zondag 18 mei 2008

Indonesië, van kamer wisselen

Malang (Surya Hotel)

Een halve rustdag was sowieso gepland maar na het ontbijt werd het probleem van kamer wisselen alleen maar groter. We kregen 10% korting op de prijs van de nieuwe kamer waardoor het verschil nog maar zeventien eurocent was geworden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen idee meer had waarover het nu ging. Maar! We moesten verkassen van kamer 109 naar 107. Deze kamer was duurder en slechter en met de wanhoop nabij probeerde ik nog één keer de zaak te beredeneren met de receptioniste en die bleef bij een resoluut NÉÉ. Daar gingen we dan van 109 naar 107.
Bij het afsluiten was er een probleem ontstaan. Tettje is sleutelbewaker en zijn taak en verantwoording is dat de deur op slot gaat en hij voor de sleutel zorgt. Ik wilde nog even naar de kamer om van het toilet gebruik te maken en tot mijn grote schrik was de deur van de kamer niet afgesloten. Ik wist niet goed hoe ik hierop moest reageren. Een tweede inspectie van de deurknop toonde de reden. De knop en ingebouwd slot lagen los in de opening in de deur en daardoor kon ik de deur zo opendraaien.
Nadat ik een medewerker van het hotel had ingelicht over het probleem verscheen de klusjesman die verwoede pogingen ondernam om het te repareren. Tevergeefs! Daar stond ik dan voor een kamer die niet op slot kon en met al onze spullen voor het oprapen voor éénieder die maar naar binnen probeerde te komen. Tettje was ondertussen komen kijken waar ik bleef en begreep ons probleem. Voor de allerlaatste keer wilde ik met de receptioniste praten over mijn probleem. Helaas! Haar oplossing was om alles in te pakken en de lege kamer open te laten terwijl onze spullen in een hok achter de receptie stonden. Ze zou om twee uur vanmiddag nog een andere monteur laten komen om te zien of hij het misschien kon repareren.
Een slechte en moeilijke oplossing voor ons en de moed zakte me in de schoenen. Op twee kaartjes schreef ik de kamernummers en de prijs. Ik legde ze naast elkaar en de receptioniste keek geïnteresseerd naar mijn handelingen.
“Kijk”, begon ik langzaam op zachte toon.
“Wij betalen voor de dure kamer 107, maar slapen in de goedkope kamer 109”, nog steeds langzaam en op zachte toon.
“De nieuwe gasten betalen de goedkope kamer 109, maar mogen van ons in de dure kamer 107 slapen”, nu met een voorzichtige glimlach op mijn gezicht keek ik op om te zien of ze begreep wat ik bedoelde.
De receptioniste keek van mij naar de kaartjes en begreep nu, waarschijnlijk voor het eerst, wat ik bedoelde.
“You pay for 107 but stay in 109?”, sprak ze voorzichtig.
“Yes, that is my plan”, antwoordde ik opgelucht.
“OK, no problem”, “You move back to 109”, lachte ze opgelucht.
Deze hindernis was ook weer genomen en wij verhuisden weer terug naar onze oude kamer die ondertussen weer was schoongemaakt en de bedden netjes opgemaakt.
Ondertussen liep het al tegen half twaalf en we konden eigenlijk weinig meer gaan doen dan een Chinese tempel bezoeken die we gisteren hadden gezien en een beetje door de stad sjokken. Het was meer afscheid nemen van het aangename Malang, een paar loempia’s voor de lunch en al vroeg gereed maken voor de laatste avond in Toko Oen. Bieren en geen avondeten, dat deden we morgen wel weer. Afscheid van en ook een nieuwe ontmoeting met een stel andere Nederlanders. Voldaan liepen we voor de laatste keer over de brug huiswaarts, morgen met de trein naar Blitar.

zaterdag 17 mei 2008

Indonesië, een rondje Singosari

Malang (Surya Hotel)

Een combinatie van een gebrek aan bezienswaardigheden en het toch nog iets langer willen blijven in het aangename Malang maakte dat we in één dag een rondgang langs vier monumenten van de Singosari Dynastie zouden maken. Wat moet je je hierbij voorstellen? Het zijn vier relatief kleine monumenten uit de 13e eeuw die redelijk goed bewaard zijn gebleven en voor de tweede wereldoorlog zijn gerestaureerd met de steun van de Nederlandse regering. Ze liggen alle vier in een kring rond Malang en zijn met het openbaar vervoer redelijk gemakkelijk te bereiken.
Binnen een minuut zaten we in een microlet op weg naar de busterminal van Arjosari. We zouden hier vandaag nog wel een paar keer langskomen omdat de busterminal het hart van het spinnenweb is voor het microlet vervoer in en rond Malang. Zo moeizaam als het bij de aankomst in Malang ging zo gemakkelijk ging het nu. Echt! Binnen vijf minuten zaten we in een microlet naar een dorp genaamd naar het oude koningrijk Singosari. De chauffeur vroeg geen vreemde bedragen en deed net of we gewone passagiers waren. Voor een moment dacht ik dat het mis zou gaan toen hij ons vroeg of we naar Candi Sumberawan gingen. Ik knikte bevestigend en de chauffeur beantwoordde dit met de opmerking.
“I take you for 50.000 Rupiah”, een glimlach op zijn mond alsof hij net het wiel had uitgevonden.
“No thank you”, reageerde ik en hij knikte en stribbelde niet eens tegen.
Eerlijk als hij was zette hij ons netjes af op de hoek bij de ojeks (brommertaxi’s) en bedankte ons voor de 10.000 Rupiah. De chauffeurs van de ojeks sprongen op en hun ogen gingen nog verder open bij het zien van het briefje van 10.000 Rupiah dat ik aan de chauffeur overhandigde. Ze wilden dus 10.000 Rupiah voor een ieder van ons. Ik lachte hardop en het duurde niet lang voordat hetzelfde bedrag voor beiden van ons accepteerde.
In de verte doemde een vulkaan op en we reden over het echte platteland van Indonesië. Links en rechts rijstvelden afgewisseld met rietsuiker en maïs. In het midden van al dat niets stopten de brommers en de berijders wezen ons op een pad langs een klein irrigatiekanaal. Even verderop zagen we ook het bord “Candi Sumberawan”. Het kanaal was een waterweg vol met leven, er werd door kinderen in gezwommen terwijl de moeder rustig op een van de zon beschutte plaats de was deed. Een oude man repareerde een bamboe loopbrug en een boer schepte water in zijn emmer om zijn groenten mee te bewateren. Om een hoek net achter een klein bos beschermd door een hek met prikkeldraad stond de kleine stupa. Na alles wat ik al heb gezien was het niet de meest indrukwekkende maar het avontuur van de weg er naar toe en de omgeving maakte hem de moeite waard.
Het was maar zes kilometer lopen naar de volgende tempel in Singosari zelf en natuurlijk gingen we die zes kilometer lopen. En het was een interessante weg! Het eerste wat onze aandacht greep was het hoge gezang van een zaagmachine en een verzameling van houten zolen, eh schoenen. Hoe je het ook bekijkt de hoofdonderdelen van vrouwenschoenen die voor het grootste gedeelte uit hout bestaan. Het hele dorp maakt deze schoenen in gedeelten. Zolen, hakken, rubberen zool en leren bovenstuk worden in dit dorp samengevoegd tot het kant en klare product. Een kilometer of twee voor onze bestemming kregen we gezelschap van de dorpsgek die in zijn vuile en afgedragen kleding een paar meter al hardop pratend achter ons bleef lopen. Wat we ook deden we konden niet van hem af komen en hij bleef ons maar volgen. We hadden geen last van hem totdat we bij de Candi Singosari arriveerde. De dorpsgek had een aangeboren talent om op de verkeerde plaats te gaan staan en zo elke keer mijn foto te vervuilen met zijn beeltenis. Toen we ons opsplitsten en ieder aan een zijde van de weg foto’s maakten raakte hij verward. Maar dat was van korte duur want bij de hoofdtempel was hij weer van de partij.
Op weg naar de busterminal van Malang waren we hem toch kwijt en opgelucht genoten we van een koud colaatje voor de deur van een supermarkt. Uit het niets dook hij weer op en zag ons zitten aan de overkant van de drukke autoweg. Terwijl hij het juiste moment zocht om over te steken stapten wij in de eerste microlet die voorbij kwam. Toen ik voor de laatste keer omkeek zag ik hem om zich heen kijkend in het midden van de autoweg staan, hij keek verbaasd in de richting waar wij een minuut geleden nog hadden gezeten. Wij waren in (diesel)rook opgegaan!
Geluk was aan onze kant vandaag en binnen twee minuten in de Arjosari busterminal zaten we nu in een spierwitte microlet op weg naar Tumpang. Tijdschema’s worden gemaakt om in ieder geval te proberen om alles wat er op de lijst staat te zien binnen een dag. Het is heerlijk om op tijd in en uit bussen te springen en hier en daar nog wat tijd over te houden om wat te eten en te drinken. Meestal bleef het wel bij drinken want het eten langs de weg zag er of niet goed uit, of was er helemaal niet te vinden. De dagen op Coca cola en wat kroepoek zijn dan ook talrijk.
Onderweg naar Tumpang vulde de kleine minibus zich tot de nok met een groep vrouwen die net klaar waren met hun werk en met hun kleine pakketjes Nasi Pecel in de hand zich in de bus wurmde. Het duurde niet erg lang of de twee witgezichten waren het middelpunt van de spot.



“What your name, misterrrr?”, klonk het in koor.
En wij antwoorden op onze beurt, “Johnnie and Retteketett”.
Een bulderende lach ging door de bus en de eerste pogingen om Retteketett uit te spreken werden ondernomen. Bij het uitstappen van andere passagiers namen we nog een andere gekheid op in de vorm van Baai baai, zwaai zwaai. De kinderen en ouderen stonden ons elke keer na te zwaaien als wij weer met de bus in de verte verdwenen. Het duurde niet lang of de twee werden samengevoegd en de hele minibus oefende in koor.
“Baai Baai, zwaai zwaai, retteketett”, gevolgd door een lang lachen van de passagiers.
Toen de laatste vrouw de bus verliet klonk het ook voor het laatst. Wij moesten er zelf ook erg om lachen. Het duurde niet lang en we stonden in het centrum van Tumpang en konden het kleine stukje lopen naar de Candi Jago. Het was een monument opgericht voor een bezoek van een koning, een beetje meer van hetzelfde om eerlijk te zijn en behalve een erotische afbeelding konden we weinig nieuws ontdekken in deze hoop stenen. De tempel is niet al te best bewaard gebleven en aan de verschillende bouwstenen te zien lag niet alles op de juiste plaats. Vanaf een afstand leek het in ieder geval op een oud monument.
De laatste van het kwartet, de Candi Kidal, was een tegenvaller en we hadden ook een beetje pech. Het was goed om te zien dat er in ieder geval iets gedaan wordt aan “conservasie” en dat je donaties worden gebruikt om de tempels in stand te houden. Ze waren net bezig de bamboesteiger aan het afbreken en als we een dag of twee later waren gekomen hadden we het grafmonument van Koning Anusapati in volle glorie kunnen aanschouwen.
Nu gingen we onverrichter zaken weer terug op weg naar Malang en het geluk bleef ons bij tot aan het hotel. Hier wachtte ons een onaangename verrassing! Het hotel was volgeboekt voor morgen dus we moesten verkassen. Natuurlijk was ik erg verbaasd want ik had duidelijk vermeld dat we vier nachten zouden blijven en ik had voor twee nachten betaald. Het jaknikken van de receptionist betekende echter “ik begrijp er geen moer van!” en zo waren wij dus maar voor twee nachten ingeschreven. Ontmoedigd probeerde ik nog het één en ander te redden en gelukkig begreep de nieuwe receptioniste de engelse taal wat beter. We konden blijven maar dan moesten we morgen naar een andere kamer verhuizen. Die kamer was € 1,50 per nacht duurder. Natuurlijk was dat geen probleem en het leek dat het probleem voorgoed uit de wereld was.
Eten en drinken bij Toko Oen stond op het avondprogramma. Gisterenavond hadden we kort gesproken met een echtpaar uit Indonesië dat heel lang in Nederland had gewoond. Vanavond waren wij aangeschoven en hadden een fijn gesprek met Rob en Olga gehad. Een paar biertjes en een goed gesprek en de avond is zo aan een einde, zeker in Toko Oen dat om half tien de gordijnen sluit. Er was weer een mooie dag ten einde in de Republiek van Indonesië en we wisten diep in ons hart dat er nog veel mooie dagen zouden volgen.

vrijdag 16 mei 2008

Indonesië: De verschrikkingen van een verstopte oorlog

Malang (Hotel Kartika Kusuma)

Na negen uur muurvaste slaap schiet ik, wegens de hoog opgelopen, druk in mijn blaas uitgerust wakker. Vandaag gaan we het dus rustig aan doen. Het is onze eerste echte rustdag sinds we negen dagen geleden voet op Indonesische bodem hebben gezet. Althans, zo hebben we dat afgesproken.
Een hotel in Indonesië met een ontbijt bij de prijs inbegrepen blijft altijd een verrassing. Hoewel brood, roti, met mondjesmaat is doorgedrongen tot de supermarkten in de grote steden blijft het buiten de echte toeristengebieden wel anders. Vanzelfsprekend eten de mensen hier rijst of noedels als ontbijt. Omdat een ei universeel is in elke wereldkeuken worden die dan ook in alle bij ons bekende bereidingswijzen geserveerd.
Er zijn verschijnen sporen van paniek bij het dienstdoende personeel wanneer wij vanuit de tuin, op de binnenplaats van het hotel, in het kleine restaurant verschijnen.We zoeken een plaatsje in het kleine restaurant en Tettje zoekt een asbak voor het eerste sjekkie van de dag. We hebben geen enkele verwachtingen over het ontbijt en laten ons door de kok en de serveersters verrassen.
Koffie is het eerste wat op tafel verschijnt! Dat is een prima start voor twee koffieliefhebbers zoals Tettje en mijzelf. Terwijl ik de sterke zwarte koffie in de kleine kopjes schenk kruipen de flarden koffiegeur in mijn neus omhoog. Indonesië, Java en de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie), allen doen mij meteen aan koffie denken. Goede koffie, zoals we in Nederland gewend zijn.
De eerste bordjes verschijnen op tafel. De kleine witte geroosterde boterhammen zijn maar net iets groter dan een plakje cake. Het brood is zoet, net als de gele margarine. Vier gekookte eieren volgen niet veel later, we knikken goedkeurend naar elkaar en zijn nog meer verrast wanneer we voelen dat de gekookte eieren nog warm zijn.
In plaats van peper en zout worden de eieren gevolgd door een klein schoteltje met de bekende felrode aardbeienjam. En daar zitten wij nu niet op te wachten. Links en rechts naast de deuropening staan twee vrouwen die elke beweging van ons nauwlettend in de gaten houden Bij het begin van mijn eerste wenk staan ze aan direct aan onze tafel.
‘Peper en zout?’, vraag ik terwijl ik naar de eieren wijs.
Ze kijken elkaar verbaasd aan en ik begrijp meteen dat ze het engels, de taal van de grote satan, de Verenigde Staten van Amerika, niet machtig zijn. Met eerst mijn rechtse en daarna mijn linkse hand maak ik een schuddende beweging boven de eieren alsof ik een peper en zoutstel in mijn handen heb. Er verschijnen twee brede lachen op de gebruinde gezichten, ze hebben het begrepen en niet veel later staat er een schoteltje met een hoopje zout en een schepje peper naast het bordje met de hardgekookte eieren.
Zodra ik mijn schouders ophaal en overdreven verbaasd naar de hoopjes wijs staan de twee serveersters in een flits weer naast de tafel. We kijken elkaar verbaasd aan omdat we geen van allen weten waar we moeten beginnen.
Ik open het gesprek en wijs naar de eieren, ‘telur’, zeg ik zachtjes waarna ik naar het zout wijs.
Ze begrijpen meteen wat de bedoeling is en een van de serveersters wijst naar het zout, ‘garam’, fluistert ze en glimlacht ontwapenend.
De andere serveerster haakt meteen in en wijst naar het hoopje zwarte peper, ‘lada hitam’, schatert ze luid.
‘Lada hitam, garam’, herhaal ik terwijl ik de hoopjes een voor een aanwijs.
Mijn eerste les Bahasa Indonesia geleerd en de blijdschap straalt van de gezichten van de serveersters af. Het geroosterd brood met de eieren smaakt ons prima en de bordjes zijn snel leeg. Wachten op een tweede portie heeft geen zin, met dit ontbijt moeten we het doen. Nog een laatste bakkie van de heerlijke koffie en dan gaan we op stap. Vandaag gaan we stad in om te kijken wat er de komende dagen allemaal rond Malang te doen is.

Malang ligt op ongeveer 450 meter hoogte en dat maakt de temperatuur overdag een stuk aangenamer dan de drukkende warmte op zeeniveau en ook de nachten minder koud dan bij de Gunung Bromo. Zonder plannen en met de GPS als trouwe metgezel gaan we op pad. In het daglicht ziet Malang er anders uit. Op de grote rotonde vlakbij het hotel raast het verkeer als een altijd draaiende carrousel voorbij. Heel veel knetterende en rokende brommertjes en kleine volgestouwde blauwe minibusjes worden sporadisch afgewisseld door een verdwaalde personenauto.
Al slenterend richting de ons bekende weg naar Toko Oen krijgen we op het trottoir door een jonge Javaan een kaart van Malang in onze handen gestopt die een handvol bezienswaardigheden aangeeft die in geen van de reisgidsen vermeld staan.
Terwijl de vertegenwoordiger van het reisbureautje, in prima engels, aan Tettje verteld wat we allemaal kunnen gaan doen tegen welke prijs bestudeer ik de kaart. Tettje zegt geen woord terug en knikt alleen maar vriendelijk tegen de jongen die steeds enthousiaster wordt. Dat Tettje helemaal geen engels verstaat ontgaat hem helemaal. Zodra ik klaar ben met het bestuderen van de kaart vouw ik de kaart op, steek hem in mijn borstzak, en bedank ik de Javaan voor de kaart en zijn tijd. Hij blijft verbaasd en als verlamt achter op het trottoir terwijl wij licht heuvelopwaarts richting de ons enige bekende weg in Malang  lopen.

Enkele tientallen stappen verder staan we naast de eerste bezienswaardigheid uit de Lonely Planet. De vogeltjes markt op de brug over de Kali Mantras. Nu zal ik niet tegenspreken dat de lat voor ons al aardig hoog ligt als het op bezienswaardigheden aankomt maar ik ben persoonlijk bang dat wanneer deze markt wordt aangeprezen door een vooraanstaande reisgids er zeer weinig te zien is in Malang.
Honderden wilde vogeltjes en reptielen, die waarschijnlijk niet eetbaar zijn, zitten opgesloten in de mooiste bamboe en houten kooitjes te wachten op klanten die te lui of te dom zijn om er zelf een te vangen. Ook zijn legkippen en vechthanen spaarzaam aanwezig. Het is het basisprincipe van de economie! Het inhuren van arbeid om iets de laten doen wat je zelf niet kan of te lui bent om te doen.
We gaan weer verder op weg naar de Nederlandse Christelijke begraafplaats aan de rand van de oude stad. De moderne binnensteden van Indonesië zijn niet de allermooiste! We passeren de gouden bogen waar we gisteren hebben gegeten en ook Toko Oen lijkt open te zijn op deze zonnige ochtend. De kaart zelf blijkt niet op schaal te zijn dus moet er regelmatig de weg worden gevraagd, wat hilarische taferelen met zich mee brengt.

Een stukje voorbij Toko Oen komen we op een plein dat zwart ziet van de mensen. En dat is logisch! We staan voor de “Masjid Agung Jami” en het is vrijdag vandaag. De belangrijkste dag van de week voor de moslims, de Yaum al-Jum‘a (يوم الجُمْعَة), oftewel de dag van de samenkomst. En samengekomen zijn ze, in grote getale met al hun mannelijke nazaten en vaders!
Vanzelfsprekend trekken twee witte westerlingen voor de moskee veel bekijks. Na mijn, ‘As-salam Alaikum’, (Moge de vrede met u zijn) verandert de stemming van de mannen om ons heen. Niet dat ze vijandig waren maar toch wel wat afstandelijk. Ik voel een vleugje afschuw gevolgd door nieuwsgierigheid. Enkele van de mannen die de beginselen van de engelse taal machtig zijn knopen een gesprek met ons aan terwijl we rusten in de koelte van de schaduw van een boom op het plein.
Het zijn de bekende gesprekken! Belanda? Hoe slecht de Hollanders wel niet voor de Indonesiërs waren en hoe groot Bung Karno, de moedige vrijheidsstrijder in de strijd tegen de Hollanders, wel niet was. Er wordt geen woord gerept over Mohammed Hatta! De in ongenade gevallen en uit de geschiedenisboeken verwijderde broeder in de onafhankelijkheidsstrijd van Sukarno.
Op mijn antwoord dat de scholen, ziekenhuizen en spoorwegen door de Nederlanders gebouwd nog steeds in gebruik zijn heeft niemand een weerwoord. De man vertaald elk woord en elke zin aan de toegestroomde mannen die met geopende monden het gesprek proberen te volgen.
Deze mensen zijn door populistische en corrupte regeringen gehersenspoeld! Net als wij in Nederland en overal op de wereld. Zoals de overtuigde Nazi en Minister van Propaganda onder Adolf Hitler, Joseph Goebbels, al zei: ‘De mensen geloven een grote leugen sneller dan een kleine, en als je die vaak genoeg herhaalt, zullen mensen die vroeg of laat geloven!’
Politiek, religie en reizen gaan nooit samen wanneer je op reis bent in een vreemd land en brengen alleen maar ruzie en ellende. Ik laat me niet meer verleiden tot een politiek gesprek en dank beleefd de aanhoorders en geef Tettje een seintje dat we weer verder gaan.

Ondertussen is het alweer half een geweest en wordt het de hoogste tijd voor de lunch. Eten is nooit ver weg in zuid-oost Azië en Indonesië is daar geen uitzondering op, al is het niet altijd even gemakkelijk om een geschikte plaats voor twee personen met verschillende ideeën over restaurants te vinden. In een foodcourt onder een soort van warenhuis vinden een kleine selectie restaurants. Na een keer rond alle restaurants te zijn gelopen en de borden van de etende gasten te hebben bekeken valt onze keus op een klein stalletje dat zijn “Bakmie” aanprijst.
De vrouw lacht ons zenuwachtig toe vanachter haar handen wanneer ik ‘dua bakmi ajam telur goreng’ bestel. Om eerlijk te zijn sta ik er zelf ook een beetje van te kijken dat het zo gemakkelijk in me opkwam. De groenten en de kip worden gesneden en verder gebeurt er niets. Verbaasd zitten we, met een lauwe frisdrank en een plastic bekertje met wat ijs, te wachten tot er wat gebeurt. Pas wanneer haar man is teruggekeerd gaat de vlam onder de Wadjang en niet veel later sissen de ingrediënten in de pan. Sambal en ketjap staan al op tafel, Hollandser kan het haast niet!
Onder het eten trekken we ook hier veel bekijks. Een eindeloze optocht van nieuwsgierige Javanen trekt aan onze tafel voorbij. Met een ongeïnteresseerde blik in hun ogen, maar ze kunnen de nieuwsgierigheid niet verstoppen. Dat is niet altijd even aangenaam wanneer je rustig wil eten maar het hoort nu eenmaal bij het reizen. Dus je leert het te aanvaarden zoals het komt. Tettje rookt nog een sjekkie en wij gaan snel verder naar ons doel voor vandaag, de Nederlandse begraafplaats.

Veel mensen zijn langs de weg op hun eigen manier bezig om wat geld te verdienen. We zien twee mannen kentekenplaten uit stroken aluminium hameren en verwerken tot het volledig kant en klare product, inclusief verf spuiten en het aanbrengen van de witte verf op de letters.

In een volgende straat worden autobanden en binnenbanden tot van alles en nog wat verwerkt, van vuilnisbakken tot sandalen. Dat is nog eens recyclen! En nog even verder heeft een man zijn eigen loterij. Met pakjes sigaretten als prijs, de hoofdprijs is een hele slof sigaretten. Veel mensen wagen een gokje! Arme mensen dromen nu eenmaal meer van een prijs winnen dan rijke mensen.

Op de begraafplaats is het wat vreemd, we kunnen aanvankelijk maar één of twee graven ontdekken met Nederlandse namen er op. Bij navraag aan een schoonmaker/tuinman die tussen de nieuwe graven aan het werk is wordt de verschrikkelijke waarheid duidelijk!

Het is voor ons niet te bevatten wat mensen kan bewegen om de doden niet vredig te laten rusten. Dat vredige rusten is diepgeworteld in het christendom en enkele stromingen in het Boeddhisme maar de moslims hebben niets meer met hun doden op zo lijkt het.

Nadat Indonesië, volgens de Nederlandse regering op 27 december 1949 maar volgens Indonesië zelf op 17 augustus 1945, haar onafhankelijkheid had verworven heeft er zich hier een moderne beeldenstorm afgespeeld op het kerkhof. Bijna alle Nederlandse graven zijn uit pure haat en frustratie vernield.
De foto’s van de overledenen van de grafstenen losgeslagen en de marmeren en granieten naamplaten aan gruzelementen geslagen. Dit alles uit haat en kwaadheid jegens den Hollandsche overheerser. Een enkel graf is onaangeroerd omdat het uit één dikke plaat graniet bestaat of het misschien van een Nederlander was geweest die wel goed voor de lokale bevolking was geweest.

Het is dieptreurig om graven te zien die waren ingericht om een echtpaar in het eeuwige te herenigen en waarvan één zijde leeg is gebleven omdat de meeste Hollanders na de onafhankelijkheid hebben moeten vluchten. Ook een bladzijde in de vaderlandse geschiedenis waar wij in Nederland nooit iets over hebben gehoord. Grote groepen gewapende jonge Javanen die jacht maakten op de overlevenden van de Japanse kampen. Een enkel graf is jaren later weer in zijn oude glorie hersteld en lag er nu weer vredig bij.

Later zien we ook nog dat de stukken van de marmeren en granieten naamplaten zie zonder enig respect zijn gebruikt als wegverharding. Een symbolisch gebaar in de vorm van “het over de Nederlanders heen lopen?” De geschiedenis van Indonesië die we niet op school hebben gehad. Een ander Indonesië dan in de romantische verhalen.

Het maakt ons stil en na een half uur houden we het voor gezien. Het is geen wonder dat de grote reisorganisaties deze bezienswaardigheid overslaan. Dit valt moeilijk onder te brengen in een culturele vakantie en ontneemt wel wat van je vakantiegevoel. Dat gevoel wordt een beetje verdrongen door kwaadheid. Onderweg denk ik nog wat na over wat ik vanmiddag heb gezien en ik kan het allemaal maar moeilijk bevatten.
Aan de andere kant heb ik ook nooit op school geleerd dat het grootste gedeelte van de Indonesische bevolking tijdens de koloniale overheersing moslim was, ook in de dagen van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Moslims lijken iets van de afgelopen dertig jaar. Maar niets is minder waar! In de vroege ochtend klonk over de honderden ontwakende plantages  in het oude Nederlands Indië het “Allahoe Akbar”, een boodschap dat god groter is dan de Nederlanders. Een boodschap die ze in Den Haag veel eerder hadden moeten horen.

Onderweg passeren we nog een bijzonder huis! We noemen het meteen "Het Mondriaan Huis van Malang." Zo is er toch nog een beetje kleur aan het einde van deze grijze middag.
Voor het avondeten hebben we gekozen voor een instituut in Malang. Het “Toko Oen” restaurant. We stappen vanuit onze tijdcapsule zo de jaren vijftig binnen. Houten vitrines met koekjes en snoep zoals ik ze van de Jamin in de Boschstraat of Hil de Bil uit de kerkstraat herinner. Oude rotan stoelen die heel modern zijn geweest zo’n zeventig jaar geleden. Ook het eten is prima, alleen sluit de “Toko Oen” al om half tien. Je mag je biertje leegdrinken maar dan wordt je wel via de achterdeur van het restaurant naar buiten geleid. Zo zit dus onze eerste dag in Malang er op. Morgen wordt het een lange dag Javaanse tempels bekijken.
Copyright/Disclaimer