijn LP en probeerde uit te vinden waar ik mij op dit moment bevond in de stad. Het was niet eenvoudig maar ik kwam er toch uit. Ik ging richting mijn hotel, gooide alles op het bed in mijn kamer en ging op weg naar het backpakkers gebied van Saigon. Het "Khao San van Saigon" wel te verstaan. Cheap, cheap en nog eens cheap. Een café op een hoek met een klein terras zag er aantrekkelijk uit. Er zaten ook wat buitenlanders, wat meestal zegt dat het eten er goed is en de prijzen redelijk. En dat klopte dan ook. Ik gebruikte een kleine maaltijd met een paar bier en voldaan ging ik weer richting mijn hotel voor mijn douche beurt en een korte rust.
Eenmaal wakker en opgefrist kreeg ik de schrik van mijn leven. Het kabaal in het hotel was van die kwaliteit dat zelfs mijn buren zouden gaan klagen.
Even een korte uitleg: ik heb sinds mijn terugkomst uit Australië in december 2003 veel overlast van mijn buren. Ze werken elke avond van vijf tot twee. Bij thuiskomst gaan ze gezellig Karaoke zingen en eten koken. Tel daar nog drie honden bij op die liggen te janken totdat de baas weer thuis komt en je begrijpt dat het moeilijk is om in slaap te komen. Het geheel blijkt onbespreekbaar met de buren wat als resultaat heeft dat ik van de dag de nacht moet maken en hun dagritme moest overnemen. Ik ben daar erg gefrustreerd uitgekomen en geluidsoverlast is een obsessie voor mij geworden.
Ik wilde onmiddellijk weten waar dat kabaal vandaan kwam. Ik opende de deur van mijn kamer en een zondvloed van Aziatische muziek kwam mijn kamer binnen. In Paniek keek ik om mij heen in het trappenhuis en het leek overal vandaan te komen. Ik snelde verward terug naar mijn kamer. Was het de tv? Had ik een karaoke bar over het hoofd gezien? Hoelang zou dit duren? Ik wilde tenslotte niet de hele avond opblijven! Uiteindelijk kwam ik tot mijzelf en besloot te gaan eten. Ik liep de kamer uit en nam de lift naar de begane grond. Met het dalen van de lift nam ook het lawaai af. Eenmaal op de begane grond bij de receptie hoorde ik bijna niets meer, ook niet in het trappenhuis. Ik besloot af te wachten en mij later te beklagen als ik wilde gaan slapen.
Ik liep al weer een beetje meer opgewekt richting het café dat ik die middag had gevonden. Een tweede test zou het ondergaan vanavond. De eerste hindernis op mijn weg was het oversteken van een brede straat. Honderden brommers die van alle kanten langzaam op je af komen. Niemand stopt en ik kan op dat moment ook geen voetgangers oversteekplaats ontdekken. Langzaam maar met een volharding naar de overkant dan maar.
Ik stap toch wel met een beetje angst het zwarte wegdek op en kijk naar links. Ze rijden namelijk rechts in Vietnam. Ik kan mijn ogen niet geloven. Bij elke langzame stap vooruit opende het voorbij razende verkeer zich als de rode zee voor Mozes. Ik krijg er zelfs plezier in. In het midden van de 20 meter brede weg wordt het wel een beetje oppassen geblazen. Hier gaat mijn hoofd van links naar rechts als bij een versnelde tenniswedstrijd. Ik moet ze nu aan beide kanten in de gaten houden. Een paar stappen verder wordt het dan weer gemakkelijker en ik hou het van rechts aanstormende verkeer in de gaten. Vermoeid maar voldaan sta ik na te genieten aan de overkant van de weg.
En ook de bron van mijn ongemak, het lawaai, was gevonden. Een groot podium stond niet ver van mijn hotel op een plein met een paar honderd Vietnamezen ervoor. Op het podium, dat ter ere was van de vijftigste verjaardag van de slag om “Dien Bien Phu”, werden liederen ten horen gebracht over de glorie en de kracht van het communisme. Plaatselijke grootheden uit de entertainment industrie waren gehuurd, waarschijnlijk kunnen ze toch geen nee zeggen, om de boodschap uit te dragen. Mooie meisjes, kuis gekleed, dansten op de ritmes van de band. Ik keek het schouwspel een kwartiertje aan en toen won de honger van mijn nieuwsgierigheid.
Mijn tweede maaltijd bij het café bestond uit een pizza. Ik had die middag al een ex-pat gadegeslagen die hem met veel smaak en plezier naar binnen had gewerkt. Ik moet ook eerlijk zeggen dat de rijst en groente die middag goed waren. Maar toch het zekere voor het onzekere genomen. Niet teveel van die lokale gerechten. Om en om! Ik wil de loperamide nog een tijdje in de medicijnentas houden. Ik dronk nog een paar bier en kletste wat om mij heen met verschillende mensen. Vol en voldaan liep ik terug naar mijn hotel. Het concert was inmiddels afgelopen en door lege halfdonkere straten ging ik richting het hotel. Tijdens mijn nachtwandeling vielen twee dingen mij op. Ten eerste, de straten waren schoon. Ja, echt schoon. Op bijna een onAziatische manier. Het andere was het rechts rijden. Ik moest steeds op mijn hoede zijn bij het oversteken. Het was een nieuwe wereld. Ik kon terugkijken op een geslaagde eerste dag in Vietnam. Als de trend nu was gezet dan zou het zeker een leuke reis worden. Morgen de tempels.
Copyright/Disclaimer