maandag 3 maart 2008

Sri Lanka, de laatste lange dag

Anuradhapura, 03/03/2008

Het was een dag met twee gezichten. Precies een week nadat ik voor het eerst met Graham op pad was gegaan was het nu tijd voor afscheid. Zoals jullie wel eens vaker in mijn verhalen hebben gelezen, ik vind afscheid nemen altijd weer moeilijk. Zo dus ook vandaag. Het plan was om gelijk met Graham op pad te gaan en samen nog wat te ontbijten maar na een halve kilometer ontdekte ik dat ik mijn Rabobank telebankieren computer was vergeten. Ik moest terug om het ding op te halen want ik had al in geen drie weken mijn financiële situatie bekeken. Dat was het dan! Langs de weg ergens in Anuradhapura schudden we elkaar de hand en zeiden vaarwel en wensten elkaar een goede reis. Een laatste blik en dat was dat. Graham riep me nog na dat hij me aan het einde van het jaar zou komen opzoeken, dat zou leuk zijn want we hebben samen veel plezier gehad en hij lijkt in erg veel opzichten op mij.
Nadat ik mijn Rabobank apparaat had opgehaald en de nodige handelingen had verricht in een internetcafé kon ik op pad. Het zou een lange wandeling worden. Twee personen hadden mij ervan proberen te overtuigen om toch maar een fiets te huren maar ik ben nu eenmaal erg eigenwijs en ik hou van wandelen.
Vanaf hier heb ik de keuze om jullie of een droge opsomming te geven van de bezochte tempels of gewoon wat algemene indrukken op papier te zetten. Ik begin met de laatste gevolgd door een opsomming van de tempels die ik vandaag heb bezocht.
Aangekomen bij de tempels vielen twee dingen mij meteen op. Het wemelde van de bedelaars met de steevaste opmerking, “Goodmorning Money” en ik was de enige toerist in de eerste tempel. Dat laatste moet voor de gehele bevolking hier verschrikkelijk zijn. Er komt absoluut geen toeristengeld meer binnen in deze toeristenstad. Om hier nu als toerist te zijn is ook geen pretje. De mensen zijn hard en vechten om elke Roepie die wordt uitgegeven door toeristen en de lokale bevolking. Je ziet de wanhoop in de ogen van de mensen.
Mijn eerste fout was ook meteen ontdekt toen ik de tempel van de heilige “Bohdi boom” wilde betreden. Ik was mijn broekspijpen vergeten klaar te leggen. De toegang tot de tempel werd mij dus resoluut geweigerd. De GPS gaf aan dat ik al vier komma één kilometer had afgelegd en mijn broekspijpen even ophalen zou een kleine twee uur in beslag nemen. Met een heel klein beetje aandringen kreeg ik het voor elkaar dat ik twee witte lappen stof kreeg die ik om mijn benen moest knopen. Het moet een grappig gezicht zijn geweest hoe ik gebukt met beide handen al lopend de lappen stof op de plaats probeerde te houden. Eenmaal uit het zicht van de bewaking deed ik ze af en liep veel gemakkelijker over het tempel terrein.
Ik heb nog nooit zoveel politie en soldaten in het openbaar bij elkaar gezien, zelfs niet toen ik in 2001 Birma bezocht. Ze waren ook niet altijd vriendelijk! Soms werd ik gewoon geroepen en ze lieten me een paar minuten voor ze staan zonder wat te zeggen.
Dan kwam het onvermijdelijke en voorspelbare, “Where you come from?”.
Het antwoord “Holland” verbaasde en verwarde ze tegelijkertijd, door mijn hoed hadden ze waarschijnlijk Australië verwacht.
Je hoorde de straaljagers in de lucht en die scheerden onzichtbaar door de grote witte wolken, er hing ook regen in de lucht. Maar niet voor de opstandelingen van de “Tamil Tijgers”, het geluid in de verte leek op luchtafweergeschut gevolgd door het zware geluid van exploderende bommen. Geen prettig geluid als dat op ruim twintig kilometer van je gebeurd. Ik ben niet echt bezorgd maar ik wil hier wel zo snel mogelijk weg.
Het ritueel van de omslagdoek, nu uit één stuk, werd bij de meer belangrijke tempels nog een paar keer herhaald maar eenmaal in de noordelijke ruines kon ik vrij rondlopen en had van niemand last. Het was zo rustig dat ik zelfs de mogelijkheid om een keer te wildpoepen toen moeder natuur riep en ik het niet meer kon ophouden. Zo struinde ik van tempel naar tempel en aan het einde had ik 22,4 kilometer op mijn teller staan. Het was een fantastische dag geweest en morgen ga ik met de trein terug naar Kandy. Ik wil gewoon rustig mijn dagen volmaken op Sri Lnaka en de laatste vier dagen heerlijk in een viersterren hotel doorbrengen aan het strand van Negombo.
Onderweg in het tempelpark was ik ook John nog tegengekomen en half/half was er afgesproken om vanavond samen wat te eten in “Casserole”, een restaurant dat Chinees zou serveren en ik was wel weer aan wat fatsoenlijks te eten toe. Vroeg als ik altijd ben betrad ik het koele restaurant. Geen bier bij het Chinees! Nou ja, een flesje gemberbier dan maar, limonade zonder alcohol met een exotische afdronk. John was een kwartier te laat en ik had net mijn eten besteld. Hij kwam niet verder dan een boord gebakken rijst van een Euro. Ik snap die gasten persoonlijk niet die altijd op het eten bezuinigen maar wel roken en bier drinken.

Mijn Chowmein met noedels was OK maar de kip met cashew noten had ik vaak beter gegeten. Maar ik was ondertussen al gewend aan de middelmatige kwaliteit van het eten op Sri Lanka. We hadden afgesproken om nog een paar biertjes in mij hotel te drinken en door het pikkedonker liepen we terug. Je kon echt geen hand voor je ogen zien nadat in de hele stad de stroom was uitgevallen. Het gebeurde hier wel vaker had ik gehoord maar dat er geen straatverlichting was viel me wel zwaar tegen. In het hotel draaide het noodaggregaat op volle toeren en binnen een mum van een tijd zaten we achter een grote koude fles Lion Bier. Als ik geweten had dat er maar twee flessen in de koelkast stonden had ik rustiger aan gedaan. Het smaakte me zo goed na het eten dat ik de fles in vier teugen naar binnen had laten lopen.
Dat was dus meteen het einde van de avond. John en ik namen afscheid en spraken af dat we elkaar morgenvroeg tussen kwart over zeven en half acht bij de bakker zouden ontmoeten. Als hij kon opstaan zouden we samen naar Kandy reizen met de trein. Op de weg naar mijn kamer had ik nog een kort gesprek met een stel uit Luik die voor de eerste keer in Azië waren. Zij vonden Sri Lanka schitterend. Zo blijft mijn mening nog steeds overeind, aan het einde van mijn reis over ruim een week zal ik in de conclusie alles beter uitleggen.




Dit is de complete lijst van tempels die in mijn fotoalbum staan.
1. Sri Maha Bohdi
2. Brazen Palace
3. Ruvanvelisaya Dagoba
4. Jetavanarama Dagoba
5. Royal Palace
6. Samadhi Boeddha Beeld
7. Abhayagiri Dagoba
8. Mahasena’s Palace
9. Ratnaprasada
10. Elephant Pond
11. Lankarama
12. Thuparama Dagoba
13. Basawakkulama Resevoir
14. Dhakkhina Dagoba
15. Isurumunia Vihara

zondag 2 maart 2008

Sri Lanka, mijn tweede echte rustdag

Anuradhapura, 02/03/2008

Weer om half zeven opstaan! Pffff, het lijkt wel werken als ik zo op reis ben. Nadat ik gisteren een beetje teleurgesteld was in het hele gebeuren ben ik nu weer met een positieve instelling opgestaan. Niks eerder naar Maleisië vliegen maar gewoon rustig aan doen en deze reis netjes afmaken.
Het ontbijt was redelijk en we moesten al om acht uur op het nieuwe, buiten de stad gelegen, busstation zijn. De lokale bus deed wat van hem werd verwacht en zo waren we iets over acht op het busstation. Helaas kregen we te horen dat de bus naar “Anuradhapura” pas om kwart voor negen zou vertrekken. Mij maakte het niets uit maar voor Graham telde elke minuut. Het allerbelangrijkste was toch dat we nu zitplaatsen hadden en niet drie uur hoefden te staan net als gisteren.
Het werd weer een beetje klimmen naar grotere hoogten en op de tweehonderd meter hoog gelegen hoogvlakte zagen we mooie meren en veel rijstvelden. De wegen werden niet echt beter en we hadden steeds meer het gevoel dat we in een derdewereldland waren. Plaggen hutten waren er nu ook regelmatig te zien. Ik heb moeite om nu nog een eerlijk beeld van Sri Lanka te vormen.
Na een busreis van een kleine drie uur stonden we aan de hoofdstraat naast het monumentenpark van “Anuradhapura”. Weer hadden we geen enkele backpakker gezien vandaag! Wel een grote touringcar die halfvol zat met Japanners. Twee blanken die uitstappen zijn ook meteen het middelpunt van alle aandacht. Tuk-tuk chauffeurs komen aangerent met een stevige concurrentie van de ronselaars die je naar een bepaald hotel willen brengen, voor een goed vindersloon natuurlijk. Mijn eerste keuze was gevallen op het “Samanal Lake View Resort”, Graham vond een minibus die ons voor 50 Roepies naar de buren van het “Grand Tourist Holiday Resort” zou brengen. Tijd is geld en haast was geboden.
Nadat ik beide had geinspecteerd koos ik voor de eerste, het “Samanal Lake View Resort” vroeg 1000 Roepies en had warm water. Een mooie grote kamer met twee bedden. Graham huurde bij de buren een fiets en ging op zijn laatste middag de overblijfselen van het oude koningrijk bekijken. Mijn plan was om hier nu drie nachten verblijven en lekker rustig aan doen.
Zes uur, half zeven was de afspraak en ik was de sleutelbewaarder. Graham verdween in de verte en ik zelf slenterde de slaperige stad in op de zondagmiddag. Ik wilde eerst een guesthouse bekijken waarvan ik eerder had gehoord dat het wel OK was en goedkoop eten en bier had. En dat is altijd meegenomen nietwaar? Het “Cottage Tourist Rest” zag er uit als een betonnen bunker uit de jaren vijftig die in frisse kleuren was opgeschilderd. Nadat de kamer gezien had en naar het eten had geïnformeerd wist ik voor negentig procent zeker dat ik morgen zou verkassen en hier mijn intrek zou nemen. In mijn hotel had het eerste probleem zich al aangekondigd in de vorm van een nest grote zwarte mieren en die krengen zaten overal. Het gebouw was ook niet echt schoon wat getuigde van een zeer lage bezettingsgraad.
Nadat ik mijn late lunch had genuttigd die bestond uit vier heerlijke broodjes met verschillende beleg en vulling trok ik me terug op de veranda voor mijn kamer en werkte aan mijn verhalen.

Wat een mooie laatste avond voor ons had moeten worden eindigde in een ramp. Het aanbevolen restaurant bleek een ontmoetingscentrum voor jongen alcoholisten en de minder intelligente personen van “Anuradhapura”. Er schoven langzaam en één voor één lokale jongeren bij ons aan tafel en alles onder het excuus wij zijn geïnteresseerd in jullie land en vinden het leuk dat jullie naar Sri Lanka komen. De werkelijkheid was anders! Keek je de andere kant op dan probeerden ze hun glas met jouw bier te vullen. Sigaretten werden gegrepen zonder dat het werd gevraagd en het duurde natuurlijk niet lang voordat de sfeer omsloeg en dreigend werd toen wij weigerden voor hun bier te betalen. Ze hadden het idee opgevat dat wij per persoon even 100.000 Roepies gingen betalen en voor hun sponsoring zouden zorgen om naar Europa te kunnen. 100.000 Roepies is heel weinig geld voor ons, althans in hun kleine belevingswereld. Het werd allemaal nog erger toen ze een flinke hoeveelheid sterke drank hadden genuttigd. Gelukkig nam de dreiging snel af omdat ze na een kwartier hun ogen amper open konden houden, maar de avond was al verpest.
Stilletjes rekenende we af en kwamen tot de ontdekking dat de meeste mensen hier gewoon door en door slecht zijn, oftewel dat de toeristensituatie heel slecht is. Het afgesproken buffet ging van 150 Roepies naar 325 Roepies. Aan de drankjes was niet te tornen maar weer hadden we een bittere smaak overgehouden aan een avond in Sri Lanka. Op bed bedacht ik nu dat ik nog maar één nachtje hier zou blijven en dan terug zou keren naar Kandy.
John, een andere Engelsman die we ontmoette in het restaurant was ook van mening dat hij nooit meer zou terugkeren naar Sri Lanka. Dat maakt het drie uit drie die ik ken en dat is geen toeval.

zaterdag 1 maart 2008

Sri Lanka, alles op één hoop

Polonnaruwa, 01/03/2008

Goedemorgen, vandaag wordt één van de drukste dagen van mijn reis naar Sri Lanka. We hadden natuurlijk de wekker gezet en de eigenaar laten weten dat we vroeg wilden eten. Om precies zeven uur zaten we aan het ontbijt en hadden een gesprek met als hoofdonderwerp hoe verschrikkelijk dom de regels voor het bezoeken van de bezienswaardigheden in de culturele driehoek waren. Seconden na half acht gingen we op weg, we hadden onszelf twee uur gegund voor de “Lion Rock”. Vandaag zouden we, met de precisie van een militaire operatie, twee belangrijke culturele plaatsen bezoeken.
De toegangsprijzen voor de bezienswaardigheden zijn nu flexibel en beter gezegd “dagprijzen”. De regering heeft met de enorme inflatie in het land besloten om de prijzen nu maar meteen te verdubbelen én in Amerikaanse Dollars te rekenen. Zo zijn deze inkomsten tenminste inflatievrij. Veertig dollar om drie plaatsen te zien is misschien wel een redelijke prijs maar niet als je bedenkt dat je maximaal één dag per plaats mag zijn. Als je ’s middags om twee uur begint en het park sluit om zes uur dan zit je dag er op. Heb je nog niet alles gezien dan kan je altijd nog een tweede kaartje kopen voor twintig dollar. Er is hier niemand maar de weinigen die er zijn reizen als razende Roelands tussen de plaatsen heen en weer, zo ook wij.
Dus op weg naar de “Lion Rock”, via een stevige omweg kwamen we bij de poort aan en kochten de kaartjes. Afscheuren en de nummers opschrijven, heel veel zinloos werk. Er was dus geen levende ziel op de berg, uitgezonderd een oudere Amerikaanse vrouw die ook bij ons in het guesthouse verbleef. Wij waren dus nummer twee en drie van de dag. De souvenirverkopers straalden wanhoop uit, hun inkomsten waren misschien nog maar een tiende van wat het was geweest sinds het conflict opnieuw was aangewakkerd. Ons soort koopt nu eenmaal niets van die rotzooi omdat wij daar niets om geven en het alleen maar plaats inneemt in de rugzak.
De rots lag oppermachtig in de opkomende zon aan het einde van een brede laan. Vroeger waren er hier uitgebreide tuinen geweest met ingewikkelde hydraulische systemen. De Srilankanen praten graag over een paleis op de top maar het is onomstotelijk vastgesteld dat zich hier altijd een klooster heeft bevonden. Het eerste stuk van de beklimming ging tussen rotsen door en leidde tot de eerste stenen trappen. Links en rechts van het pad meer tuinen met exotische namen en beschrijvingen.
Ongeveer halverwege de berg kwamen we bij de “Fresco’s” en vol onbegrip keken Graham en ik elkaar aan. Deze fresco’s hadden we gisteren verwacht te zien bij de gouden tempel als we de entree hadden betaald. Samen hadden we het dus mis gehad en we stonden nu oog in oog met enkele van de belangrijkste kunstschatten van Sri Lanka. Twee bewakers trokken dikke gordijnen aan de kant zodat we goede foto’s zonder flits zouden kunnen maken. De fresco’s zijn van een ongekende schoonheid!
Helaas tikte de klok door en we moesten afdalen over de oude spiraaltrap naar de “Spiegelwand”. Deze gestuukte muur werd vroeger ingesmeerd met bijenwas totdat hij glom als een spiegel. De monniken konden zo duizend jaar geleden hun eigen spiegelbeelden bewonderen. Wij waren niet echt onder de indruk.
De klauwen van de leeuw was na een stukje klimmen het volgende onderdeel van de rondleiding. Ook hier hebben de Srilankanen hun fantasie de vrije loop gelaten en de meest fantastische doeleinden bedacht en beelden gevormd. Niemand heeft het ooit gezien of beschreven en zo is dit het grote onbekende. Wat wel van deze tijd is is het oerlelijke roestende hek dat er omheen is geplaatst. Het dient geen enkel doel behalve het onmogelijk maken van een mooie foto. Dat word een paar uur “Photoshoppen” om dat lelijke hekwerk te verwijderen!
Snel verder naar de top om de grote hal en het reservoir te zien. Op honderdzeventig meter boven de vlakte staan de funderingen van de oude hal waarin zich ongetwijfeld ooit een mooie Boeddha heeft bevonden. Ook hier is de flauwekul troef, voetstukken voor Boeddhabeelden die precies naar het oosten wijzen (opkomende zon) worden aangeduid als de troon voor de koning die hier ooit zou hebben gewoond. Welke koning zou tegen de wand van een gebouw gaan zitten aankijken terwijl twintig meter verderop een zwembad vol met naakte vrouwen is? Aan de andere kant van de rots, naar het westen wijzend (ondergaande zon) wordt dit verhaal ook stug volgehouden. Maar welke koning zou in de koude schaduwkant van paleis gaan zitten kijken? Mannen doken op uit het niets en bleven naast je lopen. Al nonsens uitslaand over de paleizen, koningen en andere fantasie verhalen over de plaatsen die we passeerden. Na een tiental minuten werd de hand dan opgehouden dat ze wel 500 Roepies konden gebruiken voor hun bewezen diensten. Graham en ik keken elkaar aan en liepen onverstoord verder.
De “Lion Rock” in Sigirya zat er op en we hadden iets meer tijd verbruikt dan we dachten. Geen probleem zolang we maar geluk hadden met de aansluiting voor de bus naar “Polonnaruwa”. De rekening in de “Nilmini Lodge” werd betaald en met een groet plaatsten we ons aan de overzijde van de weg. Binnen tien minuten zaten we in de bus op weg naar de splitsing vanwaar we de volgende bus zouden nemen.
We hoefden niet al te lang te wachten op de bus naar “Polonnaruwa”, maar deze was wel bomvol en we moesten staan. Als sardientjes in een blik stonden we in het gangpad van de bus. We stonden schrap om niet om te vallen bij een onverwachte beweging van de bus. Niet teveel nadenken en alles uitschakelen, dan gaat de tijd het snelst! Mijn schouder deed nu weer flink pijn sinds ik met de pijnstillers was gestopt. Nou ja, ik was niet gestopt, ze waren gewoon op. Een schreeuw bij elke pijnscheut deed de bus in een hardop lachende menigte veranderen. Ik moest er zelf ook wel een beetje om lachen.
“Polonnaruwa”, de hongerige troep sjacheraars en Tuk-tuk chauffeurs stond al te wachten op de hulpeloze rugzaktoeristen. Ik kreeg er nu echt genoeg van en elke keer als er één recht voor me ging staan en mijn pad blokkeerde kookte mijn bloed. Rustig aan jongen! Laat het maar aan Graham over, hij is een Indiaganger en dus de rust zelf in deze situaties. Ik vroeg niet eens wat de plannen waren, ik volgde zwijgzaam “Graham de meester”. We kwamen uiteindelijk in het “Manel Guest House” terecht. Ik controleerde de kamer en die was goed genoeg voor één nacht. De rugzakken werden naar binnen geslingerd en wij probeerden om zo snel mogelijk weer op pad te zijn. Nu werd het echt duidelijk dat er helemaal geen toeristen zijn in Sri Lanka en hoe wanhopig de mensen zijn. Het personeel van het guesthouse bleef tot in het treurige maar doorzeuren over allerlei services die ze konden verlenen maar waar wij geen enkele behoefte aan hadden. Het was best zielig maar als ik nu eenmaal wil lopen dan huur ik geen fiets.
Licht geïrriteerd stapten we de hete middagzon in om de ruïnes van “Polonnaruwa” te gaan bezichtigen. In de haast was de eerste fout snel gemaakt, we vergaten om eerst het museum te bezoeken en zo wat meer informatie over de ruines te krijgen. Jammer, maar het maakte uiteindelijk weinig uit. Zonder in details te treden kan ik eigenlijk alleen maar zeggen dat het een schitterend park is en zeker de moeite waard om te bezichtigen. De vier Boeddha’s die je aan het einde van de wandeling bezoekt zijn de mooiste die ik tot nu toe in Azië heb gezien. Het is alleen jammer dat één of andere gek er een lelijk dak boven heeft laten zetten. Het is haast onmogelijk om ze te fotograferen zonder lelijke schaduwen of gedeeltes van het dak.
Het was ondertussen al vijf uur en we hadden dus nog tijd om het museum te bezoeken, we moesten dan wel flink doorstappen om weer in het dorp te komen. Met zweet op mijn voorhoofd en rug waren we precies om half zes bij het museum. Een half uurtje zou voldoende zijn. Op de weg naar binnen passeerde wij het net naar huis gaande personeel van het museum. Wij waren beiden verbaasd want we wisten dat ze pas om zes uur zouden sluiten. Bij navraag bleek dat als het heel rustig was ze wel eens eerder naar huis gingen. Nou, het zou in de toekomst wel eens elke dag heel rustig zijn maar daar hadden wij niets mee te maken. Veertig dollar was er betaald en wij wilden nu ook het museum zien.


Het ging niet van harte en dat schoot bij mij meteen na deze stressvolle dag in het verkeerde keelgat. Ze kwamen demonstratief heel dicht bij je staan en volgde je van vitrine neer vitrine. Toen ze ook nog eens drie keer mijn kaartje moesten controleren had ik er genoeg van. Laat Graham maar alleen door het museum dwalen, misschien voelen ze zich nog slechter als er maar één gast in plaats van twee in het museum is?
Het einde van een zware dag werd gevierd met een ijskoud biertje op een schitterend terras terwijl we naar de ondergaande zon keken. Ik liet Graham alleen met zijn gedachten zodat hij zijn reis van drie maanden nog een keer de revue kon laten passeren.
We spraken wat met een jongen, Pavel, uit de Tsjechische Republiek die een motor had gehuurd en in zijn eentje Sri Lanka rondscheurde. Na een aanbeveling van ons ging hij ook naar het “Manel Guest House”. Een gezamenlijke maaltijd van redelijke kwaliteit gevolgd door een paar biertjes. De zwaarste dag zat er op. Morgen naar “Anuradhapura”, voor de laatste ruines.


Mijn gevoelens voor dit land zijn niet echt positief. Ik had altijd in mijn achterhoofd dat het één keer zou gaan gebeuren en het is nu dus gebeurd. Ik ben in een land waar ik het minder naar mijn zin heb. Ik ben in twee weken meer keer genaaid dan in de afgelopen twee jaar. Wat je ook doet en hoe goed je het afspreekt de Srilankanen vinden altijd weer een manier om de kosten op te hogen. Ik vertrouw niemand meer in dit land. Mijn plan is nu om maandag naar Kandy terug te keren en te kijken of ik eerder naar Maleisië kan vliegen mits het niet te veel extra kost. Indien het niet mogelijk blijkt dan blijf ik een paar dagen in Kandy rusten en daarna een paar dagen aan het strand om de tijd te doden. Het is jammer maar ik heb nu eenmaal na vandaag een heel slecht gevoel bij alles wat er om me heen gebeurd.
Copyright/Disclaimer