vrijdag 19 februari 1999

Thailand, tien uur in de trein

Bangkok, 19/02/1999

Het was nu voor 100% zeker dat ik naar Laos zou gaan. Een ander besluit dat ik had genomen was dat ik de eerste weken geen brommer meer zou huren. Ik had een zeer pijnlijke eikenhouten kont.
De trein zou om tien over acht vertrekken. Als een goede Hollander was ik een uurtje voor het vertrek op het station. De oude gemotoriseerde driewieler had mij krakend en zuchtend door de koele ochtendlucht van het guesthouse naar het station, dat ver buiten de stad lag, vervoerd. Gepakt en gezakt stond ik op het verlaten station te kijken waar de trein was. Er was helemaal geen trein en er was ook geen mens te bekennen. Wisten de anderen iets dat ik niet wist?
De tijd kroop en ging langzaam richting half negen en er was nog steeds geen levende ziel op het station te bekennen. Ik werd nu wel een beetje ongeduldig. Was er vandaag geen trein? Gingen de treinen om en om? Ik wist het niet en het enige wat ik kon doen was wachten.
Toen er uiteindelijk om half tien leven in de brouwerij kwam kon ik om de informatie vragen die ik zo hard nodig had. En ja hoor, de trein zou rijden vandaag. De nachttrein, die hier weer dagtrein werd, had twee uur vertraging opgelopen onderweg. Zie hier het aanplakbiljet boven het loket. Ik staarde naar een handgeschreven A4tje met daar op in het Thai de melding van de vertraging. Het was voor iedereen duidelijk geweest behalve voor één domme buitenlander.
De kaartverkoop begon een kwartiertje later want de spoorwegbeambte moest zich eerst voorbereiden op de werkdag en het belangrijkste deel daarvan was het ontbijt. Terwijl de rij achter mij langzaam langer werd begon de beambte in zijn bruine uniform een noedelsoep naar binnen te slurpen. Toen hij eindelijk klaar was en zijn mond schoonveegde met een oude lap ving hij aan met zijn dagtaak. Er werd mij, op aanraden van de spoorwegbeambte, een kaartje voor de derde klasse verkocht. 143 baht voor een treinreis van tien uur. Terwijl hij met de printer zat te worstelen drukte hij mij op het hart dat ik gewoon in de tweede klasse kon plaatsnemen. Zijn vriend werkte als conducteur in die trein. Hij zou hem wel even laten weten dat hij de “Falang” met rust moest laten. Met een ongemakkelijk gevoel verliet ik het loket en liep weer naar mijn rugzak die ik helaas even alleen had moeten laten.
Een drankje en een paar van die vreemde langgerekte oliebollen voldeden als ontbijt. Je doopte die vreemde lange dingen in een mierzoete melkachtige saus. Het moet zeker het zoetste zijn dat ik ooit heb gegeten.
Om iets over tien kon je in de verte het geluid horen van de aanstormende trein. Enkele minuten later kwam hij met piepende remmen tot stilstand en een horde mensen, alsof een fabriek leegliep, verliet de trein met meer bagage dan een goederentrein had kunnen bevatten. De locomotief verplaatste zich van de achterkant naar de voorkant, de bordjes op de zijkant van de wagons werden gewisseld. De trein werd schoongeveegd en smeerolie op de belangrijke plaatsen aangevuld.
Nog geen kwartier naar aankomst zette de oude trein zich schokkend en stotend weer in beweging in de tegenoverstelde richting dan hij was gekomen. Op het perron stond de kaartverkoper fanatiek met een grote groene vlag te zwaaien. Nog geen tweehonderd meter buiten het station werd alles enkelspoor. Ik begreep nu waarom er altijd vertragingen waren.
Binnen vijf minuten stonden we stil bij het eerste station. Hier was het echt heel druk en de trein vulde zich snel. Hij was nu zo goed als vol en ik was omgeven met nieuwsgierige Thai die mij zaten aan te staren. Kinderen naast mij begonnen aan mijn haren op mijn arm te trekken en de moeder liet tijdens een haar verontschuldigende glimlach een rij gitzwarte tanden tussen de bloedrode lippen zien. Ik was net niet geschokt. Met engels zouden we vandaag niet ver komen en het leek er op dat ik de enige buitenlander in de trein was.
De trein stopte niet bij elk gehucht maar er waren voldoende stopplaatsen om steeds meer treinreizigers op te nemen in de toch al volle trein. Bij de eerste kaartcontrole werd mijn slecht gevoel bewaarheid. De conducteur keek naar mijn kaartje en daarna naar het bordje 2e klasse boven de deur. Ik deed net of mijn neus bloedde terwijl hij in zijn hoofd naar engelse woorden zocht. Met mijn grote rugzak een paar honderd meter door een overvolle schuddende trein naar de 3e klasse lopen was geen optie. De conducteur bleef afwisselend naar mij, mijn kaartje en het plafond kijken. Ik kreeg een beetje medelijden met de man en haalde mijn portemonnai te voorschijn. Hij kreeg onmiddellijk een glimlach op zijn gezicht en haalde een blocnote met bonnen te voorschijn uit zijn leren heuptasje. Hij schreef en bon en ik moest 135 baht bijbetalen. Het probleem was in ieder geval opgelost.
Het vele eten dat ik tijdens de reis voorbij zag komen vertrouwde ik niet. Ik had nog veel te leren. Gelukkig kon ik tijdens één van de vele stops nog een zak chips met een vreemde onbekende smaak en een lauwe cola op de kop tikken om de grootste honger te stillen. Het landschap buiten was niet erg interessant en mijn gedachten dwaalden steeds af naar Petra en Tessa. Ze zitten allebei nog steeds in mijn systeem en ze zijn beiden onbereikbaar. “You always want the ones that you can’t get”, uit het Eagles liedje Desperado klonk het in mijn hoofd.
Een uur later dan gepland reden we het “Hualampong treinstation” in Bangkok binnen. Ik was bang dat mijn kamer was weggegeven en ik nu dus op zoek moest naar een slaapplaats. Na een korte rit in de taxi stapte ik uit bij het “Merry V guesthouse”. Vriendelijke stemmen en gezichten begroetten me en ze hadden een kamer voor me bewaard. Helaas geen éénpersoons maar een dubbele op de zolder. Alles is beter dan niets.
Na een snelle douche stortte ik me in het rugzakkersparadijs van Kaosan Road. Lekker eten en een paar biertjes. De dag zat er weer op en was toch nog tot goed einde gebracht. Bangkok is een fantastische plaats als je eenzaam bent geweest. Ik bloeide meteen op en voelde me niet meer down. Morgen op zoek naar een visum voor Laos.

donderdag 18 februari 1999

Thailand, een houten kont

Nong Khai, 18/02/1999

Vandaag was het hoogtepunt van al mijn dwaasheden, een brommertocht naar een grote rots van zandsteen in het midden van niets. Wat was de reden voor deze dwaasheid? Het ging om een tempel, “Wat Phu Thok”. “Alleen voor fanaten” was het label in de Lonely Planet, maar dat maakte mij niets uit. Ik genoot van de tochtjes op de brommer. Zo vrij als een vogeltje met je haren wapperend in de wind.
Deze tocht begon met het volgen van de rivier voor zeker wel negentig kilometer, daarna ging ik de droge dorre binnenlanden in. Droge rijstvelden lagen trillend in de hitte op de regen te wachten. Het was een heel plezierige tocht met mooie plaatjes op mijn netvlies. Zo waren er hele troepen kinderen op schoolpleinen die begonnen te zwaaien met het “Falang” “Falang” klinkend op de achtergrond en plassen water met badende waterbuffels.
De rots zelf rees op vanuit de droge rijstvelden en was al van verre te zien. Omringt door een afzetting van prikkeldraad en trillend in de vroege hitte. Ik parkeerde mijn brommer op de parkeerplaats en was verbaasd over de drukte. Pick-uptrucks vol met mensen reden af en aan. Hier in de uithoeken van Thailand zijn er geen borden met aanwijzingen in het engels dus volgde ik de stroom mensen maar. Overal in de rots zaten grotten en spelonken die waren omgetoverd tot altaren of woongelegenheden voor de monniken. Het was uitermate interessant en na het lezen over de zeven gangen die op en om de rots waren gebouwd kon ik het niet laten om de trappen te beklimmen.
Er zijn zeven ringen rond de rots gebouwd die symbool staan voor de zeven fasen van de verlichting. Ik was niet zo fit als ik had gedacht en op de tweede verdieping zag ik sterretjes voor mijn ogen en hapte naar adem. Voor een moment speelde ik met het idee om maar te stoppen en naar beneden te gaan. “Negatieve gedachte”! Misschien was de reden omdat ik nu alleen was en zo’n ervaring delen met een ander is natuurlijk veel leuker. Nee, je hebt meer dan 140 kilometer gereden om hier te komen en dan is het slimmer om het gewoon af te maken. Je bent toch niet voor niets hier naar toe gereden? “Positieve gedachte”!
En zo vervolgde ik mijn weg naar de top. Steeds een ring in de richting van met de klok mee rond de rots lopend totdat ik weer bij de trap kwam. Moe, maar voldaan liep ik de laatste ring in de relatieve koelte van de hoogte. De uitzichten waren adembenemend. Ik was trots op mijzelf dat ik het volbracht had. Nu op deze hoogte realiseerde ik me dat ik steeds meer voor dit Boeddhisme begon te voelen. Het was allemaal heel erg interessant en wat beter was, ik had nooit de indruk dat er ook maar enige drang achter zat. Iedereen deed maar wat hij dacht wat het beste was voor iedereen.
Tijdens de terugrit zat ik na te denken over wat ik verder ging doen. Alles wees er op dat van mijn oorspronkelijke plan niets terecht zou komen. Er was vijftien procent van mijn tijd om en de landen in de omgeving trokken mij meer. Ik wilde nu snel naar Bangkok om een visum voor Laos op te halen. Laos zou ook nog eens een vier weken in beslag nemen!
Bij terugkomst in Nong Khai belde de eigenaar van het guesthouse even met het “Merry V Guest House” in Bangkok om een kamer voor me te reserveren. Ik was heel erg moe. Mijn kont was van hout na een kleine 700 kilometer in twee dagen op de brommer. Mijn gedachten dwaalden af naar witte stranden met wuivende palmen. Ik had zin om een paar dagen op de stranden van “Koh Chiang” te gaan liggen. Nadenkend over het vervolg van deze reis.
Morgen met de trein terug naar Bangkok.

woensdag 17 februari 1999

Thailand, in een Buddha Disneyland

Nong Khai, 17/02/1999

Met een vol programma en een hele drukke dag voor de boeg stond ik natuurlijk weer voor dag en dauw op. Om kwart over zes knetterde ik, zonder ontbijt, weg op de brommer. De brommers in het noorden hadden mij verwend, ze waren bijna allemaal nieuw geweest en nu ik in het noordoosten was waren het allemaal oude wrakken. Op het uithangbord van de “Danish Bakery” stond in dikke letters dat het niet eerder dan acht uur zou openen. Helaas, maar ik had niet de luxe om er op te wachten.
Ondertussen had ik de wegaanduidingen onder de knie gekregen. Op de witte paaltjes langs de weg stonden nummers. Het nummer onder de “Garuda” was het nummer van de weg. De hoofdweg had een simpel nummer, zeg 3. Dan hadden de secundaire hoofdwegen ook weer nummers, die werden dan achter het eerste nummer geplaatst, zeg 37. Als laatste waren de kleine verbindingswegen aan de beurt en volgden dezelfde regels, dus werd het 3714. Simpel als je het weet, toch? De andere twee getallen aan de zijkant waren de afstand tot het volgende knooppunt en de afgelegde afstand vanaf het laatste knooppunt. En zo had ik al snel een beeld van “hoe ver nog” en “hoe lang nog”.
En zo alleen op de brommer had ik het geluk dat ik weer een mooie tempel tegenkwam, de “Wat Phra That Bang Phuan”. Een heel oude en zeer heilige plaats. Niemand weet echt wanneer de chedi’s zijn gebouwd maar ze worden al meer dan 1000 jaar beschreven. Volgens de overleveringen zijn er zelfs delen van het borstbeen van de Buddha ingemetseld. Nadat ik in alle stilte over het tempelterrein had rondgelopen realiseerde ik mij dat de stilte van de vroege ochtend een extra dimensie toevoegde aan mijn bezoek. Ik was echt onder de indruk.
Wat mij nu wel opviel was dat er meer en meer politiecontroles waren. Je kan ze van verre al zien en met een beetje geluk heb ik ze de hele dag kunnen ontwijken op één keer na. Ik kreeg precies hetzelfde verhaal als eergisteren voorgeschoteld, je dom houden werkt in ieder geval. Misschien was het beter om de volgende keer maar om een helm te vragen.
Bij aankomst in Si Chiangmai had ik ondertussen zo’n trek dat ik maar gelijk bleef voor het ontbijt. Julie was vertrokken en er waren geen andere gasten, ze waren blij om mij weer te zien. Na het ontbijt gingen mijn vergeten spullen in een plastic tasje voorin het mandje van de brommer. Ik was blij dat ik niets was kwijtgeraakt.
Onder het ontbijt was ik het doelwit geweest voor een ander verhaal over de buurt. De tempel in Si Chiangmai was gebouwd voor twee prinsesjes. De overlevering verteld het verhaal dat de meisjes op een dag aan het spelen waren aan de rivier. Al spelend en plonzend in het water raakten ze steeds verder van de oever en verdronken in de verraderlijke stroming. De vader was zo verdrietig dat de Buddha zijn dochters had weggenomen dat hij opdracht gaf om ter plaatse een tempel te laten bouwen voor de eeuwige nagedachtenis aan zijn dochters en om de Buddha te vereren.
Een mooi verhaal, maar nu weer verder op weg naar mijn volgende bestemming. Elk dorp en elk gehucht in Thailand heeft zijn eigen tempels. Oud of modern het maakt niets uit ze worden met dezelfde passie onderhouden en gebruikt voor het aanbidden en vooral bedanken van de Buddha. Aanbidden is misschien niet het woord, de bezoekers van de tempel gaan meestal voor advies of vragen de Buddha om een gunst. Nee, ze vragen niet voor de winnende nummers van de zondagavond lottotrekking maar om gunsten en advies in de persoonlijke sfeer. Het is niet onwaarschijnlijk dat er in de tempel huwlijken worden geboren of juist afgezegd. Een bamboekoker met bamboestokjes is de raadgever. Geknield voor de bronzen Buddha schud de gelovige de koker zo lang totdat er een bamboestokje uitvalt, op dit stokje staat een nummer geschreven. Ze dankt de Buddha en haalt dan een briefje met het corresponderende nummer uit een kast aan de zijkant van de kamer. Op dit briefje staat dan een opsomming wat je kan verwachten voor de toekomst. Eenvoudig toch?
Aan de andere kant van Nong Khai zou ik op een plaats stuiten die niemand mag missen als hij hier in de buurt is geweest. Het “Wat Khaek” is een Buddha Disneyland. Anders kan ik het niet beschrijven. Een grote tuin met enorme Buddhabeelden in verschillende stijlen opgebouwd uit baksteen en cement. Afgewisseld met beelden uit de Hindu verhalen. Het is het geesteskind van een monnik uit Laos die aan de overkant van de rivier ook zo’n park heeft nagelaten. Na een vlucht uit Laos, niet meer dan met een bootje de rivier oversteken, heeft hij zich tot aan zijn dood in Thailand gevestigd. Met de muziek van Donna Summer op de achtergrond heeft hij zich tot aan zijn dood op zijn levenswerk gestort. En het mag er zijn! Het is onbeschrijfelijk dus kijk maar naar de foto’s en het filmpje.
Mijn dag zat er op en de verdiende rust werd verwelkomd. Lekker eten en een paar biertjes. Morgen heb ik een hele lange rit op de brommer voor de boeg en als klap op de vuurpijl heb ik beslist om terug te keren naar Bangkok. Ik ben na vijf weken kapot en wil nu wat rusten en nadenken over wat er verder gaat gebeuren. Ik heb veel plannen en het zal wikken en wegen worden wat ik nu ga doen.


Copyright/Disclaimer